Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX8460

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
387729 / HA ZA 11-1950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; arbitraal beding in algemene voorwaarden; toepasselijkheid algemene voorwaarden; 'battle of forms'.

Vooropgesteld dient te worden dat het enkele feit dat zowel in de hoofdzaak als in het bevoegdheidsincident de vraag naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden onderwerp van geschil uitmaakt, nog niet met zich brengt dat een in het bevoegdheidsincident genomen conclusie moet worden aangemerkt als een mede in de hoofdzaak genomen conclusie.

Nu het geschil in de hoofdzaak zich mede richt op de verkrijging van een verklaring voor recht dat de algemene voorwaarden van eiser van toepassing zijn, is inherent aan de aard van de ingestelde vordering in de hoofdzaak dat de incidentele conclusie grotendeels dezelfde stellingname zal vervatten als de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Dit laat onverlet dat een redelijke procesorde met zich brengt dat gedaagde gerechtigd is tot het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak, alleen al omdat in de hoofdzaak ook nog andere punten aan de orde zijn.

Verzoek om tussentijds hoger beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/474

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 387729 / HA ZA 11-1950

Vonnis van 29 augustus 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Europoort, gemeente Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.G. Lasschuit te Noordwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. D. Berlijn te Alblasserdam.

Partijen zullen hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 18 augustus 2011, met elf producties;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid, met vier producties;

- de conclusie van antwoord in het incident, met drie producties (doorgenummerd als 12 tot

en met 14);

- de akte aan de zijde van [gedaagde];

- de antwoordakte aan de zijde van [eiser].

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald in het incident, aanvankelijk op 7 maart 2012.

2. Het geschil

in de hoofdzaak

2.1 [eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat op de overeenkomst tussen partijen uitsluitend de door [eiser] gehanteerde General Conditions van toepassing zijn en dat daarop niet de door [gedaagde] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn;

- voor recht verklaart dat de in de algemene voorwaarden van [gedaagde] opgenomen arbitrale bedingen door [eiser] rechtsgeldig zijn vernietigd;

- voor recht verklaart dat de rechtbank te Rotterdam bevoegd is om van alle geschillen die tussen partijen uit de tussen hen gesloten overeenkomst voortvloeien kennis te nemen;

- [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 15.562,82, vermeerderd met rente;

- [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

2.2 [eiser] heeft, verkort weergegeven, aan haar vorderingen tot een verklaring voor recht ten grondslag gelegd dat op de overeenkomst tussen partijen de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing zijn en niet de algemene voorwaarden van [gedaagde] en dat [eiser] belang heeft bij deze verklaringen voor recht nu de algemene voorwaarden verschillende bepalingen over aansprakelijkheid en forumkeuze bevatten.

[eiser] stelt daartoe dat zij op 2 februari 2010 aan [gedaagde] per email een offerte heeft gezonden met betrekking tot de verkoop en levering van een staalkabel waarin is verwezen naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [eiser] en dat [eiser] bij deze email een exemplaar van de algemene voorwaarden heeft bijgevoegd. Voorts hebben partijen onderhandeld over de prijs, waarop [eiser] [gedaagde] bij email van 4 mei 2010 een aangepaste offerte heeft gezonden en [gedaagde], na het bedingen van een korting bij aanschaf van twee staalkabels, op 5 mei 2010 twee staalkabels heeft aangeschaft. [eiser] heeft deze opdracht bevestigd door middel van twee ‘order confirmations’ waarin uitdrukkelijk is verwezen naar de door [eiser] gehanteerde algemene voorwaarden.

