Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX7821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
334843 / HA ZA 09-1945
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek heropening getuigenverhoor; art. 166 lid 1 Rv; belang van een voortvarende procesvoering vs proceseconomie; verzoek opgave schade in aanhangige procedure , zodat niet een aparte schadestaatprocedure noodzakelijk is; art. 612 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 334843 / HA ZA 09-1945

Vonnis van 5 september 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HELMOND,

zetelend te Helmond,

eiseres,

advocaat mr. G.H. Beusker te Venlo,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Capelle aan den IJssel.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 december 2010, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 april 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 augustus 2011;

- verzoek tot heropening getuigenverhoor tevens conclusie na getuigenverhoor van 9 november 2011;

- conclusie van antwoord na getuigenverhoor tevens houdende verweerschrift van 7 december 2011;

- akte na conclusiewisseling na getuigenverhoor van 25 januari 2012;

- antwoordakte na conclusiewisseling na getuigenverhoor van 7 maart 2012.

1.2. Er is opnieuw vonnis bepaald.

1.3. De rechter ten overstaan van wie de getuigenverhoren van 18 april 2011 en 29 augustus 2011 hebben plaatsgehad is thans niet (meer) werkzaam in deze sector, zodat zij niet in staat is dit vonnis (mede) te wijzen.

2. De verdere beoordeling

Bewijsopdracht

2.1. In het tussenvonnis van 8 december 2010 heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat het feit dat de door [gedaagde] vervaardigde voegovergangen niet de eigenschappen vertoonden die de gemeente op grond van de aannemingsovereenkomst had mogen verwachten te wijten is aan een vroegtijdige waterbelasting. Vervolgens is de vraag aan de orde gekomen of deze vroegtijdige waterbelasting aan [gedaagde] toerekenbaar is. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat indien komt vast te staan dat:

1) [gedaagde] de gemeente heeft geadviseerd vaste steigertenten te plaatsen, omdat alleen bij die tenten optimaal en weersonafhankelijk gewerkt kon worden;

2) [gedaagde] de gemeente ervoor heeft gewaarschuwd dat ‘partytenten’ mogelijk geen voldoende bescherming tegen regen zouden bieden en

3) de gemeente [gedaagde] desalniettemin heeft opgedragen ‘partytenten’ te gebruiken,

de vroegtijdige waterbelasting niet aan [gedaagde] toerekenbaar is. De rechtbank heeft vervolgens [gedaagde] opgedragen het vorenstaande te bewijzen.

2.2. Ter voldoening aan de bewijsopdrachten heeft [gedaagde] als getuigen doen horen:

a. [persoon 1], hoofd administratie bij [gedaagde];

b. [persoon 2], machinaal verspaner;

c. [persoon 3], uitvoerder.

Het getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde] is op 18 april 2011 gesloten.

2.3. De gemeente heeft in contra-enquête als getuigen doen horen:

a. [persoon 4], senior projectmanager;

b. [persoon 5], medewerker ingenieursbureau.

Op 29 augustus 2011 is het getuigenverhoor aan de zijde van de gemeente gesloten.

Verzoek heropening getuigenverhoor

2.4. Bij akte van 9 november 2011 heeft [gedaagde] verzocht het getuigenverhoor te heropenen om alsnog als getuigen te doen horen: [persoon 6], directeur bij [gedaagde] en zijn broer, [persoon 7], medewerker bij [gedaagde]. De aanleiding voor dit verzoek ligt in de verklaringen die de getuigen in contra-enquête hebben afgelegd. Bij akte van 7 december 2011 heeft de gemeente afwijzing van dit verzoek bepleit.

2.5. Op grond van artikel 166, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv), beveelt de rechter een getuigenverhoor ‘zo vaak een van de partijen het verzoekt’ en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.

2.6. Uit de jurisprudentie volgt, dat het in het algemeen met het oog op het belang van een voortvarende procesvoering gewenst is dat een procespartij alle getuigen ten aanzien van wie redelijkerwijs te verwachten valt dat hun verklaringen tot het door haar te leveren bewijs kunnen bijdragen, voorbrengt alvorens het verhoor aan haar zijde wordt gesloten. Daartegenover staat evenwel het belang van de waarheidsvinding in rechte, welk belang kan eisen dat ook na de sluiting van de enquête nog getuigen worden gehoord. Gezien dit laatste belang dient een partij in het algemeen de bevoegdheid toe te komen heropening van het verhoor te verzoeken, zij het dat deze bevoegdheid mede gelet op het belang van een voortvarende procesvoering, haar begrenzing vindt in de eisen van een goede procesorde (HR 13 september 1996, LJN ZC2134).

