Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX5847

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
404695 / KG ZA 12-515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Zekerheidstelling. De toepassing van art. 6:136 BW door de rechtbank vormt geen juridische misslag. In beginsel kan de executant een op tegenspraak gewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zonder beperking ten uitvoer leggen. Het enkele bestaan van een restitutierisico is niet voldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Het kan echter zo zijn dat, gegeven een concreet restitutierisico, een afweging van de belangen van de betrokken partijen tot het oordeel moet leiden dat het voortzetten van de executie zonder zekerheid te stellen misbruik van bevoegdheid zou opleveren. In een dergelijk geval kan de voorzieningenrechter op grond van art. 438 Rv aan de voortzetting van de executie de voorwaarde verbinden dat de executant zekerheid stelt. In dit geval is het restitutierisico voldoende concreet gemaakt. Op basis van een belangenafweging wijst de voorzieningenrechter de vordering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 404695 / KG ZA 12-515

Vonnis in kort geding van 24 juli 2012

in de zaak van

rechtspersoon naar Duits recht

EXPO BÖRSE GMBH,

gevestigd te Ankum, Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. V.J.M. Verlinden- Masson,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STELLA GIOIA B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. R.A.D. Blauw.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 6 juli 2012;

- de producties van Expo Börse GmbH (hierna te noemen: ‘EB’);

- de producties van Stella Gioia;

- de pleitnota van mr. Verlinden-Masson;

- de pleitnota van mr. Blauw.

1.2. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling van 17 juli 2012.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de navolgende – voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde – feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.2. EB heeft in april 2008 een partij tennisrackets en ballen van Joystar B.V. (hierna: ‘Joystar’) gekocht. Deze partij had Joystar op haar beurt gekocht van Haltermann & Schulte (hierna: ‘H&S’).

2.3. H&S heeft haar vordering op Joystar ter zake van de betaling van de partij rackets en ballen gecedeerd aan EB. Het gaat hier om twee cessies die enige tijd na elkaar hebben plaatsgevonden.

2.4. EB heeft zich zowel na de eerste als na de tweede cessie jegens Joystar beroepen op verrekening van de aan haar gecedeerde vordering op Joystar met hetgeen zij uit hoofde van de koopovereenkomst aan Joystar verschuldigd was.

2.5. Joystar heeft zich vervolgens jegens EB beroepen op een eigen bevoegdheid tot verrekening, die verder terugwerkt.

2.6. In een procedure voor de rechtbank Rotterdam heeft Joystar onder meer betaling van de overeengekomen koopprijs van de partij tennisrackets en ballen gevorderd. Bij eindvonnis van 30 mei 2012 heeft de rechtbank Rotterdam EB veroordeeld om aan Joystar te betalen het bedrag van € 151.484,07, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 113.163,94 met ingang van 17 mei 2008 en over € 38.320,13, met ingang van 6 september 2008 tot aan de dag der voldoening. EB is daarbij voorts veroordeeld in de proceskosten van de betreffende procedure.

2.7. In voornoemd vonnis van 30 mei 2012 is met betrekking tot het beroep op verrekening na de eerste cessie (de eerste verrekening) onder meer als volgt overwogen:

‘2.7 Artikel 6:136 moet worden beschouwd als uitwerking van de redelijkheid en billijkheid in een processuele context. De bepaling berust op de gedacht dat onder omstandigheden de eiser die een op zichzelf toewijsbare vordering heeft niet moet worden belast met een procedure waarin uitvoerige bewijsverrichtingen nodig zijn om de gegrondheid van een gepretendeerde tegenvordering te kunnen beoordelen. Die gegrondheid kan vanwege tal van omstandigheden ter discussie staan. Zo kan de tegenvordering zelf ter discussie staan, maar denkbaar is ook dat de vraag aan de orde is of de gedaagde zijn rechten ter zake die tegenvordering heeft verwerkt. Op wie ten aanzien van de in dat verband aangevoerde feiten de stel- en bewijsplicht rusten is voor de toepassing van artikel 6:136 BW op zichzelf niet relevant. Het gaat er om of in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaat de onderhavige procedure niet te belasten met dat debat over de beweerde tegenvordering.