[gedaagde] stelt zich ten onrechte op het standpunt dat haar algemene voorwaarden op de overeenkomst toepasselijk zijn onder verwijzing naar de door haar aan [eiser] gezonden ‘Purchase Orders’ d.dis. 10 en 17 mei 2010 waarin wordt verwezen naar de ‘General Purchase Order Terms and Conditions’ van [gedaagde]. Aan deze verwijzing komt echter geen werking toe, omdat daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [eiser] uitdrukkelijk van de hand is gewezen. Daarnaast geldt dat [eiser] niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst een exemplaar van de algemene voorwaarden van [gedaagde] heeft mogen ontvangen en [eiser] geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen, zodat [eiser] het arbitraal beding in deze algemene voorwaarden op de voet van artikel 6:233 sub b BW vernietigt. Ook het arbitraal beding in de zogenaamde ‘Bard 500-voorwaarden’ dat volgens [gedaagde] van toepassing is op de overeenkomst, vernietigt [eiser], nu deze voorwaarden nooit op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard en [eiser] van deze Bard 500-voorwaarden evenmin een exemplaar voor of bij het sluiten van de overeenkomst heeft mogen ontvangen.

2.3 Aan de vordering tot betaling van het geldbedrag heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde], kort gezegd, drie facturen onbetaald heeft gelaten, waarover [gedaagde] vanaf de vervaldata der facturen de wettelijke handelsrente verschuldigd is vermeerderd met 2 %.

in het incident

2.4 [gedaagde] concludeert primair dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, zal bepalen dat tussen partijen de ‘Bard 500 T Main Crane Procurement Special Terms and Conditions Specification’ (hierna: de Bard 500 T&C) en de ‘General Purchasing Conditions of [gedaagde]’ van toepassing zijn op de ten processe bedoelde overeenkomsten, alsmede zal bepalen dat de rechtbank Rotterdam onbevoegd is om kennis te nemen van het geschil, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.

[gedaagde] concludeert subsidiair dat de rechtbank, voor zover de rechtbank Rotterdam zich wel bevoegd acht om van de zaak kennis te nemen, deze zaak zal verwijzen naar een roldatum gelegen op zes weken na het wijzen van het vonnis in het incident voor inhoudelijke conclusie van antwoord zijdens [gedaagde].

[gedaagde] heeft aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

2.5 [gedaagde] heeft op of omstreeks 10 mei 2010 en 17 mei 2010 met [eiser] twee overeenkomsten gesloten ter zake van de levering van twee staalkabels.

Door de ‘Purchase Orders’ d.dis. 10 en 17 mei 2010 van [gedaagde] voor akkoord te ondertekenen heeft [eiser] expliciet ingestemd met de inhoud van de ‘Purchase Orders’, waarin op pagina 2 van beide ‘Purchase Orders’ onder het kopje ‘documents’ de Bard 500 T&C van toepassing zijn verklaard en op pagina 3 onder het kopje ‘Purchase Order Terms & Conditions’ de General Purchasing Conditions of [gedaagde] (hierna: de General PC’s [gedaagde]). Onder het kopje ‘Purchase Order Terms & Conditions’ is opgenomen dat de ‘Purchase Orders’ van [gedaagde] prevaleren boven de General PC’s [gedaagde]. Uit de ‘Purchase Orders’ volgt dat de Bard 500 T&C daarop van toepassing zijn. Doordat de verwijzing naar de Bard 500 T&C uit de Purchase Order volgt en de Purchase Order in rang boven de General PC’s [gedaagde] zijn opgenomen, prevaleren de Bard 500 T&C boven de General PC’s [gedaagde], aldus [gedaagde].

Nu in de Bard 500 T&C een arbitraal beding is opgenomen, houdende een keuze voor arbitrage bij de stichting [X], is de rechtbank Rotterdam onbevoegd om van de ingestelde vordering kennis te nemen. [eiser] was voor of bij het sluiten van de overeenkomst, in het bezit van deze algemene voorwaarden en kan derhalve geen beroep doen op vernietiging van die voorwaarden.