2.7. De gemeente heeft erop gewezen dat [gedaagde] om ‘juridische en proceseconomische redenen’ ervoor heeft gekozen om twee direct betrokkenen in eerste instantie niet als getuigen te horen. Het verzoek om heropening van het getuigenverhoor dient daarom te worden afgewezen. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat een aanbod tot het horen van een aantal met name genoemde getuigen niet zonder meer meebrengt dat degene die bewijs heeft aangeboden, het recht heeft prijsgegeven om nog andere getuigen voor te brengen. Dat recht vindt zijn grens waar strijd ontstaat met een goede procesorde, maar gelet op het belang van waarheidsvinding in rechte, zal daarvan niet spoedig sprake zijn (HR 2 mei 1997, LJN ZC2362).

2.8. Bij de beoordeling van de vraag of de regels van de goede procesorde zijn geschonden, neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] ervoor heeft gekozen om de enquête te sluiten zonder dat [personen 6 en 7] zijn gehoord. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] slechts een zeer summiere toelichting heeft gegeven waarom zij in eerste instantie van het horen van [personen 6 en 7] heeft afgezien. Hoewel de rechtbank opmerkt, dat het onder deze omstandigheden niet zonder meer voor de hand ligt om een verzoek tot heropening van het getuigenverhoor toe te wijzen, zal de rechtbank hiertoe wel overgaan. De reden hiervoor is, dat het belang van de waarheidsvinding voorop staat. [personen 6 en 7] zijn direct betrokkenen en daarom mag verwacht worden dat zij een relevante getuigenverklaring kunnen afleggen. Weliswaar zal de procedure worden vertraagd, doch in het onderhavige geschil is geen sprake van een zodanige spoedeisendheid dat dit aan de heropening van het getuigenverhoor in de weg staat. In dat kader overweegt de rechtbank dat indien het verzoek niet zou worden toegewezen, het verzoek alsnog in appel zou kunnen worden gedaan, hetgeen tot nog meer vertraging zal leiden.

De door de gemeente aangevoerde bezwaren leiden niet tot een ander oordeel. De gemeente heeft gesteld dat [gedaagde] als eerste de getuigen dient voor te brengen. [persoon 6] is bij de getuigenverhoren aanwezig geweest en zijn verklaring kan door de eerdere getuigenverklaringen worden beïnvloed. Voorts heeft de gemeente gesteld, dat [gedaagde] haar de mogelijkheid heeft ontnomen om aan de getuigen vragen te stellen voordat de andere getuigen worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat uit bovenstaande argumenten niet volgt dat de goede procesorde zodanig wordt geschonden dat het verzoek tot heropening van het getuigenverhoor dient te worden afgewezen, maar dat deze gang van zaken veeleer bij de bewijsbeoordeling dient te worden meegewogen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot heropening van het getuigenverhoor gehonoreerd dient te worden.

Verdere verloop van de procedure

2.9. Om de vertraging in deze procedure tot een minimum te beperken, zal de rechtbank zich in dit vonnis tevens uitlaten over de overige geschilpunten en het verdere verloop van deze procedure.

2.10. Nadat [personen 6 en 7] als getuigen in het heropende getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde] zijn gehoord, zal de gemeente in de gelegenheid worden gesteld om een verzoek tot heropening van de contra-enquête te doen.

2.11. Eerst na het horen van alle getuigen zal de bewijsbeoordeling plaatsvinden.

2.12. Indien [gedaagde] slaagt in de haar opgedragen bewijslevering, is de vroegtijdige waterbelasting niet aan [gedaagde] toerekenbaar en ligt de vordering voor afwijzing gereed.

2.13. Indien [gedaagde] niet slaagt in de bewijslevering van (één van) de bewijsopdrachten, liggen de overige verweren van [gedaagde] aan de rechtbank ter beoordeling voor.

Eigen schuld

2.14. Subsidiair heeft [gedaagde] gesteld dat de door de gemeente gestelde schade aan de voegovergangen mede is veroorzaakt door het onvoldoende schoonmaken en schoonhouden van de voegen door de gemeente. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] foto’s in het geding gebracht, waaruit volgens haar een aanzienlijke vervuiling blijkt. [gedaagde] heeft gesteld dat indien het voegrubber vervuild is, de bewegingen van het brugdek niet kunnen worden opvangen. Er ontstaat spanning op een plaats in de voegovergang waar deze niet kan worden opgevangen.

2.15. De gemeente heeft betwist dat zij de voegovergangen niet of onvoldoende heeft schoongemaakt. Voor zover dit anders mocht zijn, heeft de gemeente gesteld dat dit niet de schade heeft veroorzaakt. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat er nu juist sprake is van grote (zo niet de grootste) schade aan de voegovergangen op die plekken waar van enige vervuiling geen sprake is. Tot slot heeft de gemeente gesteld dat de vervuiling afkomstig is van het losgelaten voegovergangsmateriaal dat vervolgens in de voeg terecht is gekomen. Ook de vervuiling dient derhalve volgens de gemeente aan de gebrekkige uitvoering van het werk door [gedaagde] te worden toegerekend.

