Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX5208

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
10/730125-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij 1e IJzerstraat te Rotterdam. Verdachte heeft in Maastricht twee Franse mannen die drugs wilden kopen ontmoet en is met die Fransen en anderen naar Rotterdam gereden. Onderweg zegt verdachte dat hij de Fransen gaat ‘nakken’ en ‘klaren’. In de woning in Rotterdam belt verdachte zijn jongere broertje (medeverdachte) en zegt dat hij een vuurwapen moet meenemen en op de Fransen moet schieten. Als de Fransen de woning verlaten, wordt aangever beschoten en meerdere malen met een mes in zijn rug gestoken, waardoor hij ernstig gewond raakt. Zijn vriend weet te ontkomen door weg te rennen. Nadere bewijsoverweging over de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangever en getuigen met betrekking tot het schietincident. De rechtbank acht de verklaringen geloofwaardig en bruikbaar voor bewijs, nu deze op essentiële punten - de ontmoeting met de Fransen in Maastricht, de rit van Maastricht naar Rotterdam, de gang van zaken in de woning in Rotterdam en de in de woning aanwezige personen - overeenkomen en worden ondersteund door de resultaten van technisch onderzoek. De rechtbank acht het medeplegen van poging tot doodslag door te schieten en te steken op het slachtoffer, gevolgd door diefstal van geld, bewezen en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaar.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2012-08-21
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2012-08-21
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-08-21
Wetboek van Strafrecht 288, geldigheid: 2012-08-21
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2012-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/730125-11 en 10/631049-09 (TUL)

Datum uitspraak: 21 augustus 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren 1988 te Rotterdam,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie de Schie,

raadsman: mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Boender heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaar, met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de straf, groot dertig (30) dagen dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 29 mei 2009 van de politierechter in deze rechtbank.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 primair

hij op 21 januari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels in de benen en/of bil en/of knie van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en met een mes, meermalen, in de rug, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal van een (groot) geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1] en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden

2.

hij op 21 januari 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet

-met een vuurwapen kogels in de benen en/of bil en/of knie, van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of

-met een mes, meermalen, in de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3.

hij op 26 maart 2011 te Maastricht een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Nagant, model 1895, kaliber 7,62 millimeter),

en

munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 kogelpatronen (kaliber .32 Smith&Wesson Long, bodemstempel G.F.L. 32 WAD CUT) voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 23 mei 2011 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Nagant, model 1895, kaliber 7,62 millimeter),

en

munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de te weten 13 kogelpatronen (kaliber .32 Wad Cut., bodemstempel G.F.L.) voorhanden heeft gehad.

5.

hij op 23 mei 2011 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een wapen van categorie 11 onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Op vrijdag 21 januari 2011 komt er tussen 01.30 uur en 02.00 uur bij de politie Rotterdam-Rijnmond een melding binnen dat [straat] te Rotterdam een schietincident heeft plaatsgevonden. Ter plaatse treft de politie de aangever [slachtoffer 1] aan in het gezelschap van [slachtoffer 1]. Aangever bleek schot- en steekverwondingen aan zijn benen en rug te hebben. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden van Franse nationaliteit, verklaren later tegen de politie dat zij die avond via Maastricht naar Rotterdam zijn gekomen. Omdat zij een lekke band hadden, hebben zij bij een tankstation een wiel verwisseld en terwijl ze daarmee bezig waren kwamen er twee Golfjes aanrijden, één met een Duits kenteken van het type R32 en één met een Nederlands kenteken, type VR6. De bestuurders spraken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan en zij zijn samen met de mannen naar een woning in Maastricht gegaan, waar zich even later nog een man bij hen voegde die een broer van de bestuurder van de Golf R32 bleek te zijn. Vervolgens zijn ze met zijn vijven in de Golf VR6 gestapt en naar Rotterdam gereden, de bestuurder en de man van de R32 zaten voorin en aangever, [slachtoffer 2] en de later aangekomen broer op de achterbank. In Rotterdam zijn ze allemaal een woning binnengegaan, waar op dat moment al twee mannen aanwezig waren. Als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enige tijd later uit de woning willen vertrekken, loopt de later gekomen broer mee. Buiten komt er een man op hen af die gelijk begon te schieten. [slachtoffer 2] wist te ontkomen, maar [slachtoffer 1]werd door kogels geraakt. De later gekomen broer van de bestuurder van de Golf R32 heeft [slachtoffer 1] met een mes gestoken.