Daarnaast is ook in de General PC’s [gedaagde] een arbitraal beding opgenomen, op grond waarvan tussen partijen gerezen geschillen beslecht dienen te worden voor het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI). [eiser] was voor of bij het sluiten van de overeenkomst ook in het bezit van die algemene voorwaarden. Nu sprake is van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst in de zin van artikel 1021 Rv, dient de rechtbank zich ingevolge artikel 1022 Rv onbevoegd te verklaren om van de ingestelde vordering kennis te nemen.

2.6 Indien de rechtbank de incidentele vordering van [gedaagde] zal afwijzen, verzoekt [gedaagde] de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] van haar tussenvonnis tussentijds in beroep kan komen.

2.7 [eiser] concludeert met betrekking tot het primair gevorderde tot niet-ontvankelijk-verklaring van [gedaagde] in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Met betrekking tot het subsidiair gevorderde concludeert [eiser] dat de conclusie van [gedaagde] dient te worden aangemerkt als conclusie van antwoord in de hoofdzaak en de zaak te verwijzen naar de rol voor tussenvonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

[eiser] heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd.

2.8 Partijen zijn geen arbitrage overeengekomen, zodat de rechtbank bevoegd is tot kennis-neming van de ingestelde vordering.

In aanvulling op hetgeen is weergegeven onder 2.2 heeft [eiser] het volgende aangevoerd.

2.9 Aan de in artikel 7 van de Bard 500 T&C opgenomen verwijzing komt geen betekenis toe, nu de verwijzing onvoldoende concreet is. Het in artikel 7 van de Bard 500 T&C neergelegde arbitrale beding vermeldt uitsluitend dat geschillen zullen worden beslecht door [X] zonder daarbij aan te geven wat [X] is en op basis van welk arbitragereglement de arbitrage zou plaatsvinden.

2.10 In de Purchase Orders van [gedaagde] wordt op pagina 3 onder het kopje ‘correspondence’ zowel de offerte van [eiser] d.d. 4 mei 2010 als de orderbevestiging van [eiser] d.d. 5 mei 2010 als een integraal onderdeel van de Purchase Orders van [gedaagde] aangemerkt. Nu zowel bij de offerte als bij de orderbevestiging de algemene voorwaarden van [eiser] waren gevoegd, maken deze eveneens een onderdeel uit van de Purchase Orders van [gedaagde].

2.11 In de Purchase Orders van [gedaagde] staat op pagina 3 onder het kopje ‘Effective Date of Order’ vermeld; ‘The effective date of this Purchase Order is 5 mei 2010’, waarmee [gedaagde] erkent dat de overeenkomst tussen partijen op 5 mei 2010 is gesloten.

2.12 Het standpunt van [gedaagde] met betrekking tot de rangorde van de algemene voorwaarden snijdt geen hout. Nu onder het kopje ‘correspondence’ wordt verklaard dat zowel de offerte als de orderbevestiging van [eiser] onderdeel uit te maken van de Purchase Orders, volgt hieruit dat in de rangorde eerst de bepalingen van de Purchase Orders van toepassing zijn inclusief de offerte en orderbevestiging van [eiser], zodat per saldo de Bard 500 T&C en de algemene voorwaarden van [eiser] van gelijke rang zijn.

2.13 [gedaagde] komt geen beroep toe op het bepaalde in artikel 6:234 lid 2 BW, nu de algemene voorwaarden van [gedaagde] evenmin voor of bij het sluiten van de overeenkomst langs elektro-nische weg aan [eiser] zijn toegezonden, terwijl dat wel mogelijk was geweest. Dat [gedaagde] voorwaarden bij email d.d. 18 augustus 2009 heeft gezonden als onderdeel van een bidbook voor een geheel ander project dat niet heeft geresulteerd in een overeenkomst, is niet voldoende voor een terhandstelling als bedoeld in artikel 6:234 lid 2 BW. [eiser] heeft het bidbook met bijbehorende algemene voorwaarden vernietigd zodra bleek dat haar offerte niet was geaccepteerd en beschikte bij het sluiten van de onderhavige overeen-komsten mitsdien niet langer over de General PC’s [gedaagde].

