Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX5435

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
10/750068-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leiding geven aan een organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs in Nederland, als bijlading van reguliere transporten. Ook in een zeecontainer te Antwerpen verborgen heroïne geldt als ingevoerd in Nederland, nu de haven van Antwerpen voor een zeeschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde. De belastende verklaringen van de echtgenote van de verdachte zijn bruikbaar voor het bewijs, nu de artikelen 217 en 290 Sv zich niet richten tot politieverhoren en zij niet als getuige maar als verdachte is gehoord en daarbij telkens op haar recht om te zwijgen is gewezen. Mede veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwapens, munitie en een geluiddemper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750068-09

Datum uitspraak: 31 juli 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. E.P. Vroegh, advocaat te Haarlem.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 en 28 juni 2012 en op 2, 3, 4 en 5 juli 2012. Het onderzoek op de terechtzitting is gesloten op 23 juli 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ter zitting toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. Groen en De Boer hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest;

- onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen vuurwapens, geluiddemper en munitie.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is bepleit dat de dagvaarding partieel nietig is voor zover in de tenlastelegging voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet zijn omschreven als: “contacten onderhouden met zijn mededaders” en/of “telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft”, nu deze omschrijvingen onvoldoende concreet zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, onder meer teneinde de verdachte te informeren voor welk voorval hij terecht moet staan. Als de tenlastelegging hieraan niet voldoet, kan zij niet fungeren als grondslag van de terechtzitting en moet de dagvaarding (in zoverre) nietig worden verklaard. In de onderhavige dagvaarding wordt per ten laste gelegd feit verwezen naar een daarop betrekking hebbend goed geordend zaaksdossier met daarin de door het Openbaar Ministerie bedoelde drugsgerelateerde telefoongesprekken, sms-berichten, internetberichten, met een technisch hulpmiddel opgenomen vertrouwelijke communicatie en observaties. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, bezien in samenhang met het betreffende zaaksdossier, duidelijk aangeeft waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen en dat de dagvaarding aldus voldoet aan de in artikel 261 Sv vermelde eisen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 4

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Tegenover de verklaringen van verdachten en diverse getuigen dat de in dit zaaksdossier gerelateerde gesprekken en ontmoetingen een voorgenomen handel in boten betreffen, staat uitsluitend de verklaring van de verdachte [verdachte 2] dat het hier voorbereidingen van import van verdovende middelen betreft. Hoewel niet ongeloofwaardig, ontbeert die verklaring steun in het dossier zodat met name wettig bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt en de verdachte daarvan derhalve wordt vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op 13 april 2011 te Rotterdam en/of te Vlaardingen en/of elders in Nederland en Antwerpen (België),

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht ongeveer 65 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij

in de periode van 1 september 2010 tot en met 15 april 2011 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Vijfhuizen

(Gemeente Haarlemmermeer) en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of

elders in Nederland en Londen

(Groot-Brittannië) en Islamabad (Pakistan) ,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van 65 kilogram

heroïne in een container [met nummer [nummer]], zijnde een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en

te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot

het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders

-reizen gemaakt naar en ontmoetingen gehad in Londen (Groot-Brittannië) en Islamabad (Pakistan)

en Nederland en

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen eneen

hoeveelheid verdovende middelen enen-een bestelling van 1.350 tassen gedaan op naam van

[naam bedrijf], ten behoeve van de deklading van de zending verdovende

middelen en

-(totaal) EUR 118.450 betaald als

aanbetaling voor een zending verdovende middelen en

-(totaal) EUR 118.450 voorhanden gehad (bestemd

voor een aanbetaling voor een zending verdovende middelen) en

-een bill of lading in ontvangst genomen en

-contacten onderhouden met zijn mededaders;

3.

hij

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 5 december 2009 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot

het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- een voorwerp voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat het bestemd was tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders

-informatie (op internet) gezocht over vaarroutes en/of aankomstdata en/of

vertrekdata van de Ever Diadem en/of Ever Diamond en/of Ever Delight en/of

andere schepen van Evergreen Shipping vanuit Colon (Panama) naar [containeroverslagbedrijf]

Rotterdam (Nederland) en

-informatie ingewonnen over dienstroosters van [verdachte 4] en/of ploeg [naam ploeg] van

