Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX6327

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/1303 en AWB 12/1304
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ1680, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en projectbesluit voor het realiseren van 18 starterswoningen, een zorgcentrum met 24 zorgkamers en circa 400 m2 bruto vloeroppervlak voor een andere gezondheidsfunctie. Verweerder heeft de parkeerbehoefte vanwege het project mogen verrekenen met het aantal voor de voormalige seniorenwoningen benodigde parkeerplaatsen, nu ten behoeve van de seniorenwoningen gebruik werd gemaakt van de openbare parkeerplaatsen rond die woningen en er als gevolg van het project geen parkeerplaatsen zullen vervallen. Verweerder heeft een correctiefactor in verband met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen mogen toepassen, omdat aannemelijk is dat de verschillende functies waarvoor de nieuwbouw zal worden gebruikt, naar hun aard veelal niet op dezelfde momenten parkeerruimte zullen vragen. Niet aannemelijk is geworden dat het realiseren van een ontsluiting op de [straat 3] in plaats van op de [straat 1] een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert, nu volgens verweerder een ontsluiting op die locatie vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/1303 en AWB 12/1304

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 augustus 2012 in de zaken tussen

[eisers 1],

te Bergschenhoek, eisers 1,

[eisers 2], te Bergschenhoek, eisers 2,

gemachtigde: mr. M.J. Smaling,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: mr. M.L. Hachmioui.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen Stichting 3B Wonen, te Bergschenhoek, vergunninghoudster (3B Wonen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft verweerder een projectbesluit genomen en bij besluit verzonden op 6 februari 2012 heeft verweerder aan 3B Wonen een bouwvergunning verleend ten behoeve van het realiseren van 18 starterswoningen, een zorgcentrum met

24 zorgkamers en circa 400 m2 bruto vloeroppervlak voor een andere gezondheidsfunctie in een gebied dat wordt omsloten door de [straat 1], de [straat 2] en de [straat 3] in Bergschenhoek (project Nieuwe Rozenhoek).

Eisers 1 en eisers 2 hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2012, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Eiser [naam] is verschenen. Eisers 2 zijn verschenen, bijgestaan door mr. E. Kamper. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. R. Honders. Namens 3B Wonen is verschenen ing. E.M. Olsthoorn.

Overwegingen

1. Op 30 september 2010 heeft 3B Wonen ten behoeve van het project Nieuwe Rozenhoek een bouwvergunning aangevraagd. Het project is in strijd met het bestemmingsplan ‘Oosthoeck’. Om toch medewerking aan het project te kunnen verlenen, heeft verweerder met toepassing van artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een projectbesluit genomen. Vervolgens is een bouwvergunning verleend. Bij de voorbereiding van beide besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast. Verweerder heeft ter onderbouwing van de besluiten verwezen naar de ‘Ruimtelijke onderbouwing projectbesluit Rozenhoek te Bergschenhoek’ van 24 januari 2012 (ruimtelijke onderbouwing) en zijn reactie op de ingediende zienswijzen over de ontwerpbesluiten, neergelegd in de ‘Nota zienswijzen projectbesluit Rozenhoek’ van

24 januari 2012.

2. Eisers 1 voeren het volgende aan. Het project is in strijd met het bestemmingsplan. Het vervangen van de (voormalige) seniorenwoningen door starterswoningen en een op gehandicapten gericht zorgcentrum past niet in verweerders streven om zorgzame wijken te creëren waarbij burgers bij het ouder worden in hun wijk kunnen blijven wonen. Het project voorziet in onvoldoende parkeergelegenheid. Verweerder had de parkeerbehoefte vanwege het project niet mogen verrekenen met de parkeerbehoefte die uitging van de senioren-woningen. Voorts zijn de gehanteerde aanwezigheidspercentages discutabel en de parkeertellingen ontoereikend. De nieuwbouw past qua omvang, vorm en inhoud niet in de omgeving, die bestaat uit eengezinswoningen. Ook het bouwen tot aan het trottoir komt nergens anders voor in de wijk. De opmerkingen die de welstandscommissie tijdens het vooroverleg over het project heeft gemaakt zijn in de vergunde versie onvoldoende verwerkt. Het project leidt tot een onacceptabele toename van schaduwwerking. Voorts is sprake van een inbreuk op de privacy, doordat vanuit de woningen in de langs de [straat 3] gesitueerde vleugel zicht bestaat in de woningen en tuinen van eisers 1. De smalle ingang aan de [straat 3], zoals weergegeven op tekening B-01 bij de bouwvergunning, levert een gevaarlijke verkeerssituatie op.