2.8 Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit het volgende. Buiten kijf staat dat op Joystar op zichzelf de bewijslast rust ter zake de door haar gestelde negen overeenkomsten met H&S en haar daaruit voortvloeiende aanspraken. Voor de toepassing van artikel 6:136 BW maakt dit echter geen verschil. Het gaat nog steeds om de vraag of de gegrondheid van het verrekeningsverweer van EB tegen de vordering van Joystar op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Zouden immers de gestelde vorderingen van Joystar op H&S komen vast te staan, dan wordt daarmee (gegeven de al eerder genomen beslissing dat Joystar op zichzelf die eigen verrekeningsbevoegdheid tijdig heeft ingeroepen) aan de verrekening door EB haar werking ontnomen. Van een gegrond verrekeningsverweer van EB is dan dus geen sprake.

2.9 Hier komen de volgende omstandigheden bij. De onderhavige complexe situatie heeft kunnen ontstaan, omdat EB zonder enige in het handelsverkeer als normaal te beschouwen reden heeft meegewerkt aan de cessie van de vordering die H&S op Joystar had. EB heeft immers herhaaldelijk gesteld dat zij louter handelde uit “rechtvaardigheidsgevoel”. Zij ging daartoe over op een moment dat zij weet had van de discussie tussen H&S en Joystar terzake hun over en weer gepretendeerde vorderingen. (…) Terwijl de oorspronkelijke rechtsverhouding tussen Joystar en EB zeer overzichtelijk was (EB moest de koopprijs betalen voor een partij tennisrackets), heeft EB de discussie over de vorderingen van Joystar op H&S dus nodeloos over zich afgeroepen.

2.10 De bovenstaande omstandigheden tezamen beschouwd (…) brengen de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige procedure naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet moet belast moet worden met bewijsperikelen ten aanzien van de gestelde vordering van Joystar op H&S. De rechtbank zal het verrekeningsverweer van EB dan ook met toepassing van artikel 6:136 BW passeren (…).’

2.8. Verder is in het vonnis van 30 mei 2012 met betrekking tot het beroep op verrekening na de tweede cessie (de tweede verrekening) overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat EB een beroep zou kunnen doen op verrekening, omdat EB zich er bij het verlenen van haar medewerking aan de door H&S gewenste tweede cessie onvoldoende van heeft vergewist dat de belangen van haar contractspartner Stella Gioia door die cessie niet geschaad zouden worden.

2.9. Op enig moment is de naam van Joystar B.V. gewijzigd in Stella Gioia B.V.

Hierna zal de betreffende vennootschap, behalve in citaten, steeds als ‘Stella Gioia’ worden aangeduid.

2.10. EB is bij dagvaarding van 28 juni 2012 in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis alsmede van twee eerder gewezen tussenvonnissen.

3. Het geschil

3.1. EB vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut voor zover wettelijk toegelaten, zal bepalen dat:

1. het op 30 mei 2012 tussen partijen gewezen vonnis slechts door Stella Gioia mag worden geëxecuteerd tegen voorafgaande adequate zekerheidstelling door Stella Gioia;

2. adequate zekerheid wordt gevormd door het stellen van een onherroepelijke bankgarantie van een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse of Duitse bank door Stella Gioia ten gunste van EB, met de volgende tekst:

‘De bank verklaart hierbij onherroepelijk, onder afstand van alle rechten en verweermiddelen en meer in het bijzonder het bepaalde in de artikelen 7:852 7:855 BW, zich ten behoeve van Stella Gioia (de gewaarborgde) te stellen tot borg voor Stella Gioia (de hoofdschuldenaar) zulks tot meerdere zekerheid voor de betaling door laatstgenoemde aan de gewaarborgde van het bedrag, tot terugbetaling waarvan de hoofdschuldenaar ingevolge in kracht van gewijsde gegane beslissing van de bevoegde rechter, gewezen tegen de hoofdschuldenaar, of ingevolge minnelijke regeling tegenover de gewaarborgde zal blijken verplicht te zijn, thans door de gewaarborgde begroot op € 285.000,- (het door de gewaarborgde te betalen bedrag ad € 217.852,64 vermeerderd met circa 30% voor toekomstige rente en kosten). De terugbetaling heeft betrekking op een binnen 8 dagen na ontvangst van deze bankgarantie door gewaarborgde aan de hoofdschuldenaar te betalen bedrag ad

€ 217.852,64 ter zake van een veroordeling bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 30 mei 2012.