[containeroverslagbedrijf] en

-dienstroosters van [verdachte 4] en/of ploeg [naam ploeg] van [containeroverslagbedrijf]

voorhanden gehad en

-een laptop in de woning aan de [adres] te Vlaardingen aanwezig

gehad en gebruikt ten behoeve van internetgebruik voor het vergaren van

informatie bestemd voor de invoer per schip van verdovende middelen en

-contacten onderhouden met zijn mededaders;

5.

hij

in de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 november 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne (Gemeente

Westvoorne) en/of elders in Nederland en Suriname ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of anderen middelen en inlichtingen tot

het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders

- een geldbedrag meegegeven aan een persoon

aangeduid als 'de kleine Indiaan en/of de kleine Spaans sprekende man' ten

behoeve van een vliegreis naar Colombia en-contacten onderhouden en ontmoetingen gehad met zijn mededaders;

6.

hij

in de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 augustus 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne

(Gemeente Westvoorne) en/of elders in Nederland en Dubai (Verenigde

Arabische Emiraten) en Johannesburg (Zuid

Afrika) en India,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, zijnde telkens een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen inlichtingen tot

het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders

-reizen geboekt enreizen gemaakt naar en/of

ontmoetingen gehad in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en Johannesburg

(Zuid Afrika) en India en Nederland en-afspraken gemaakt over het opzetten van een of meer bedrijven in

Nederland ten behoeve van de aanschaf en/of de import van deklading en

-informatie ingewonnen over

vaarroutes en-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en

-contacten onderhouden met zijn mededaders;

7.

hij

in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 augustus 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of

Vlissingen en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen inlichtingen tot

het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders

-afspraken gemaakt over de import van fruit en/of sapconcentraat (uit Zuid

Amerika) als deklading(en) van een zending verdovende middelen en

-informatie ingewonnen (bij onder andere de firma [naam firma]) over

vaarroutes en/of vrachttarieven en/of opslagmogelijkheden en

-een chauffeur (naam 1) benaderd voor het vervoeren van een zending

verdovende middelen en

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en

-contacten onderhouden met zijn mededaders;

8.

hij

in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011 te

Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of

Maassluis en/of elders in Nederland ,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke, naast verdachte, bestond uit

een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke personen, te weten

[verdachte 2] en [verdachte 3] en [verdachte 4]

eneen of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

-het (meermalen) binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren en aanwezig hebben van

een of meer (grote) (handels)hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde

cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I en

-het (meermalen) plegen van strafbare voorbereidings- en/of

bevorderingshandelingen ten behoeve van het binnen het grondgebied van

Nederland brengen en

vervoeren van een of meer (grote) (handels)hoeveelheden cocaïne en/of

heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, middelen als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, zulks terwijl hij, verdachte, leider van voormelde organisatie was;

9.

hij op 15 april 2011 te Maassluis,

meermalen,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II onder 2° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van

een pistool van het merk Glock, type 19c kaliber: 9x19mm,

en

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van

een pistool van het merk Sphinx, model AT3000, kaliber: 9x19mm,

en

- munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als

bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 58 (20+38) kogelpatronen, kaliber 9x19mm,

en

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 3° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een geluiddemper in de zin van artikel 2, lid 1 onder f van de Regeling wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

De bewijsmiddelen dienen, naast het feit waarop zij betrekking hebben, tevens in onderling verband en samenhang te worden bezien met die betrekking hebbend op de andere feiten.

Inzake dossier Pakistan (feit 1)

Blijkens de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - was het opzet van de verdachte en zijn mededaders gericht op de import van een hoeveelheid heroïne in Nederland. De betreffende partij heroïne is daartoe verborgen in een container en - ook blijkens de bill of lading - per zeeschip verzonden met als eindbestemming Rotterdam. In feite is de betreffende container - mogelijk abusievelijk - (eerst) naar Antwerpen vervoerd. In Antwerpen is de heroïne uit die container in beslaggenomen. De rechtbank neemt als feit van algemene bekendheid in aanmerking dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde. De rechtbank is van oordeel dat aldus het beoogde delict als voltooid kan worden aangemerkt bij het overschrijden van de grens met Nederland. Hieraan doet niet af dat de eindbestemming Rotterdam niet is gehaald. Evenmin is relevant of de heroïne zich bij die grensoverschrijding daadwerkelijk binnen de beschikkingsmacht van de verdachte(n) bevond.