3. Eisers 2 betogen het volgende. Het project voorziet in onvoldoende parkeergelegenheid. Verweerder had de parkeerbehoefte vanwege het project niet mogen verrekenen met 7 bestaande parkeerplaatsen in de [straat 1], omdat deze parkeerplaatsen ook door de bewoners van deze straat worden gebruikt. Bovendien bestaan reeds in de huidige situatie parkeerproblemen. Het project leidt tot een inbreuk op de privacy, nu de ramen in de kopgevel van de langs de [straat 1] gelegen vleugel zicht bieden in de woning en tuin van eisers 2. Voorts zal hun woongenot verminderen vanwege de aanzienlijke toename van verkeersbewegingen als gevolg van de ontsluiting van het projectgebied direct langs hun woning. Ook zal hun woning hierdoor in waarde dalen. Het projectgebied kan beter ontsloten worden aan de zijde van de [straat 3]. De exploitatie- en werkgrens is in de bestektekening gedeeltelijk over het perceel van eisers 2 getekend.

4. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. De rechtbank zal in deze uitspraak dan ook uitgaan van het recht dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wabo.

Op grond van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Op grond van artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na ontheffing of na het nemen van een projectbesluit, tevens aangemerkt als een aanvraag om zodanige ontheffing dan wel projectbesluit.

Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Bij raadsbesluit van 23 april 2009 is de bevoegdheid om projectbesluiten te nemen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro, gedelegeerd aan verweerder.

5. De rechtbank volgt eisers 1 niet in hun stelling dat verweerder geen medewerking had mogen verlenen aan het project op de grond dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Immers, het projectbesluit is juist genomen om van het bestemmingsplan te kunnen afwijken. De beslissing om een projectbesluit te nemen berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Verweerder heeft bij de uitoefening van deze bevoegdheid beleidsvrijheid. Dit brengt mee dat de rechtbank deze beslissing terughoudend dient te toetsen.

6. Verweerder heeft ter onderbouwing van het op de projectlocatie voorziene gebruik in de ruimtelijke onderbouwing gewezen op de Structuurvisie Lansingerland, waarin is vermeld dat de gemeente Lansingerland streeft naar ‘zorgzame wijken’. Een zorgzame wijk is volgens de structuurvisie een wijk met een passend aanbod van woningen, voorzieningen, activiteiten en diensten. De bedoeling hiervan is dat iedereen zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen. Het gaat hierbij dus niet alleen om oudere bewoners, zoals eisers 1 stellen. Daarnaast is in de ruimtelijke onderbouwing, onder verwijzing naar de Woonvisie gemeente Lansingerland 2009-2013, vermeld dat de gemeente koopstarters wil behouden ten behoeve van de levendigheid van de wijk en het draagvlak voor voorzieningen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan eisers 1, geen grond voor het oordeel dat verweerder de functiewijziging onvoldoende heeft gemotiveerd.

7. Bij het berekenen van de parkeerbehoefte ten gevolge van het project heeft verweerder aansluiting gezocht bij de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2004 van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Niet in geschil is dat op basis van deze normen de parkeerbehoefte vanwege het project 54 parkeerplaatsen bedraagt. Verweerder heeft dit aantal verrekend met de 7 parkeerplaatsen die, zoals niet in geschil is, benodigd waren voor de voormalige seniorenwoningen. Door dubbelgebruik van de parkeerplaatsen heeft verweerder de parkeerbehoefte verder naar beneden bijgesteld op 44 parkeerplaatsen voor de dagperiode en op 34 voor de avond- en nachtperiode. Voor de starterswoningen zijn in dit verband aanwezigheidspercentages aangenomen van 60% voor de dagperiode en 100% voor de avond- en nachtperiode. Ten aanzien van de zorg- en behandelkamers zijn aanwezigheidspercentages aangenomen van 100% voor de dagperiode en 30% voor de avond- en nachtperiode. In de periode van 7 tot 16 juni 2010 hebben in de omgeving van de projectlocatie vier parkeertellingen plaatsgevonden, op verschillende tijdstippen per dag. Volgens verweerder volgt uit deze tellingen dat op het drukste moment van de dag - tussen 5:45 uur en 6:00 uur - 10 parkeerplaatsen vrij waren en dat gedurende de rest van de dag er meer dan genoeg parkeerplaatsen beschikbaar waren. Op basis van het voorgaande stelt verweerder zich op het standpunt dat met het realiseren van 37 nieuwe parkeerplaatsen in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak bij vervangende nieuwbouw - waarvan hier sprake is - slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - ABRS - van 7 maart 2012,

LJN: BV8044). Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank ziet in dit geval geen reden van deze regel af te wijken, reeds omdat eisers 2 de omvang van de gestelde parkeerproblematiek in de bestaande situatie op geen enkele wijze inzichtelijk hebben gemaakt.