In geval van faillissement van of surseance van betaling verleend aan de hoofdschuldenaar, of in geval van toepassing van een wettelijke schuldsanering op de hoofdschuldenaar, of ingeval de hoofdschuldenaar in vereffening is of vereffend is, is de gewaarborgde gerechtigd in een procedure tegen de ondergetekende de betalingsverplichting van de hoofdschuldenaar te laten vaststellen in welk geval de ondergetekende aan de gewaarborgde zal betalen hetgeen de hoofdschuldenaar zal blijken verplicht te zijn blijkens vaststelling bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak in die procedure, met inachtneming van het hieronder te noemen maximum bedrag.’,

voor een bedrag gelijk aan het door Stella Gioia ter uitvoering van het vonnis van 30 mei 2012 aan Stella Gioia te betalen bedrag inclusief rente en kosten, te vermeerderen met 30% voor nog te verschijnen c.q. te maken rente en kosten of een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen adequate zekerheid en/of hoogte van de zekerheid,

met veroordeling van Stella Gioia in de kosten van dit geding.

3.2. Het verweer van Stella Gioia strekt tot afwijzing van de vordering van EB.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. EB heeft gesteld dat zij spoedeisend belang bij haar vordering heeft omdat Stella Gioia haar heeft laten weten niet bereid te zijn de tenuitvoerlegging van het vonnis van 30 mei 2012 op te schorten totdat in hoger beroep zal zijn beslist en geen zekerheid te willen stellen. De voorzieningenrechter acht het vereiste spoedeisend belang op die grond aanwezig.

4.2. Stella Gioia heeft opgemerkt dat EB ook een incidentele conclusie, bijvoorbeeld tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, bij het Hof had kunnen instellen. In dat geval zou zij niet, zoals nu, geconfronteerd zijn met een uitgebreide pleitnota met nieuwe punten en meer tijd gehad hebben om haar reactie te formuleren. Stella Gioia acht zich benadeeld doordat deze kwestie nu in kort geding wordt behandeld.

De voorzieningenrechter merkt op dat het de geëxecuteerde die spoedeisend belang heeft bij het verkrijgen van een voorziening als de onderhavige vrij staat de executant ter zake te dagvaarden in kort geding. Aangezien Stella Gioia binnen het kader van dit kort geding voldoende gelegenheid heeft gehad op de stellingen en producties van EB te reageren, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aan de hiervoor bedoelde opmerking van Stella Gioia enige consequentie te verbinden.

4.3. In een executiegeschil, zoals hier aan de orde is, kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis schorsen, of – als minder vergaande beperking van de executie – daaraan de voorwaarde te verbinden dat de executant zekerheid stelt, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4. EB heeft gesteld dat in het vonnis van 30 mei 2012 sprake is van een juridische misslag omdat de rechtbank artikel 6:136 BW op onjuiste wijze heeft toegepast. Volgens haar had de rechtbank niet het eerste verrekeningsverweer van EB, maar juist het beroep op verrekening van Stella Gioia met toepassing van artikel 6:136 BW moeten passeren. Genoemd artikel geeft de rechter niet de bevoegdheid een verweer (hier: het verrekeningsverweer van EB) te passeren op grond van het oordeel dat een tegen dat gegronde verweer gerichte zelfstandig bevrijdend verrekeningsverweer (hier: het verweer van Stella Gioia) niet eenvoudig is vast te stellen, zo heeft EB betoogd.

4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert de toepassing van artikel 6:136 BW op het eerste verrekeningsverweer van EB geen kennelijke juridische misslag op. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer van EB niet vastgesteld kan worden zonder tevens een oordeel te geven over de gegrondheid van het verrekenings¬verweer van Stella Gioia. Van dit laatste verweer heeft de rechtbank vastgesteld dat de gegrondheid ervan niet eenvoudig is vast te stellen. Uit een en ander volgt dat ook de gegrondheid van het beroep van EB op verrekening niet eenvoudig is vast te stellen. Dit betekent dat het betreffende verweer van EB binnen het toepassingsbereik van artikel 6:136 BW valt en dat het de rechtbank vrij stond om te beoordelen of er aanleiding was aan het verrekeningsverweer van EB voorbij te gaan. Niet aangenomen kan worden dat dit standpunt evident onjuist is. De rechtbank heeft haar standpunt en de daarbij gehanteerde uitgangspunten uitvoerig en begrijpelijk gemotiveerd. Mogelijk kan over de beslissing van de rechtbank ter zake en over de daaraan ten grondslag liggende redenering anders worden gedacht, maar dat is niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een kennelijke juridische misslag.