Inzake dossier Colon (feit 3)

De rechtbank acht, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat het hier voorbereidingshandelingen betreft voor een transport van cocaïne. Het - blijkens een I-tap op de computer van [verdachte 3] getraceerde - schip Ever Diadeem kwam vanaf de Colon container terminal te Panama en is in New York overgeladen op de Hanjin Chittagong. In de nacht van 3 op 4 december 2009 was het schip gelost bij de [containeroverslagbedrijf] te Rotterdam. Met name het telefoongesprek tussen [verdachte 4] en [verdachte 9] op 9 november 2009 waarin [verdachte 9] door [verdachte 4] wordt geïnformeerd over diensten op 3 en 4 december, de I-taps van 9 oktober 2009 waarin wordt gezocht naar vaarschema’s van zeeschepen van de Colon container terminal te Panama naar Rotterdam, de gesprekken tussen [verdachte 4] en zijn vrouw [naam 4] op 30 november 2009 en 1 december 2009 over ‘dat dat van de week niet door gaat’ en dat zij uit gingen van ‘een klapje erbij’, de sms-berichten van [verdachte 3] aan [verdachte 8] over het ’s nachts zoeken naar nootjes welke natgeregend zijn en het tussen beiden gevoerd telefoongesprek van 4 december 2009 waarin [verdachte 3] zegt dat het spannend was en dat hij met zijn ruggeband om alles vanuit zijn knieën heeft getild, en de in de woningen van [verdachte 3] en [verdachte 1] aangetroffen notities ondersteunen de verklaring van [verdachte 9] dat aan de hand van het rooster van 3 en 4 december 2009 van de [naam ploeg] ploeg van de [containeroverslagbedrijf], bij [verdachte 3] thuis op de computer gekeken werd naar boten die (met drugs) ‘deze kant’ op zouden komen en dat [verdachte 3] (mee) zou gaan als er drugs uit de container gehaald moest worden.

De rechtbank overweegt voorts voor de bewezenverklaring van het element “cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I”, dat [verdachte 8] verklaart dat [verdachte 3] hem heeft verteld dat het hier een transport van cocaïne betrof en voorts dat als feit van algemene bekendheid heeft te gelden dat van Zuid-Amerika (Panama) afkomstige drugstransporten cocaïne betreffen.

Inzake dossier Groen licht (feit 5)

De rechtbank acht, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat het in dit zaaksdossier voorbereidingshandelingen betreft voor invoer van cocaïne. Dit blijkt uit diverse in dit verband gevoerde tapgesprekken en door de politie uitgevoerde observaties. In de laatste week van juli 2010 zoeken [verdachte 1] en [verdachte 3] contact met [verdachte 4], werkzaam bij de [containeroverslagbedrijf] te Rotterdam, en stellen hem de vraag of hij bereid is het nog een keer te doen en dat ze van hem uitsluitsel nodig hebben of ze een “pakket aardappelen” kunnen zetten. Normaal kreeg [verdachte 4] 500, nu het dubbele. Zodra [verdachte 4] zich inderdaad bereid verklaart, zegt [verdachte] tegen [verdachte 2] dat ze groen licht hebben. Op verschillende momenten in de maand juli 2010 zijn er gesprekken en ontmoetingen tussen de verdachte, [verdachte 2], [verdachte 11] en een NN-man (de Indiaan). [Verdachte 2] verklaart bij de politie dat deze gesprekken en ontmoetingen betrekking hadden op de levering van cocaïne (witte suiker) uit Zuid-Amerika. [Verdachte 2] verklaart dat bij de tweede ontmoeting tussen hemzelf, de verdachte en [verdachte 11] een kleine jong uitziende, Spaans sprekende man (de Indiaan) aanwezig was. Deze man werkte voor mensen in Colombia. Deze man is op enig moment naar Zuid-Amerika gevlogen om het een en ander te regelen. Er werd tevens gesproken over een proefzending van 20 à 25 kilo. Deze door [verdachte 2] geschetste gang van zaken vindt steun in de tapgesprekken. Op verschillende momenten heeft [verdachte 11] contact met een NN-man die het telefoon nummer [nummer] (kerngetal Suriname) gebruikt. Uit de gesprekken met deze NN-man leidt de rechtbank af dat [verdachte 11] regelde dat de Indiaan door de NN-man zou worden opgehaald in Suriname. Tevens begrijpt de rechtbank dat er gesproken werd over verdovende middelen met deze NN-man. Immers, aan de NN-man werd gevraagd of hij plaats had om iets te zetten en hem werd gezegd dat de NN-man er voor moest zorgen dat het kon oversteken. Voorts zegt [verdachte 11] tegen de NN-man dat het systeem van de Indiaan nog nooit is gepakt of ontdekt. De rechtbank begrijpt uit de gesprekken dat de Indiaan op enig moment geen contact meer opneemt met [verdachte 11]. [Verdachte 11] en [verdachte 2] spreken hierover met elkaar. Uit een gesprek op 3 september 2010 met de NN-man blijkt dat [verdachte 11] zich zorgen maakt over de stilte rond de Indiaan. Immers, hij zegt tegen de NN-man dat hij de hele week al vraagt om naar de Indiaan te kijken en dat hij niet snapt dat hij dat niet doet omdat er geld te verdienen valt. Voorts zegt hij dat de mannen hier beginnen te zeuren en de mannen hier wachten omdat ze alles klaar hebben. Op 11 september 2010 vindt er een tapgesprek plaats tussen [verdachte 11] en de Indiaan. Uit dit gesprek blijkt dat de Indiaan bezig is met twee dingen. De oude man hoeft zich geen zorgen te maken. [Verdachte 11] zegt dat de oude man alleen wil weten of het nog doorgaat. Ze doen het ding van de oude man na het oude jaar. Uit verschillende gesprekken begrijpt de rechtbank dat met “de oude man” de verdachte wordt bedoeld.