2.14 De Purchase Orders d.dis. 10 en 17 mei 2010 zijn nooit ondertekend zijdens [eiser], althans nooit bevoegdelijk ondertekend. De ondertekening door de heer Finkelnberg, kan [eiser] niet binden nu deze werknemer niet bevoegd is om [eiser] op enigerlei wijze te vertegenwoordigen, hetgeen ook blijkt uit de inschrijvingen in het Handelsregister. [eiser] is mitsdien niet gebonden aan de ondertekening.

2.15 Aan artikel 7 van de Bard 500 T&C komt geen zelfstandige betekenis toe, nu dit artikel verwijst naar artikel 23.2 van de General PC’s [gedaagde]. In de Bard 500 T&C is een afwijking beoogd met betrekking tot de bepalingen ter zake van ‘assignments’. Hiervan is geen sprake, zodat het arbitraal beding in artikel 7 van de Bard 500 T&C geen toepassing vindt.

2.16 Ook ingeval partijen arbitrage zijn overeengekomen, staat dit niet in de weg aan de door [eiser] verzochte verklaring voor recht.

2.17 [eiser] voert voorts gemotiveerd verweer tegen het verzoek van [gedaagde] om bij afwijzing van de incidentele vordering te bepalen dat tegen het incidentele vonnis tussen-tijds hoger beroep open staat. Dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling worden weergegeven.

3. De beoordeling

in het incident

toepasselijkheid algemene voorwaarden?

3.1 [gedaagde] heeft zich in haar eerste processtuk, derhalve tijdig, op een tussen partijen gesloten overeenkomst tot arbitrage beroepen.

3.2 Ingevolge artikel 1022 Rv dient de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd te verklaren, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.

Artikel 1021 Rv bepaalt dat een overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.

3.3 Niet in geschil is dat zowel in de Bard 500 T&C als in de General PC’s [gedaagde] een arbitraal beding is opgenomen. Beoordeeld dient derhalve te worden of de zogenaamde Bard 500 T&C, dan wel de General PC’s [gedaagde] op de tussen partijen gesloten overeen-komst van toepassing zijn.

3.4 Bij de beantwoording van de vraag of algemene voorwaarden van toepassing zijn, dienen de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan dus worden aangenomen indien zij door de gebruiker is voorgesteld en door de wederpartij is aanvaard, waaronder begrepen het geval dat de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met de toepasselijkheid van de voorwaarden in te stemmen.

3.5 Vaststaat dat na ontvangst van de eerste offerte van [eiser] tussen partijen is onderhandeld over de prijs en de technische ‘scope’ van de overeenkomst, hetgeen heeft geresulteerd in een aangepaste offerte van [eiser] d.d. 4 mei 2010. Evenmin is in geschil, omdat [eiser] dat heeft gesteld en door [gedaagde] niet is betwist, dat [gedaagde] op 5 mei 2010 [eiser] heeft laten weten twee staalkabels aan te schaffen en dat [eiser] deze opdracht nog dezelfde dag aan [gedaagde] door middel van twee Order Confirmations heeft bevestigd. Vaststaat ook dat zowel in de offerte d.d. 4 mei 2010 als in de Order Confirmations d.dis. 5 mei 2010 uitdrukkelijk wordt verwezen naar de toepasselijkheid van de door [eiser] gehanteerde algemene voorwaarden.

3.6 Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze verschillende handelingen (offertes van [eiser], mondelinge bestelling van [gedaagde], opdrachtbevestigingen van [eiser]) in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst moeten worden beschouwd. [eiser] meent dat met de mondelinge bestelling de overeenkomst tot stand is gekomen (op basis van haar offertes, met inbegrip van de daarin genoemde toepasselijkverklaring van de eigen algemene voorwaarden). [gedaagde] meent dat de overeenkomst pas tot stand is gekomen na ondertekening door (Finkelnberg namens) [eiser] van de latere Purchase Orders. De rechtbank laat dit debat verder in het midden. Uit het overwogene in 3.5 volgt in elk geval dat in de eerste stukken die specifiek waren gericht op de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst uitdrukkelijk en uitsluitend is verwezen naar de algemene voorwaarden van [eiser]. Dat het overleg tussen partijen volgde op overleg tussen [gedaagde] en de Duitse fabrikant van de kabels, voor wie [eiser] kennelijk als dealer optreedt, doet hier niet aan af. Het gaat hier om een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]. Uit de door [gedaagde] gestelde feiten kan niet worden afgeleid dat [eiser] en de Duitse fabrikant zouden moeten worden vereenzelvigd.

3.7 Vast staat dat [gedaagde] vervolgens haar Purchase Orders d.dis. 10 en 17 mei 2010 aan [eiser] heeft toegezonden. Deze luiden, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

DOCUMENTS

The following documents are applicable to the Purchase Order:

Document Status Revision Description Comments

(…)

ZZJ05040 C 2 BARD 500 T MAIN CRANE

PROCUREMENT SPECIAL TERMS

AND CONDITIONS SPECIFICATION

CORRESPONDENCE

The following correspondence papers shall form an integral part of this Purchase Order:

From To Means Date Subject

[eiser] [gedaagde] Email 04-05-2010 Quotation

ref. 210100023

[gedaagde] [eiser] Email 05-05-2010 Confirmation required

for Specification

SMG56201A2

[eiser] [gedaagde] Email 05-05-2010 Order Confirmations

210201452 &

210201453

PURCHASE ORDER TERMS & CONDITIONS

The Terms and Conditions of this PURCHASE ORDER shall be comprised of the following documents, listed in order of precedence:

- 1/This Purchase Order

- 2/General Purchase Order Terms and Conditions. (…)”.

3.8 Partijen twisten over de vraag of de hier weergegeven Purchase Orders deel uitmaken van de overeenkomst (zoals [gedaagde] meent en [eiser] bestrijdt). Ook echter als in dit verband het standpunt van [gedaagde] wordt gevolgd, leidt dit niet tot de conclusie dat de door haar ingeroepen algemene voorwaarden zijn overeengekomen. Uit de Purchase Orders van [gedaagde] kan immers redelijkerwijs niet met voldoende zekerheid worden afgeleid welke algemene voorwaarden (volgens [gedaagde]) nu precies op de overeenkomst van toepassing zijn. Onder de op de overeenkomst “applicable” documenten wordt verwezen naar de Bard-500, onder het kopje “Correspondence” die “an integral part” van de overeenkomst vormt, wordt verwezen naar de in 3.5 bedoelde offerte en opdrachtbevestiging van [eiser] en onder het kopje “Terms & conditions” wordt verwezen naar de “General Purchase Order Terms and Conditions”. Aldus is sprake van een verwijzing naar meerdere sets algemene voorwaarden, zonder dat voor [eiser] als wederpartij op begrijpelijke en niet onredelijk bezwarende wijze is aangegeven welke van die sets nu precies van toepassing is. Dat de Purchase Order zelf een “order of precedence” aangeeft, op grond waarvan de Purchase Order voorgaat op de algemene voorwaarden van [gedaagde], is niet voldoende. De Purchase Order zelf verwijst immers ook naar twee sets algemene voorwaarden, namelijk de Bard-500 en de algemene voorwaarden van [eiser]. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de verwijzing naar de offerte en de opdrachtbevestiging van [eiser] slechts betrekking heeft op de ‘scope’ van het werk en niet op de toepasselijke algemene voorwaarden, maar de rechtbank verwerpt dat betoog. Dit betoog wordt immers op geen enkele wijze door de tekst van de Purchase Order bevestigd en [gedaagde] heeft ook geen andere feiten gesteld die tot die uitleg aanleiding geven. In dit verband is ook de voorgeschiedenis van belang, zoals besproken in 3.5 en 3.6. In de voorafgaande fase heeft [eiser] immers uitdrukkelijk de eigen algemene voorwaarden van toepassing verklaard (en aan [gedaagde] toegezonden). Waar dan vervolgens juist die stukken tot “an integral part” van de overeenkomst worden verklaard, heeft [gedaagde] er niet op mogen vertrouwen dat [eiser] er mee heeft willen instemmen dat haar eigen algemene voorwaarden juist niet van toepassing waren, ook niet als zou moeten worden aangenomen dat Finkelnberg de Purchase Orders bevoegdelijk namens [eiser] heeft ondertekend. Dit zou misschien anders zijn als in de Purchase Orders de algemene voorwaarden van [eiser] uitdrukkelijk worden afgewezen, maar dat is niet aan de orde.

