Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX6980

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
408231 / HA RK 12-678
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Volstrekt gebruikelijk en zeker niet onbegrijpelijk dat de rechter aan het einde van de zitting in deze zeker niet gemakkelijke zaak te kennen heeft gegeven dat zij alvorens een beslissing te nemen daarover eerst nog zou nadenken om op een later tijdstip haar beslissing uit te spreken. Daarin is geen grond voor wraking te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 5 september 2012

Zaaknummer: 408231

Rekestnummer: HA RK 12-678

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam kinderrechter], rechter tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de kinderrechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting met gesloten deuren van 3 september 2012 is door de kinderrechter behandeld het door de raad voor de kinderbescherming ingediende verzoek tot:

- ondertoezichtstelling voor de periode van een jaar van de minderjarige [naam van de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], kind van verzoeker en van mevrouw [naam] en

- verlenging van de machtiging van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam de minderjarige uit huis te plaatsen in een vorm van pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling,

welke procedure als kenmerk heeft 403062 / JE RK 12-1680.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de kinderrechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.

Verzoeker, zijn advocaat mr. D.H. van Tongerlo, de kinderrechter, mevrouw [naam] en haar advocaat mr. C.W.M. Jansen, de raad voor de kinderbescherming, alsmede Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting met gesloten deuren van 5 september 2012, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker en zijn raadsman mr. J.L. de Kreek. De kinderrechter, de raad voor de kinderbescherming, mevrouw [naam] en haar advocaat zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.

Verzoeker en zijn raadsman hebben mede aan de hand van een op schrift gesteld pleidooi hun standpunt nader toegelicht en hebben ter zitting een productie overgelegd.

Ter zitting van 5 september 2012 heeft verzoeker de rechters van de wrakingskamer gewraakt.

Nadat deze wraking door een meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, samengesteld uit andere rechters dan de gewraakte rechters, dit tweede wrakingsverzoek had behandeld en tot afwijzing daarvan had beslist, is de behandeling van het verzoek tot wraking van de kinderrechter aanstonds voortgezet en afgerond.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:

- het e-mailbericht van de raadsman van verzoeker van 4 september 2012 met zes producties;

- het faxbericht van mr. Tongerlo van 4 september 2012, met bijlage.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker ter zitting van 3 september 2012, nadat de kinderrechter had meegedeeld dat de standpunten haar helder zijn, dat zij gaat nadenken over de beslissing en dat zij deze zo spoedig mogelijk zal doorgeven, gezegd:

Dan wraak ik u. Dan bent u net zo als jeugdzorg en de raad, want ik wil nu mijn kind terug. Ik weet jullie wel te vinden en u ook.

Ter zitting van 5 september 2012 heeft de raadsman het verzoek toegelicht overeenkomstig het schriftelijk pleidooi, waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2.2

De kinderrechter heeft niet in de wraking berust, waarbij zij onder meer het volgende heeft aangevoerd:

Op 3 september j.l. heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden van het door de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam ingediende verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige [naam].

Aan het einde van de behandeling van de zaak heb ik partijen meegedeeld, dat ik mij over de zaak zou gaan beraden en dat ik zo snel mogelijk uitspraak zou doen. Op dat moment werd verzoeker erg boos en riep dat hij mij dan wraakte.

Naar ik begrijp heeft verzoeker mij gewraakt, omdat ik niet meteen uitspraak deed, waarbij ik de verzoeken van de raad voor de kinderbescherming afwees. Of dit inderdaad zo is, heb ik niet kunnen navragen, want verzoeker verliet meteen boos de zittingszaal.

Mijns inziens is de hiervoor door mij gedane mededeling geen reden om het wrakingsverzoek gegrond te verklaren. Hierbij verzoek ik u dan ook het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de kinderrechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld opleveren.

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

Dat kan anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

Als grond voor de wraking is aangevoerd, zo begrijpt de rechtbank, dat de kinderrechter ter zitting van 3 september 2012 ten onrechte het verzoek van verzoeker om onmiddellijk te beslissen tot afwijzing van de verzoeken van de raad voor de kinderbescherming niet heeft gehonoreerd en heeft gezegd dat zij over de zaak zal gaan nadenken en zo spoedig mogelijk een beslissing zal nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het volstrekt gebruikelijk en zeker niet onbegrijpelijk dat de kinderrechter aan het einde van de zitting in deze zeker niet gemakkelijke zaak, te kennen heeft gegeven dat zij alvorens een beslissing te nemen daarover eerst nog zou nadenken om op een later tijdstip haar beslissing uit te spreken. Daarin is geen grond voor wraking te vinden.

Voorts is er geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van een pathologische ontkenning als door verzoeker omschreven en die meebrengt dat leden van de rechterlijke macht - en derhalve ook de kinderrechter - niet in staat zijn om tot een onafhankelijk oordeel te komen.

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam kinderrechter].

Deze beslissing is gegeven op 5 september 2012 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.