4.6. EB heeft tevens aangevoerd dat sprake is van een juridische misslag omdat de rechtbank ten onrechte het tweede verrekeningsverweer van EB heeft gepasseerd op de grond dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.7. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van EB niet. De rechtbank heeft haar oordeel dat het beroep van EB op de tweede verrekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met name gebaseerd op de (in dit kort geding niet door EB weersproken) omstandigheid dat EB ten tijde van de tweede cessie op de hoogte was van bezwaren van Stella Gioia tegen deze cessie, maar EB zich er desondanks niet van vergewist heeft dat de belangen van Stella Gioia door de cessie niet geschaad zouden worden. Van een juridische misslag waarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, is hier geen sprake. Het feit dat niet rechtens vaststaat dat Stella Gioia door de handelwijze van EB daadwerkelijk is benadeeld doet daaraan niet af. Anders dan EB heeft gesteld, is dat geen noodzakelijke voorwaarde om het beroep van EB op de tweede verrekening jegens Stella Gioia onaanvaardbaar te kunnen achten.

4.8. EB heeft voorts gesteld dat de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis van 30 mei 2012 aan het licht gekomen feiten aan haar zijde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Daarbij gaat het volgens EB om het onaanvaardbare restitutierisico.

Verder kwalificeert het onder de huidige omstandigheden afdwingen van betaling, zonder zekerheidstelling, als misbruik van de bevoegdheid tot executie, zo heeft EB betoogd.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft EB onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat de tenuitvoerlegging van het vonnis aan haar zijde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde executie niet kan worden aanvaard. Ook als er van moet worden uitgegaan dat het door EB gestelde restitutierisico bestaat, is die enkele omstandigheid niet voldoende om te spreken van een noodtoestand als hiervoor bedoeld.

4.10. Het voorgaande laat onverlet dat de voorzieningenrechter, indien sprake is van een voldoende concreet gemaakt restitutierisico, op basis van een belangenafweging moet beoordelen of de vordering van EB voor toewijzing in aanmerking komt.

4.11. Stella Gioia heeft benadrukt dat uitgangspunt moet zijn dat een executant een op tegenspraak gewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zonder beperking ten uitvoer kan leggen. Dit is op zichzelf juist. Het enkele bestaan van een restitutierisico is niet voldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Het kan echter zo zijn dat, gegeven een concreet restitutierisico, een afweging van de belangen van de betrokken partijen tot het oordeel moet leiden dat het voortzetten van de executie zonder zekerheid te stellen misbruik van bevoegdheid zou opleveren. In een dergelijk geval kan de voorzieningen¬rechter op grond van artikel 438 Rv aan de voortzetting van de executie de voorwaarde verbinden dat de executant zekerheid stelt.

4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat EB voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in deze zaak sprake is van een reëel restitutierisico. Daarbij is het volgende van belang.

4.13. EB heeft gesteld dat Stella Gioia in 2010 een reorganisatie heeft uitgevoerd, waarbij zowel haar naam (van Joystar in Stella Gioia), haar doelomschrijving (van (groot)handel in holding) als haar vestigingsplaats (van bedrijfspand naar postbusadres) zijn veranderd. EB heeft een en ander met stukken onderbouwd en daarmee voldoende aannemelijk gemaakt.

EB heeft voorts opgemerkt dat Stella Gioia naar alle waarschijnlijkheid haar activiteiten heeft overgedragen aan haar zustervennootschap Joystar International B.V. Uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt dat laatstgenoemde vennootschap begin 2010 is opgericht en dat haar doelomschrijving nagenoeg gelijk is aan de oude doelomschrijving van Stella Gioia. Stella Gioia heeft ter zake verklaard dat zij slechts een deel van haar activiteiten aan Joystar International heeft overgedragen en dat zij, naast de activiteiten die zij heeft behouden, nieuwe activiteiten aan het ontplooien is. Volgens Stella Gioia berust de nieuwe doelomschrijving ‘holding’ op een vergissing en zal deze worden gewijzigd.

EB heeft verder naar voren gebracht, en voldoende met stukken onderbouwd, dat Stella Gioia door een Duits gerecht is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim € 77.000,- aan het inmiddels gefailleerde H&S en dat de curator van H&S er tot op heden niet in is geslaagd dit bedrag te incasseren.