Voorts geldt dat voor het verrekenen van de parkeerbehoefte vanwege een project met de bestaande parkeerbehoefte slechts plaats is, indien duidelijkheid bestaat over de bestaande parkeersituatie en over de vraag, of als gevolg van de realisering van het bouwplan parkeerplaatsen komen te vervallen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS van

21 maart 2012, LJN: BV9515). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de voor het project benodigde 54 parkeerplaatsen kunnen verrekenen met de

7 voor de seniorenwoningen benodigde parkeerplaatsen. Daarbij is van belang dat, zoals verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, ten behoeve van de seniorenwoningen gebruik werd gemaakt van de openbare parkeerplaatsen rond die woningen en dat er als gevolg van het project geen parkeerplaatsen zullen vervallen. Dat de betreffende parkeerplaatsen ook door bewoners van de [straat 1] worden gebruikt, maakt dit niet anders.

De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat verweerder geen correctiefactor heeft mogen toepassen in verband met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat de verschillende functies waarvoor de nieuwbouw zal worden gebruikt, naar hun aard veelal niet op dezelfde momenten parkeerruimte zullen vragen. Daarbij komt dat eisers 1 hun kritiek op de door verweerder gehanteerde aanwezigheidspercentages op geen enkele wijze hebben onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het vaststellen van het aantal nieuw te realiseren parkeerplaatsen ook de voormelde parkeertellingen mogen betrekken. Daarbij is van belang dat de uitkomsten van deze tellingen, evenals een kaartje met daarop weergegeven het gebied waarin is geteld, zijn opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing en tevens dat, zoals verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, bij dit onderzoek een verkeerskundige betrokken is geweest. Voorts wordt in aanmerking genomen dat eisers 1 niet hebben gemotiveerd waarom de uitkomsten van de tellingen niet zouden overeenstemmen met de werkelijke parkeersituatie. De enkele omstandigheid dat het parkeeronderzoek is verricht in de tijd dat de seniorenwoningen er nog stonden, zoals eisers 1 hebben aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat de uitkomst daarvan niet representatief is voor de parkeerdruk in de omgeving van de projectlocatie ten tijde van het nemen van het projectbesluit.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat met het realiseren van 37 nieuwe parkeerplaatsen aan de parkeerbehoefte vanwege het project wordt voldaan.

8. Eisers 1 kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat, naar de rechtbank begrijpt, het project in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens de jurisprudentie mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijk-heid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS van 4 juli 2012, LJN: BX0306). Vast staat dat de Stichting Dorp, Stad & Land (welstandscommissie) in het kader van het vooroverleg zich op 29 juni 2010 kritisch heeft uitgelaten over onder meer de transparantie van de nieuwbouw. Op 6 september 2011 heeft de welstandscommissie evenwel een positief advies over het project uitgebracht. De rechtbank volgt eisers 1 niet in hun stelling dat de eerdere opmerkingen van de welstandscommissie onvoldoende in het vergunde project zijn verwerkt. Immers, in het advies van 6 september 2011 staat vermeld dat de eerder gemaakte opmerkingen in voldoende mate zijn verwerkt. Uit de toelichting ter zitting van 3B Wonen blijkt bovendien dat het vergunde bouwplan ten opzichte van de eerder aan de welstandscommissie voorgelegde versie op een aantal punten is gewijzigd, namelijk voor wat betreft de gevel van de begane grond en de aanvankelijk ter hoogte van de tweede verdieping voorziene balkons aan de [straat 3]. De rechtbank ziet ook anderszins geen grond om aan te nemen dat verweerder het advies van 6 september 2011 niet aan de bouwvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij is van belang dat eisers 1 hun stellingen met betrekking tot de transparantie van de nieuwbouw en de passendheid daarvan in de omgeving, niet aan de hand van de volgens de welstandsnota geldende criteria hebben onderbouwd. Evenmin hebben zij een advies van een deskundige met andere bevindingen overgelegd.

9. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat het project leidt tot een onevenredige toename van schaduwwerking in de woningen en tuinen van eisers 1. Verweerder heeft onderzoek laten verrichten naar de bezonning, op vier verschillende data, in het voorjaar, de zomer, de herfst en de winter, telkens op verschillende tijdstippen. Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat het project in het voorjaar aan het einde van de middag en in de zomer aan het begin van de avond leidt tot extra schaduwwerking in de woningen en tuinen van eisers 1. Eisers 1 hebben deze conclusie niet betwist. De rechtbank acht de toename van de schaduwwerking niet dusdanig groot dat verweerder niet in redelijkheid medewerking aan het project heeft kunnen verlenen. Dat eisers 1 dit anders ervaren, is onvoldoende voor een ander oordeel.