2.16. Nu [gedaagde] heeft nagelaten om haar stellingen op dit punt voldoende te motiveren, althans gemotiveerd te handhaven, zal de rechtbank aan dit verweer voorbij gaan. De gemeente heeft bij conclusie van repliek de stelling van [gedaagde] ter zake van het onderhoud op meerdere punten betwist. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek volstaan met een korte toelichting, waarin is vermeld dat de schade wel degelijk kan zijn ontstaan indien onvoldoende is schoongemaakt. Voor het overige heeft [gedaagde] niet op de betwisting van de gemeente gereageerd. Het had evenwel op de weg van [gedaagde] gelegen om bij akte van dupliek op de stellingen van de gemeente in te gaan. Zo heeft [gedaagde] niet weersproken dat de gemeente wel degelijk de voegovergangen voldoende heeft schoongemaakt. Voorts heeft zij de stelling dat de opgetreden vervuiling is te wijten aan [gedaagde], doordat [gedaagde] voegovergangsmateriaal in de voeg terecht heeft laten komen, niet weersproken. Daarnaast is de stelling van [gedaagde] dat de schade is opgetreden door het onvoldoende schoonmaken en schoonhouden van de gemeente zonder verdere toelichting niet zonder meer te rijmen met haar stelling dat de schade is ontstaan door vroegtijdige waterbelasting. In dat verband had het in de rede gelegen dat [gedaagde] zich had uitgelaten over de vraag in welke mate de schade is veroorzaakt en is toe te rekenen aan de gemeente zelf en niet aan de vroegtijdige waterbelasting. Op grond hiervan passeert de rechtbank het verweer.

Schade

2.17. De gemeente heeft gesteld dat de door haar geleden schade bestaat uit de reparatiewerkzaamheden aan de voegovergangen. In haar dagvaarding heeft de gemeente gesteld dat zij op korte termijn opdracht aan derden zal verstrekken om de reparaties uit te voeren. In grote lijnen zijn de kosten volgens de gemeente in kaart gebracht, maar stonden zij – ten tijde van de dagvaarding – niet vast. De gemeente raamt het bedrag aan reparatiekosten op ongeveer € 170.000,00.

Daarnaast is [gedaagde] op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek lid 2 sub b gehouden de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid te voldoen. Hieronder dienen volgens de gemeente worden begrepen:

a. de kosten van onderzoek ten bedrage van € 3.640,00 (Itron);

b. de schade die de gemeente lijdt als gevolg van het feit dat zij de Kasteeltraverse opnieuw heeft moet afsluiten, ten bedrage van € 1.339,94 (factuur Hoka verkeerstechniek van 18 februari 2009).

Voorts is [gedaagde] volgens de gemeente buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, die zij ex aequo et bono begroot op € 500,00. Tot slot maakt de gemeente aanspraak op de wettelijke rente vanaf 2 juli 2008.

2.18. [gedaagde] heeft gesteld dat er geen sprake is van schade, aangezien [gedaagde] de beschadigingen die kort na oplevering van het werk zijn ontstaan, heeft gerepareerd. De bij [gedaagde] bekende schade is volgens [gedaagde] naar tevredenheid van de gemeente gerepareerd.

Schadestaatprocedure

2.19. De gemeente heeft de rechtbank verzocht om de schade op te maken bij staat.

2.20. Ingevolge artikel 612 Rv begroot de rechter de schade in zijn vonnis voorzover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag (HR 16 april 2010, LJN BL2229). De rechter kan partijen in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over de schadefactoren en de omvang van de schade wanneer dat onvoldoende is geschied (HR 19 oktober 2001, LJN AD4709).

2.21. Aangenomen moet worden dat het reparatiewerk inmiddels is verricht. Dit neemt de rechtbank aan, omdat niet is weersproken dat de Kasteeltraverse onderdeel is van de N270 en een belangrijke verkeersader bij Helmond is. Hierdoor ligt het in de rede dat er haast is geboden bij het herstel van de Kasteeltraverse. Bovendien zijn er na het indienen van de dagvaarding op 15 juli 2009 inmiddels drie jaren verstreken. Uit het oogpunt van een doelmatige en voortvarende procedure zal de rechtbank nadat het getuigenverhoor aan beide zijden is gesloten, de gemeente in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de omvang van schade voortvloeiend uit de reparatiewerkzaamheden aan de voegovergangen. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.

2.22. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. heropent het getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde];

3.2. staat [gedaagde] toe om als getuigen te doen horen:

a. [persoon 6], directeur bij [gedaagde]; alsmede

b. [persoon 7], medewerker bij [gedaagde];

3.3. bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen en vrijdagen in de maanden oktober tot en met december 2012 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.4. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A. Muilwijk-Schaaij in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125,

3.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

3.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2012.?

2053/106