[Verdachte 2] zegt in zijn verklaring bij de politie dat [verdachte 11] de Spaans sprekende man niet meer kon bereiken. Uiteindelijk is het transport niet doorgegaan.

Inzake dossier Criminele organisatie (feit 8)

Gelet op de inhoud van de in de in de bewijsmiddelen opgenomen telefoongesprekken, sms-berichten, opgenomen vertrouwelijke communicatie, digitale berichten en verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie met als doelstelling het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en heroïne. De werkwijze was dat de verdovende middelen als bijlading van een regulier transport naar Nederland werden vervoerd. Als dit een containertransport betrof, moest deze worden gelost bij de [containeroverslagbedrijf] Delta Terminal op de Maasvlakte te Rotterdam en zorgden contacten binnen de [containeroverslagbedrijf] voor het uit de container halen van de verdovende middelen. Tevens werden andere vormen van transport voorbereid, zoals in vaten met sap of in auto’s.

De organisatie bestond minimaal uit de hierna te noemen leden die elk een eigen rol vervulden en daarmee elk een aandeel hadden in dan wel ondersteuning boden aan gedragingen die strekten of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het samenwerkingsverband tussen hen vertoonde in de bewezen verklaarde periode aldus een zekere structuur en duurzaamheid. De verdachte kan als leider worden aangemerkt. Bij de voorbereiding van diverse transporten van verdovende middelen is hij door anderen, binnen en buiten de organisatie als baas aangeduid, belegde hij bijeenkomsten, stuurde hij anderen aan, verzorgde hij de contacten met de leverancier dan wel afnemer van verdovende middelen en ging hij op cruciale momenten zelfs mee naar het buitenland. [Verdachte 2] kan - ook naar eigen zeggen - het best worden omschreven als de logistiek manager. Hij regelde het transport van de verdovende middelen en de deklading en groeide uit tot de rechterhand van de verdachte. Uiteindelijk investeerde hij ook zelf in een transport heroïne (zaaksdossier Pakistan). [Verdachte 3] was binnen de organisatie in de eerste plaats het contact met de [containeroverslagbedrijf] voor het uithalen van de verdovende middelen, daarnaast stelde hij, op verzoek van de verdachte, zijn woning ter beschikking voor bijeenkomsten van de organisatie, waar gebruik werd gemaakt van een laptop voor het zoeken naar schepen op de voorgenomen route en het onderhouden van contacten met ketenpartners. [Verdachte 4] had als werknemer binnen de [containeroverslagbedrijf] toegang tot het terrein en beschikte - al dan niet met hulp van collega’s - over cruciale informatie om de container met verdovende middelen te lokaliseren en de verdovende middelen daaruit te verwijderen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN NAAR AANLEIDING VAN VERWEREN

Verklaringen [verdachte 2]