3.9 De slotsom luidt dat aan de in de Purchase Orders opgenomen verwijzing naar de Bard 500 T&C en de General PC’s [gedaagde] geen werking toekomt. In het midden kan blijven of

[eiser] daadwerkelijk bevoegdelijk door Finkelnberg is vertegenwoordigd, dan wel ter zake de schijn heeft gewekt. De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

conclusie aan te merken als een conlusie van antwoord?

3.10 Vooropgesteld dient te worden dat het enkele feit dat zowel in de hoofdzaak als in het bevoegdheidsincident de vraag naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden onder-werp van geschil uitmaakt, nog niet met zich brengt dat een in het bevoegdheidsincident genomen conclusie moet worden aangemerkt als een mede in de hoofdzaak genomen conclusie.

Nu het geschil in de hoofdzaak zich mede richt op de verkrijging van een verklaring voor recht dat de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing zijn, is inherent aan de aard van de ingestelde vordering in de hoofdzaak dat de incidentele conclusie grotendeels dezelfde stellingname zal vervatten als de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Dit laat onverlet dat een redelijke procesorde met zich brengt dat [gedaagde] gerechtigd is tot het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak, alleen al omdat in de hoofdzaak ook nog andere punten aan de orde zijn.

tussentijds hoger beroep?

3.11 [gedaagde] heeft verzocht om, in geval van afwijzing van haar vordering, tussentijds hoger beroep toe te staan. [eiser] heeft bezwaar gemaakt.

De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Uitgangspunt is dat hoger beroep van tussen-vonnissen, waaronder begrepen incidentele vonnissen als de onderhavige, ingevolge artikel 337 lid 2 Rv slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om een uitzondering op de hoofdregel te maken. [gedaagde] heeft dergelijke bijzondere omstandigheden echter niet althans onvoldoende gesteld. Zij heeft slechts aangevoerd dat redenen van proceseconomie met zich brengen dat hoger beroep van het tussenvonnis moet worden toegestaan, nu het onwenselijk is dat partijen ‘een procedure voor de burgerlijke rechter zouden moeten voeren waarbij mogelijk ook complexe technische vragen aan de orde komen en wellicht zelfs een deskundige zal moeten worden benoemd’. Dit levert echter onvoldoende grond op om van de hoofdregel af te wijken. Gelet ook op de door de rechter op dit punt te betrachten terughoudendheid, bestaat geen grond om tussentijds hoger beroep open te stellen.

3.12 Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat beslissingen die in het kader van de beantwoording van een bevoegdheidsvraag moeten worden genomen over punten die ook daarbuiten een rol spelen, de rechtbank buiten genoemd kader niet binden (zie bijvoorbeeld HR 30 juni 1989, NJ 1990, 382, ro. 3.3).

3.13 [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering af;

wijst af het verzoek om tegen dit vonnis te mogen appelleren voordat eindvonnis wordt gewezen;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op nihil aan verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis, wat de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 september 2012 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.

1182/1980