10. Ook in de door alle eisers gestelde inbreuk op de privacy heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien het projectbesluit niet te nemen.

Daarbij is van belang dat, hoewel zich in de gevel langs de [straat 3] ramen bevinden die zicht bieden op de woningen en tuinen van eisers 1, de afstand van dit deel van de nieuwbouw tot de zijgevel van het woningblok aan de [straat 2], waar eisers 1 wonen, minimaal 12,6 meter bedraagt. Voorts is van belang dat de woonkamers en terrassen van de nieuwe woningen zijn georiënteerd op het binnenterrein en de slaapkamers zijn gelegen aan de [straat 3]. Ten aanzien van het gedeelte van de nieuwbouw langs de [straat 1] acht de rechtbank van belang dat de ramen in de naar de woning van eisers 2 gerichte kopgevel van deze vleugel zich met name bevinden in verkeersruimten, waaronder trappenhuizen, die naar hun aard slechts gedurende korte perioden wordt gebruikt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de afstand van deze kopgevel tot de woning van eisers 2 ruim 13 meter bedraagt.

11. Dat de breedte van de op tekening B-01 weergegeven ingang aan de [straat 3] tot een dusdanig verkeersonveilige situatie leidt dat verweerder had moeten afzien van het nemen van het projectbesluit, zoals eisers 1 stellen, kan niet worden aangenomen. Daarbij is van belang dat de inrichting van de buitenruimte op tekening B-01 volgens verweerder slechts indicatief is en wordt vervangen door een definitieve inrichtingstekening, waarbij rekening zal worden gehouden met de verkeersveiligheid. Voorts is van belang dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de nieuwbouw verder naar achteren komt te liggen dan de huidige garagebox.

12. Ten aanzien van de ontsluiting van het projectgebied stelt de rechtbank voorop dat verweerder diende te beslissen over het al dan niet meewerken aan het project, zoals het is aangevraagd. Indien een aangevraagd project op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS 28 september 2011, LJN: BT2817).

Vast staat dat het onderhavige projectgebied wordt ontsloten langs de woning van eisers 2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 2 niet aannemelijk gemaakt dat het realiseren van een ontsluiting op de [straat 3] een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. Daarbij is van belang dat volgens verweerder een ontsluiting op die locatie vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid geen gewenst alternatief is, aangezien, zoals eisers niet hebben weersproken, het zicht daar wordt belemmerd door een KPN-huisje dat niet verwijderd kan worden. Bovendien zou in de door eisers 2 voorgestelde situatie een kruising met de [straat 4] ontstaan en zouden de auto’s die het binnenterrein verlaten, voor de bestaande garageboxen langs moeten rijden, welke omstandigheden volgens verweerder eveneens een verkeersgevaarlijke situatie opleveren. Verweerder heeft in het door eisers 2 voorgestelde alternatief daarom geen aanleiding hoeven zien zijn medewerking aan het project te onthouden. Eisers 2 hebben naar het oordeel van de rechtbank voorts niet aannemelijk gemaakt dat het project een dusdanige toename van verkeersbewegingen langs hun woning tot gevolg heeft dat hun woongenot daardoor in onevenredige mate vermindert.

13. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat als gevolg van het project de woning van eisers 2 dusdanig in waarde zal dalen dat verweerder om die reden medewerking aan het project had moeten weigeren. Daarbij is van belang dat eisers de gestelde waardevermindering op geen enkele wijze hebben onderbouwd. Volgens vaste jurisprudentie wordt in het kader van de beoordeling van een projectbesluit niet toegekomen aan de vraag of aanleiding bestaat een planschadevergoeding toe te kennen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS 1 februari 2012, LJN: BV2454). Indien eisers 2 van mening zijn schade te lijden als gevolg van het projectbesluit, staat het hen vrij om te zijner tijd bij verweerder een gemotiveerd verzoek in te dienen om tegemoetkoming in schade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro.

14. Voor zover eisers 2 met de verwijzing naar de exploitatie- en werkgrens hebben willen betogen dat het project ten onrechte (gedeeltelijk) op hun grond zal worden gerealiseerd, kunnen zij daarin niet worden gevolgd. In dit verband is van belang dat verweerder in het verweerschrift onweersproken en onder verwijzing naar de situering van de nieuwbouw die is weergegeven op bouwtekening B-01, heeft gesteld dat van bouwen op de grond van eisers 2 geen sprake is.

15. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het projectbesluit te verlenen en dat terecht een bouwvergunning is verleend.

16. De beroepen zijn ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en

mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.