Bovendien heeft EB er op gewezen dat de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarstukken van Stella Gioia grote vraagtekens doen rijzen, omdat de jaarcijfers 2009 als vermeld in de jaarstukken 2009 in belangrijke mate afwijken van de jaarcijfers 2009 die weergegeven zijn in de jaarstukken 2010. EB heeft de betreffende jaarstukken overgelegd en daaruit blijkt de juistheid van haar stelling. Stella Gioia heeft voor de door EB benoemde verschillen geen duidelijke verklaring gegeven.

4.14. Ook als Stella Gioia, zoals zij gemotiveerd heeft betoogd, haar activiteiten niet (geheel) gestaakt heeft, biedt het bovenstaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende grond om aan te nemen dat er sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. Bij de beoordeling van de vordering van EB komt het dus aan op een belangenafweging. Bij die belangenafweging is het feit dat het restitutierisico als aanzienlijk wordt beoordeeld een zwaarwegende factor.

4.15. Het belang van EB is er in gelegen dat zij de definitieve uitkomst van de lopende procedure kan afwachten zonder het bedrag dat zij op grond van het vonnis van 30 mei 2012 aan Stella Gioia moet betalen te voldoen, zodat het hiervoor bedoelde restitutierisico wordt vermeden.

Daarbij is mede van belang dat EB onbetwist heeft gesteld dat zij voor de gecedeerde vordering het nominale bedrag (een bedrag gelijk aan de tussen EB en Stella Gioia overeen¬gekomen koopprijs voor de partij tennisrackets en ballen) aan H&S heeft betaald. Dit betekent dat als het verrekeningsverweer van Stella Gioia uiteindelijk niet slaagt en de executie thans zonder zekerheidstelling zou worden voortgezet, EB twee maal een bedrag ter grootte van de koopprijs aan Stella Gioia zal hebben voldaan. Eenmaal door de gedane verrekening met de aan EB gecedeerde vordering en daarna nogmaals op basis van het vonnis van 30 mei 2012. Het is de vraag of EB het teveel betaalde alsdan met succes van Stella Gioia zal kunnen terugvorderen.

4.16. Stella Gioia heeft gesteld dat zij belang heeft bij de spoedige betaling van het verschuldigde bedrag omdat dit essentieel is voor haar bedrijfsvoering.

4.17. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van EB bij toewijzing van de vordering aanzienlijk zwaarder dan het belang van Stella Gioia bij de afwijzing ervan. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de verkoop van de partij tennisrackets en ballen aan Stella Gioia, waarop de te executeren vordering betrekking heeft, dateert van april 2008, zodat moet worden geconcludeerd dat Stella Gioia er al meer dan vier jaar lang in slaagt haar bedrijf te voeren zonder over het betreffende bedrag te kunnen beschikken. Gelet daarop valt zonder nadere onderbouwing of toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat het betreffende bedrag essentieel is voor de bedrijfsvoering van Stella Gioia.

Op grond van de onevenredigheid tussen het belang van Stella Gioia bij de onbeperkte executie van het vonnis van 30 mei 2012 en het belang van EB dat daardoor zou worden geschaad, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vordering van EB moet worden toegewezen.

4.18. Anders dan gevorderd zal de door EB gewenste tekst die in punt 3.1 schuingedrukt is weergegeven, niet in het dictum worden opgenomen, omdat de voorzieningenrechter daarbij onnodige executieproblemen voorziet als de aangezochte bank zich op ondergeschikte onderdelen niet aan de precieze tekst zou willen conformeren. Het ligt echter wel in de rede dat in de bankgarantie een passage wordt opgenomen van dezelfde strekking als door EB gewenste tekst.

4.19. Stella Gioia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van EB worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- griffierecht 575,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.481,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat het op 30 mei 2012 tussen partijen gewezen vonnis slechts mag worden geëxecuteerd tegen voorafgaande adequate zekerheidstelling,

5.2. bepaalt dat adequate zekerheid wordt gevormd door het stellen van een onherroepelijke bankgarantie van een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse of Duitse bank door Stella Gioia ten gunste van EB, voor een bedrag gelijk aan het door Stella Gioia ter uitvoering van het vonnis van 30 mei 2012 aan Stella Gioia te betalen bedrag inclusief rente en kosten, te vermeerderen met 30% voor nog te verschijnen rente dan wel te maken kosten,

5.3. veroordeelt Stella Gioia in de proceskosten, aan de zijde van EB tot op heden begroot op € 1.481,64,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2012 in tegenwoordigheid van mr. H.J. Wieman-Bart, griffier.

2171/676