Door de verdediging is betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [verdachte 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen gebruiken. De verdediging stelt daartoe dat deze verklaringen op pure fantasie en eigen interpretatie berusten nu inzake Colon aan [verdachte 4] een rol wordt toegekend bij de invoer van cocaïne, terwijl [naam 5] en [naam 6] - beiden werkzaam bij de [containeroverslagbedrijf] - verklaren dat [verdachte 4] geen toegang had tot de (bediening van) de camera’s en evenmin invloed had op de plaatsing van de containers.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank acht de verklaring van [verdachte 2] zoals deze door hem in een vroeg stadium, zonder veel kennis van het dossier, is afgelegd tegenover de politie en door hem bevestigd bij de rechter-commissaris, betrouwbaar. Daar waar hij anderen belast, heeft hij ook zichzelf zwaar belast. Zijn verklaring sluit naadloos aan bij de inhoud van opgenomen telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie en de overige bewijsmiddelen tot en met het aantreffen van heroïne in de zaak Pakistan. Van inconsistentie of onjuistheden is niet gebleken. Als zodanig kan niet gelden dat [verdachte 4] in zijn functie bij de [containeroverslagbedrijf] mogelijk niet bevoegd was camera’s te bedienen en geen invloed had op de plaatsing van containers, nu [verdachte 2] daaromtrent niet verklaart. Evenmin wijst de verklaring van [naam 1] op onjuistheden, nu hij inderdaad door een medeverdachte is benaderd voor het geplande vervoer van sappen en in dit verband niet relevant is in hoeverre aan [naam 1] daadwerkelijk is verteld dat het in feite ook een transport verdovende middelen betrof. Ook [naam 7], werkzaam bij [naam firma], bevestigt dat er contact was met [verdachte 2]. Dat toen niet over een transport van verdovende middelen is gesproken, klopt met wat [verdachte 2] over dat gesprek verklaart.

Verklaringen [verdachte 3]

Door de verdediging is betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [verdachte 3] onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen gebruiken. Subsidiair verzoekt de verdediging om een betrouwbaarheidsonderzoek ex artikel 330 Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdediging voert daartoe aan dat [verdachte 3] kwetsbaar is, dat mogelijk sprake is van een valse verklaring/bekentenis door middel van subjectieve pressie door verbalisanten, dat het zich laat aanzien dat [verdachte 3] met zijn geestelijke en lichamelijke beperkingen en geheugenverlies gestuurd is in zijn verklaringen en verklaringsbereidheid en dat de verdediging dan ook van mening is dat zijn vele telefoon- en vertrouwelijk opgenomen thuisgesprekken berusten op grootspraak en dat hij tijdens zijn verhoren heeft getracht om de verhoorders zoveel mogelijk te ‘pleasen’.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

[verdachte 3] heeft in de vele door hem afgelegde verklaringen het hem ten laste gelegde steeds ontkend dan wel zich op zijn zwijgrecht beroepen. Evenmin heeft hij anderen belast. Dit hield hij vol ondanks het feit dat hij met zeer veel - hem en anderen - belastende gesprekken is geconfronteerd. Niet eerder dan in zijn verklaring van 6 mei 2011 heeft hij - na een onderbreking van het verhoor voor overleg met zijn advocaat - ter zake “Pakistan” erkend dat “zij” een keer aan hem gevraagd hebben of hij één zetje mee wilde doen en dat hij toen ja heeft gezegd. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bekentenis en nog minder dat deze door subjectieve pressie door verbalisanten tot stand zou zijn gekomen. De rechtbank kan de verdediging voorts niet volgen in de conclusie dat om die reden tevens de vele opgenomen telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie onbetrouwbaar zouden zijn.