Op 23 mei 2011 wordt [getuige 2] samen met de verdachte in de buurt van Maastricht aangehouden. [getuige 2] verklaart dat hij van de verdachte heeft gehoord dat hij samen met zijn broer [medeverdachte 1] in januari twee Franse mannen heeft geript. De verdachte had hem verteld dat hij daarbij een Fransman diverse keren had gestoken, dat [medeverdachte 1] een paar keer had geschoten en dat [medeverdachte 2] - een neef van verdachte - en [getuige 1] er ook bij betrokken waren.

Naar aanleiding van die verklaring wordt [getuige 1] door de politie gehoord en die bevestigt dat [naam broer], de broer van de verdachte, in een Golf R32 met Duits kenteken rijdt en dat hij op de avond van de schietpartij gezien heeft dat [naam broer] bij een pompstation tussen de Belgische grens en Maastricht met twee Fransen stond te praten die een klapband hadden. Hij verklaart dat ze met zijn vieren naar een woning in Maastricht zijn gegaan, waar [naam broer] voorstelde naar Rotterdam te gaan en de verdachte belde. Die kwam vervolgens naar de woning en drong erop aan om ook mee naar Rotterdam te gaan. Daarna zijn ze met z’n vijven - [getuige 1] als bestuurder, [naam broer] als bijrijder en de verdachte en de twee Fransen achterin - in zijn auto gestapt en naar Rotterdam gereden omdat de Fransen drugs wilden kopen. De verdachte zei onderweg steeds “ik ga deze mensen nakken, ik ga ze klaren” en “ik ga ze djoeken”. De verdachte had gezegd dat hij een mes bij zich had en zat onderweg te sms-sen met zijn broertje [medeverdachte 1]. In de woning in Rotterdam waren een vriend van [naam broer], een illegaal, de twee Fransen, [getuige 1] en de verdachte aanwezig. [Naam broer ] en zijn vriend zijn op een gegeven moment weg gegaan om de drugs te halen. Toen één van de Fransen een pakketje geld uit zijn onderbroek haalde belde verdachte met [medeverdachte 1] en hoorde [getuige 1] de verdachte door de telefoon tegen [medeverdachte 1] zeggen: “Pak het vuurwapen, pak die gun, kom naar dit huis toe en als je binnen komt moet je gelijk op die Franse jongens schieten”. [getuige 1] verklaart toen weg te zijn gegaan, omdat hij daarmee niets te maken wilde hebben. [getuige 1] verklaart voorts dat hij later van verdachte heeft gehoord dat hij heeft gestoken en dat [medeverdachte 1] heeft geschoten. Bij de rechter-commissaris herhaalt [getuige 1] zijn verklaring, waarbij hij nuanceert dat hij niet heeft gehoord dat [medeverdachte 1] aan de telefoon was en [medeverdachte 1] ook niet heeft gezien, maar dat de verdachte in de woning wel heeft gezegd dat de deur open moest worden gemaakt voor zijn broertje en dat hij weet hoe verdachte met zijn broertje praat.

Namens de verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de aangever, alsmede die van getuigen [slachtoffer 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, nu deze verklaringen innerlijk en/of onderling tegenstrijdig zijn en derhalve onbetrouwbaar. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7] heeft de raadsman van verdachte gesteld dat deze feitelijk niet relevant zijn.

De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid niet kan worden gesteld dat een verklaring volledig onbetrouwbaar is indien daarin één of meer tegenstrijdigheden (innerlijk, dan wel ten opzichte van een andere verklaring) voorkomen. De door de rechtbank voor het bewijs gebezigde verklaringen, met name de hiervoor samengevat weergegeven verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] en de getuigen [slachtoffer 2] en [getuige 1] stemmen in belangrijke mate en op essentiële punten met elkaar overeen en worden bovendien ondersteund door de overige bewijsmiddelen, waaronder technisch bewijs.

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 1], overweegt de rechtbank voorts dat deze wellicht – zoals door de raadsman van verdachte is gesteld – zijn eigen rol bij de gebeurtenissen tracht te bagatelliseren, dan wel te verhullen, doch dat dit niet wegneemt dat wat door [getuige 1] is verklaard in overwegende mate en op essentiële punten overeenkomt met hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard over (de aanloop tot) het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de daarbij betrokken personen. Zo komt de gedetailleerde verklaring van [getuige 1] over de ontmoeting met de Fransen in Maastricht, de rit van Maastricht naar Rotterdam, de gang van zaken in de woning in Rotterdam en de in de woning aanwezige personen, vrijwel geheel overeen met hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarover hebben verklaard.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij is tevens van belang dat de verklaringen van voornoemde personen met betrekking tot het schietincident op essentiële punten wordt ondersteund door de resultaten van technisch onderzoek, de verklaringen van getuige [getuige 3] en de herkenning van deze getuige van de verdachte en zijn broertje [medeverdachte]. Dat laatstgenoemde getuige tevens een derde persoon heeft aangewezen die bij het schietincident betrokken zou zijn geweest en die - naar later is gebleken - ten tijde van het schietincident gedetineerd was, doet niet af aan de herkenning van de getuige van de verdachte en [medeverdachte 1]. Temeer nu de derde persoon daarover heeft verklaard dat hij uiterlijke gelijkenis vertoont met [getuige 1].

Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] overweegt de rechtbank dat - daargelaten dat deze door de raadsman van verdachte feitelijk niet relevant worden geacht - deze verklaringen worden ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen van de politie Maastricht van 27 maart 2011.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verweer van de raadsman niet volgen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

1 primair

medeplegen van poging doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, en

2

medeplegen van poging doodslag

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

5.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten geprobeerd om een ander van het leven te beroven door schoten op hem te lossen en hem met een mes te steken. Het doel hiervan was om het slachtoffer van zijn geld te beroven.

Het slachtoffer is daarbij ernstig gewond geraakt; hij heeft meerdere steekwonden in zijn rug opgelopen en drie schotwonden op de rechterbil, het rechterbeen en de linkerknie. Er was sprake van een ingeklapte long met bloeding in de borstholte en om de long weer tot ontplooiing te brengen moesten drains worden aangelegd. De door de kogel toegebrachte bloedvatschade aan de linkerknie moest operatief worden hersteld. Er was een ziekenhuisopname van ruim een week noodzakelijk en het letsel is door de artsen als potentieel dodelijk aangemerkt.

Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven, naast de lichamelijke gevolgen, grote emotionele impact hebben op slachtoffers. De impact die deze overval op het slachtoffer en zijn vriend heeft gehad blijkt ook uit de door hen ingediende voegingsformulieren.

De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door de zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en zijn vriend. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid. Deze handelingen worden de verdachte dan ook zwaar aangerekend. Dat het bij een poging is gebleven is vooral te danken aan het optreden van een van de getuigen die hard “politie” heeft geroepen waarna de verdachten zich uit de voeten maakten.

Op een dergelijk ernstig feit past een gevangenisstraf van lange duur.

Voorts heeft de verdachte twee revolvers met daarbij behorende munitie (in totaal 20 kogelpatronen) en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Het in het bezit hebben van vuurwapens leidt immers vaak ook tot het gebruik ervan, hetgeen in deze zaak ook is gebleken.

Ook dit zijn zeer ernstige feiten.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 juli 2012 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts pleit tegen de verdachte dat het initiatief om het slachtoffer te beroven van hem lijkt te zijn uitgegaan.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het omtrent de verdachte door de reclasserings-medewerker H. van Koot opgemaakte rapport d.d. 10 augustus 2011. In dit rapport is vermeld dat de verdachte al enige tijd zonder werk en inkomen leeft en geen vaste huisvesting heeft. De reclassering denkt dat het gebrek aan bestaansbasis in combinatie met zijn afhankelijkheid van anderen hem kwetsbaar maakt en risico´s met zich meebrengt. Ook het gebrek aan zinvolle dagbesteding en zijn dagelijkse softdrugsgebruik met vrienden worden als risicofactoren gezien. De reclassering acht het opleggen van bijzondere voorwaarden vooralsnog niet geïndiceerd, maar stelt dat bij een eventuele vrijheidsstraf in het kader van “Binnen Beginnen” een herdiagnose kan worden uitgevoerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

[slachtoffer 1].

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], wonende te [adres] Frankrijk, terzake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een voorschotbedrag van in totaal € 110.000,- aan materiële en immateriële schade, een gerechtelijk geneeskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek.

De officier heeft gerekwireerd tot toewijzing van een voorschotbedrag ad € 10.000,- ter zake van immateriële schadevergoeding en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting zou opleveren van het strafgeding.

De verdediging heeft betoogd dat de schadevergoeding aan de benadeelde partij niet meer dan € 10.000,- zou moeten bedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Het materiële deel van de vordering dat ziet op kosten in verband met ziekenhuisopname

(€ 6.188,25), ambulancevervoer (€ 671,25), ziekenhuiskamer (€ 48, -), transportkosten (€ 28,51) en kleding (€ 616, -) zal, nu deze genoegzaam is onderbouwd, worden toegewezen.