Voor zover de verdediging uit anderen hoofde de geloofwaardigheid van die gesprekken betwist, overweegt de rechtbank dat [verdachte 3] zich in de hier bedoelde gesprekken in zijn enthousiasme mogelijk met name wat heeft laten meeslepen waar hij anderen voorrekent wat hij in de (verdere) toekomst aan de handel in verdovende middelen zou kunnen gaan verdienen. Dit doet echter niet af aan de geloofwaardigheid van die gesprekken voor zover hij spreekt over datgene waarmee hij en anderen mee bezig zijn, te weten met diverse transportlijnen voor import van verdovende middelen. Dit geldt temeer daar waar hij die gesprekken voert met mededaders, zij hem daarin niet tegenspreken en hun deelname aan die gesprekken voor hen en anderen evenzeer belastend bewijs oplevert. Evenmin kan worden vastgesteld dat de door hem in een opgenomen gesprek aan [verdachte 4] toegekende rol bij de invoer van cocaïne, onjuist is omdat [naam 5] en [naam 6] - beiden werkzaam bij de [containeroverslagbedrijf] - verklaren dat [verdachte 4] in zijn huidige functie geen toegang had tot de (bediening van) de camera’s en evenmin invloed had op de plaatsing van de containers. Dat [verdachte 4] toegang had tot het hele terrein van de [containeroverslagbedrijf] is niet betwist. Dat hij zelf niet bevoegd was camera’s te bedienen sluit niet uit dat hij dit - hij heeft meerdere functies vervuld binnen de [containeroverslagbedrijf] - wel kon verzorgen. De leidinggevende van [verdachte 4] bevestigt dat binnen zijn afdeling bekend is waar een container staat of komt te staan. Dit stemt overeen met wat [verdachte 3] daarover zegt. Dat [verdachte 4] zelf niet bevoegd was die informatie op te vragen brengt niet, althans niet automatisch mee, dat het gesprek van [verdachte 3] op onwaarheid berust.

Bij gebrek aan termen wijst de rechtbank het verzoek tot het instellen van een betrouwbaarheidsonderzoek af.

Verklaringen [verdachte 5]

Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen door [verdachte 5], de echtgenote van de verdachte, van bewijs dienen te worden uitgesloten nu zij bij die verhoren niet, althans niet telkens, tevoren is gewezen op haar recht als verdachtes echtgenote om zich van het geven van een getuigenis of het beantwoorden van bepaalde vragen te verschonen. Nu expliciete vragen zijn gesteld over de verdachte, ook in zaken waarin zij geen verdachte was, is doelbewust of met grove veronachtzaming inbreuk gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde en zijn de belangen van verdachte geschaad.

Dit verweer snijdt naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen hout nu de artikelen 217 en 290 Sv zich a. niet richten tot politieverhoren, b. [verdachte 5] niet als getuige maar als verdachte is gehoord en daarbij telkens tevoren op het - verstrekkender - recht om te zwijgen is gewezen en c. de verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie rechtvaardigt dat bij het politieverhoor andere zaaksdossiers dan dossier Pakistan aan de orde zijn gekomen.

Van een doelbewust of met grove veronachtzaming gemaakte inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde is geen sprake, zodat het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

Door de verdediging is ontslag van rechtsvervolging bepleit ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde invoer van verdovende middelen in België, nu gelet op artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht bij de vraag naar de strafbaarheid van een feit de tekst van de wet een leidende rol speelt. De tekst van de wet, die letterlijk spreekt over het binnen het grondgebied van Nederland brengen, is zodanig helder dat deze geen ruimte biedt voor interpretatie. De wetsgeschiedenis, de internationale regelgeving noch de jurisprudentie bieden aanknopingspunten die tot een ander oordeel dwingen.

De rechtbank deelt het standpunt van de verdediging dat de ten laste gelegde invoer van verdovende middelen in België niet strafbaar is. Tot ontslag van rechtsvervolging leidt dit hier niet nu - anders dan in de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie - hier tevens de invoer van verdovende middelen in Nederland is ten laste gelegd en bewezen verklaard en dit oplevert het hierna te melden strafbare feit.

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

3.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

5.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

6.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander inlichtingen te verschaffen en

voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

7.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander inlichtingen te verschaffen en

voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

8.

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet;

9.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als leider deel uitgemaakt van een organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs in Nederland. In die positie is de verdachte betrokken geweest bij de invoer van 65 kilogram heroïne vanuit Pakistan, alsmede bij voorbereidingshandelingen die zagen op nog vier drugstransporten. De verdachte had een organiserende en initiërende rol, waarin hij bepaalde wat er gebeurde en degene was aan wie medeverdachten verantwoording aflegden. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich actief bezig gehouden met de internationale handel in verdovende middelen. Verdovende middelen en de handel hierin vormen een bedreiging voor de samenleving, in die zin dat zij de volksgezondheid bedreigen en de met de verdere verspreiding van die verdovende middelen gepaard gaande criminaliteit bevorderen.

Voorts zijn bij een doorzoeking van de woning van de ouders van de verdachte twee vuurwapens, munitie en een geluiddemper, alle eigendom van de verdachte en door hem aldaar verborgen, aangetroffen. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient dan ook krachtig te worden opgetreden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 juni 2012 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Namens BoumanGGZ is op 1 juni 2012 een reclasseringsadvies betreffende de verdachte uitgebracht. Van dit advies is kennisgenomen.

Aan de verdachte zal een gevangenisstraf worden opgelegd van kortere duur dan door de officier van justitie geëist, nu deze eis zich niet verhoudt met het thans bewezen verklaarde, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat de vele van elkaar te onderscheiden voorbereidings¬handelingen in tijd samenvielen en doorgaans tot niets hebben geleid.

Alles afwegend, wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

De rechtbank acht mede op grond van het voorgaande geen termen aanwezig voor opheffing van de voorlopige hechtenis als door de raadsvrouwe is verzocht, de gronden waarop deze berust zijn nog onverkort aanwezig.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vermelde vuurwapens, geluiddemper en munitie te onttrekken aan het verkeer.

De na te noemen in beslag genomen vuurwapens, geluiddemper en munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10, 10a en 11a van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 1.00 STK Revolver

GLOCK 19C

9x19mm

2 1.00 STK vuurwapen

SPHINX AT3000

9x19mm

3 1.00 STK Geluidsdemper

4 58.00 STK Munitie

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Russell-van der Hoeven, voorzitter,

en mrs. Feraaune en Van Baaren, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk en mr. Snoeren, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2012.

De jongste rechter en griffier Meulendijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 31 juli 2012.

TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

dossier “Pakistan”

hij

op of omstreeks 13 april 2011 te Rotterdam en/of te Vlaardingen en/of (elders)

in Nederland en/of Antwerpen (België),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht (al

dan niet als bedoeld in art. 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 65 kilogram, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(art. 2/A & 1 lid 4 Opiumwet jo. art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

2.

dossier “Pakistan”

hij

in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 15 april 2011 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Vijfhuizen

(Gemeente Haarlemmermeer) en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of

(elders) in Nederland en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Londen

(Groot-Brittannië) en/of Islamabad (Pakistan) en/of Curaçao,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 65 kilogram

heroïne en/of cocaïne (in een container [met nummer [nummer]], in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of

te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-(een) reis/reizen gemaakt naar en/of ontmoetingen gehad in Dubai (Verenigde

Arabische Emiraten) en/of Londen (Groot-Brittannië) en/of Islamabad (Pakistan)

en/of Nederland en/of

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of de frequentie van zending(en) van

verdovende middelen en/of

-een bestelling van 1.350, althans een hoeveelheid, tassen gedaan op naam van

[naam bedrijf], ten behoeve de deklading van de zending verdovende

middelen en/of

-(totaal) EUR 118.450, althans (een) geldbedrag(en) betaald als (een)

aanbetaling(en) voor (een) zending(en) verdovende middelen en/of

-(totaal) EUR 118.450, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad (bestemd

voor (een) (aan)betaling(en) voor een zending(en) verdovende middelen) en/of

-een bill of lading in ontvangst genomen en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

3.

(Zaaksdossier Colon)

hij

in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 5 december 2009 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-informatie (op internet) gezocht over vaarroutes en/of aankomstdata en/of

vertrekdata van de Ever Diadem en/of Ever Diamond en/of Ever Delight en/of

andere schepen van Evergreen Shipping vanuit Colon (Panama) naar ([containeroverslagbedrijf])

Rotterdam (Nederland) en/of

-informatie ingewonnen over dienstroosters van [verdachte 4] en/of ploeg [naam ploeg] van

[containeroverslagbedrijf] en/of

-dienstroosters van [verdachte 4] en/of ploeg [naam ploeg] van [containeroverslagbedrijf]

voorhanden gehad en/of

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en/of

-een laptop in de woning aan de [adres] te Vlaardingen aanwezig

gehad en/of gebruikt ten behoeve van internetgebruik voor het vergaren van

informatie bestemd voor de invoer per schip van verdovende middelen en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

4.

(Zaaksdossier Waterkant)

hij

in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 november 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Oostvoorne

(Gemeente Westvoorne) en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of Panama

City en/of Colon (Panama) en/of Mexico,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-afspraken gemaakt over prijzen van cocaïne en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de frequentie van zending(en) van

cocaïne en/of

-ontmoeting(en) gehad in Maassluis (aan de waterkant) en/of

-een reis/reizen geboekt en/of (een) reis/reizen gemaakt naar en/of (een)

ontmoetingen(en) gehad in Panama City en/of Colon (Panama) en/of

-(aldaar) in Panama afspraken gemaakt over (een) (proef)zending(en) cocaïne en/of

-informatie ingewonnen/uitgewisseld over vaarroutes en/of vrachttarieven en/of

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

5.

(Zaaksdossier Groen licht)

hij

in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 november 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne (Gemeente

Westvoorne) en/of (elders) in Nederland en/of Suriname en/of Panama en/of

Venezuela en/of Colombia,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of de frequentie van zending(en) van

verdovende middelen en/of

- een (groot) geldbedrag meegegeven aan een geldkoerier, althans een persoon

(aangeduid als 'de kleine Indiaan en/of de kleine Spaans sprekende man') ten

behoeve van een vliegreis naar Colombia en/of een investering/aanbetaling van

een zending cocaïne/heroïne en/of

-informatie ingewonnen over reisschema's en/of vaarroutes van schepen vanuit

Latijns-Amerika naar Europa/Rotterdam en/of

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en/of

-contacten onderhouden en/of ontmoetingen gehad met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

6.

(Zaaksdossier Tata)

hij

in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 augustus 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Oostvoorne

(Gemeente Westvoorne) en/of (elders) in Nederland en/of Dubai (Verenigde

Arabische Emiraten) en/of Islamabad (Pakistan) en/of Johannesburg (Zuid

Afrika) en/of India,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-(een) reis/reizen geboekt en/of (een) reis/reizen gemaakt naar en/of

ontmoetingen gehad in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Johannesburg

(Zuid Afrika) en/of Islamabad (Pakistan) en/of India en/of Nederland en/of

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of de frequentie van zending(en) van

verdovende middelen en/of

-afspraken gemaakt over het opzetten van een of meer bedrijven in India en/of

Nederland ten behoeve van de aanschaf en/of de import van deklading en/of

-informatie ingewonnen (onder andere bij de firma [naam bedrijf]) over

vaarroutes en/of vrachttarieven en/of

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

7.

(Zaaksdossier Passievrucht)

hij

in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 augustus 2010 te

Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of

Vlissingen en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote)

hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of de frequentie van zending(en) van

verdovende middelen en/of

-afspraken gemaakt over de import van fruit en/of sapconcentraat (uit Zuid

Amerika) als deklading(en) van een/de zending(en) verdovende middelen en/of

-informatie ingewonnen (bij onder andere de firma [naam firma]) over

vaarroutes en/of vrachttarieven en/of opslagmogelijkheden en/of

-een chauffeur (naam 1) benaderd voor het vervoeren van (een) zending(en)

verdovende middelen en/of

-telefoons (voor het onderhouden van onderling contact) aangeschaft en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1°, 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

8.

(zaak criminele organisatie)

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 april 2011 te

Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of

Maassluis en/of Dongen en/of Spijkenisse en/of (elders) in Nederland en/of

Curaçao,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke, naast verdachte, bestond uit

een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten,

[naam 2] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 4]

en/of [verdachte 5] en/of [naam 3] en/of [verdachte 6] en/of

een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

-het (meermalen) binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen

en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van

een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, zijnde

cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

-het (meermalen) plegen van strafbare voorbereidings- en/of

bevorderingshandelingen ten behoeven van het binnen het grondgebied van

Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of

vervoeren van een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

(artt. 140 lid 1 & 3 Wetboek van Strafrecht en 11a lid 1 Opiumwet jo 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

9.

(zaaksdossier demper)

hij op of omstreeks 15 april 2011 te Maassluis, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II onder 2° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van

een pistool van het merk Glock, type 19c kaliber: 9x19mm,

en/of

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van

een pistool van het merk Sphinx, model AT3000, kaliber: 9x19mm,

en/of

- munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als

bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 58 (20+38) kogelpatronen, althans een

(groot) aantal kogelpatronen, kaliber 9x19mm,

en/of

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 3° van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een geluiddemper in de zin van artikel 2, lid 1 onder f van de Regeling wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad;

(art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie en art. 47 Wetboek van Strafrecht)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;