Ten aanzien van de overige posten van materiële aard zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu beoordeling van die posten een onevenredige belasting zou opleveren van het strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft opgelopen. Omdat die schade thans niet definitief is vast te stellen, zal de rechtbank die kosten gelet op ervaringsregels vaststellen op een bedrag van € 10.000,- en dit bedrag bij wijze van voorschot toewijzen. Ten aanzien van het overige gedeelte van de immateriële schade zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van de benadeelde partij voor materiële en immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 17.552,02 en dat de benadeelde partij voor het overige gedeelte van die vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op € 2.000,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[slachtoffer 2].

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2], wonende te

[adres] , Frankrijk, terzake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade.

De door deze benadeelde partij gevorderde schade komt niet voor vergoeding in aanmerking nu deze op geen enkele wijze nader is onderbouwd. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de vordering van de benadeelde partij de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot heden begroot op nihil.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis d.d. 29 mei 2009 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld - voor zover hier van belang - tot een gevangenisstraf van 77 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De mededeling voorwaardelijke veroordeling d.d. 24 juni 2009 is aan de veroordeelde verzonden. De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 13 juni 2009.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van het bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 45, 47, 55, 57, 287, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 17.552,02 (zegge: zeventienduizendvijfhonderdtweeënvijftig euro en twee eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer1], wonende te [adres], Frankrijk, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot heden begroot op

€ 2.000,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1]niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het meer gevorderde en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 17.552,02 (zegge: zeventienduizendvijfhonderdtweeënvijftig euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 122 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 30 dagen, van de bij vonnis d.d. 29 mei 2009 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. Poppe-Gielesen en Volker, rechters,

in tegenwoordigheid van Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 augustus 2012.

Bijlage bij vonnis van 21 augustus 2012:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 21 januari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

met een vuurwapen een of meer kogels in de benen en/of bil en/of knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten en/of

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestoken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging tot) diefstal van

een (groot) geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of diens mededader(s),

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Art. 288 jo 287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 21 januari 2011 te Rotterdam op of aan de openbare weg, te weten de

1e IJzerstraat, althans een openbare weg,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een (groot) geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] en/of

-met een vuurwapen schieten van een of meer kogels in de benen en/of bil en/of knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

-meermalen, althans eenmaal, steken met/van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

-(dreigend) aan die [slachtoffer 1] toevoegen van de woorden: "We maken je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl het jegens die [slachtoffer 1]gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel,

te weten,

-een of meer schotwonden in de benen en/of bil en/of knie en/of

-een of meer steekwonden in de rug en/of

-een ingeklapte long en/of

-een of meer blijvende littekens

althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

(Art. 312 lid 2 sub 1/2/4 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 21 januari 2011 te Rotterdam op of aan de openbare weg, te weten de le IJzerstraat, althans een openbare weg, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (groot) geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

-een vuurwapen aan die [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] heeft getoond/voorgehouden en/of

-met een vuurwapen van een of meer kogels in de benen en/of bil en/of knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1]heeft geschoten en/of

-meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1]heeft gestoken en/of

-(dreigend) aan die [slachtoffer 1]heeft toegevoegd de woorden: "We maken je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl het jegens die [slachtoffer 1]gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel

te weten,

-een of meer schotwonden in de benen en/of bil en/of knie en/of

-een of meer steekwonden in de rug en/of

-een ingeklapte long en/of

-een of meer blijvende littekens

althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

(Art. 312 lid 2 sub 1/2/4 jo 45 Wetboek van Strafrecht).

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader (s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet

-met een vuurwapen een of meer kogels in de benen en/of bil en/of knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten en/of

-met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestoken

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf nier voltooid,

(artikel 89/237 in. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij

op of omstreeks 26 maart 2011 te Maastricht een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie,

te weten een revolver (merk Nagant, model 1895, kaliber 7,62 millimeter),

en/of

munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie,

te weten 7 kogelpatronen (kaliber .32 Smith&Wesson Long, bodemstempel G.F.L. 32 WAD CUT)

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

4.

hij

op of omstreeks 23 mei 2011 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten,

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie,

te weten een revolver (merk Nagant, model 1895, kaliber 7,62 millimeter),

en/of

munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie,

te weten 13 kogelpatronen (kaliber .32 Wad Cut., bodemstempel G.F.L.) voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

5.

hij

op of omstreeks 23 mei 2011 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een wapen van categorie 11 onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd:

(Art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie)