Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX5067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
10/731269-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van doodslag door toebrengen van 77 messteken bij levenspartner. Verdachte door PBC volledig toerekeningsvatbaar geacht. Strafoplegging rechtbank komt boven eis van officier van justitie uit. Aanbeveling aan openbaar ministerie om ten tijde van v.i. te bezien of er aan de verdachte bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat de verdachte heeft aangegeven dat hij al jaren forse psychische problemen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/731269-11

Datum uitspraak: 7 augustus 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. H. Bijlsma, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 23 februari 2012 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Bijl heeft gerekwireerd tot:

bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) en

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Op basis van de inhoud van het dossier kan niet worden bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht zodat hij van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie en de raadsman zich eveneens op dit standpunt hebben gesteld, zal dit niet nader worden gemotiveerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in op 9 november 2011 te Rotterdam

opzettelijk, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte s opzettelijk, meermalen, met kracht die [naam slachtoffer] met een mes, in de nek en het lichaam gestoken tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, zoals opgenomen in de bij dit vonnis behorende bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Aantreffen lichaam slachtoffer en start onderzoek, eerste bevindingen

Op 11 november 2011 meldt de verdachte zich op het politiebureau in Capelle aan den IJssel met de mededeling dat hij twee dagen eerder, op 9 november 2011, zijn vriendin [naam slachtoffer] dood in hun woning heeft aangetroffen. De verdachte heeft op dat moment verwondingen aan beide handen. De verdachte verklaart in de woning overal met zijn handen te hebben aangezeten, inclusief het lichaam van het slachtoffer en het mes in haar nek. De politie begeeft zich naar de woning aan de [adres woning] te Rotterdam waar zij een in beddengoed gewikkeld lichaam aantreffen. Er wordt een onderzoek ingesteld, het slachtoffer wordt door de politie geïdentificeerd en blijkt inderdaad [naam slachtoffer], de vriendin van de verdachte, te zijn.

Bij het onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer worden op het bovenlichaam, het hoofd en de nek circa 74 scherprandige perforaties en klievingen met het aspect van steek- en snijletsel vastgesteld. Geconcludeerd wordt dat aan het lichaam tientallen messteken zijn toegebracht en dat het slachtoffer heeft geprobeerd deze steken af te weren. De arts en patholoog komt na sectie op het lichaam tot de conclusie dat het overlijden van het slachtoffer is veroorzaakt door massaal bloedverlies en verstikkingsverschijnselen door luchtwegobstructie als gevolg van bloedinademing en functieverlies van de longen door de perforaties.

In het onderzoek op de plaats delict wordt vastgesteld dat het slachtoffer in de woning om het leven is gebracht en dat zij, op het moment dat de politie haar aantreft, al enkele dagen is overleden. In de woning worden op verschillende plaatsen bloedsporen aangetroffen. De woning geeft de indruk te zijn schoongemaakt waardoor een deel van het bloed lijkt te zijn verwijderd. Onder de arm van het slachtoffer wordt een bebloed keukenmes aangetroffen. In een vuilniszak worden diverse goederen gevonden waaronder een bebloed t-shirt, zwaar bebloede schoenen en een zwaar bebloede spijkerbroek. Ook vindt de politie in de woning een kassabon van de Marskramer en een kassabon van het Kruidvat, beide gedateerd 9 november 2011.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij op 9 november 2011 - na een kort bezoek aan de Marskramer die middag - in de woning aan de [adres woning] verbleef toen het slachtoffer rond 14:45 uur uit haar werk kwam. Zijn uitkering was de dag ervoor eindelijk gestort en omdat de e-dentifier net die dag kapot bleek, zijn zij samen met de metro naar de ABN-Amro-bank gegaan om een nieuwe te halen. Omdat het daar te druk was zijn ze, na nog wat in de stad te hebben gelopen, rond 16.15 uur weer richting huis gegaan. Zij hebben wat gegeten, tv gekeken en op internet gezocht naar een nieuwe woning en meubels voor die nieuwe woning. Naar aanleiding hiervan ontstond volgens de verdachte een woordenwisseling over de vraag hoeveel geld zij opzij zouden kunnen leggen. De verdachte zegt rond 16:30 uur even naar buiten te zijn gegaan om hier rustig over na te denken. Hij nam drie flesjes bier en een vel papier mee om zijn eigen berekening op te noteren. Buiten zat de verdachte op een bankje en bij het opvouwen van het vel papier sneed hij zich in zijn hand waardoor een bloedende wond ontstond. Hij besloot naar het Kruidvat te gaan om een verbanddoos te kopen, liep terug naar het bankje, dronk daar zijn laatste flesje bier op en keerde rond 17:30 uur terug in de woning.

Toen hij de woning binnenging, zag hij dat het slachtoffer onder het bloed en met een mes in haar nek op een dekbedovertrek op de vloer lag. De verdachte verklaart dat hij uit wanhoop en angst het slachtoffer tegen zich aan heeft gedrukt en het mes uit haar nek heeft getrokken. Vervolgens heeft hij het bloed opgeruimd met een dweil en handdoeken omdat hij de situatie waarin hij het slachtoffer aantrof niet kon aanzien. De kleding die de verdachte droeg, zat onder het bloed en is door hem in een vuilniszak in de woning achtergelaten. Het slachtoffer heeft hij toegedekt met een andere dekbedhoes. Daarna is de verdachte nog buiten geweest en heeft hij zichzelf met een kapotgeslagen hals van een bierflesje in zijn handen gesneden. Hij heeft de nacht in de woning doorgebracht en is op 10 november 2011 omstreeks 5:30 uur naar Spijkenisse gereisd waar hij in een hotel is ingecheckt. De verdachte zegt ’s avonds in het hotel met een overdosis medicatie een mislukte zelfmoordpoging te hebben ondernomen. In de ochtend van 11 november 2011 is de verdachte toch gewoon weer wakker geworden. Die dag heeft de verdachte zich rond

17.30 uur bij de politie in Capelle aan den IJssel gemeld.

Is de verklaring van verdachte geloofwaardig?

De verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer en het keukenmes heeft aangeraakt, wordt ondersteund door het DNA-onderzoek. Op het lichaam en het keukenmes is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat afkomstig is van de verdachte en het slachtoffer. Dat het slachtoffer op 9 november 2011 rond 14:45 uur rechtstreeks uit haar werk in de woning arriveerde, wordt ondersteund door de verklaring van de leidinggevende van het slachtoffer die heeft verklaard dat het slachtoffer die dag om 14:28 uur op haar werk heeft uitgeklokt.

Op vrijwel alle overige essentiële onderdelen is de verklaring van de verdachte echter onvolledig, onaannemelijk of onjuist gebleken.

- Bloedsporen en verwondingen handen

De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat de bloedsporen die van hem zijn aangetroffen in de woning, op het mes en op het lichaam van het slachtoffer, veroorzaakt moeten zijn door de verwondingen die hij als gevolg van het snijden aan papier heeft opgelopen.

Uit de camerabeelden van het Kruitvat blijkt dat de verdachte daar op 9 november 2011 omstreeks 17:14 uur binnenloopt en een verbanddoos koopt. Te zien is dat de verdachte een stuk papier of textiel om zijn linkerhand gewikkeld heeft. De caissière bij wie de verdachte de verbanddoos heeft afgerekend, heeft verklaard dat het papier niet goed om de vinger was gewikkeld zodat zij de wond kon zien. Zij zag dat het een verse bloedende wond was, vuurrood van kleur en opgezwollen. Voorts verklaart de caissière dat de wond zich bevond aan verdachtes ringvinger.

Het NFI heeft op 13 november 2011 onderzoek verricht naar de verwondingen aan de handen van de verdachte en heeft geconcludeerd dat letsels opgeleverd door (zich) snijden aan papier doorgaans zeer oppervlakkig zijn en niet veelvoudig aan beide handen voorkomend. Gezien de veelvoud en diepte van de verwondingen kan hoogstens een beperkt aantal van de oppervlakkige verwondingen passen bij letsel opgeleverd door snijden aan papier.

Deze conclusie, de verklaring van de caissière omtrent de aard van de verwonding en de plaats ervan, de verklaring van de verdachte dat hij zich met het papier aan zijn linker pink, wijsvinger en aan zijn rechter wijsvinger had gesneden en de hoeveelheid bloedsporen die de verdachte in de woning heeft achtergelaten, maken het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onaannemelijk dat de bloedsporen die de verdachte op en rond het slachtoffer heeft achtergelaten het gevolg zijn van verwondingen door het zich snijden aan papier.

De verklaring van de verdachte dat hij zich later op de avond met een kapotgeslagen bierfles in zijn handen heeft gesneden, acht de rechtbank eveneens onaannemelijk. Het NFI oordeelt dat de verwondingen aan beide handen van de verdachte veel meer passen bij letsel veroorzaakt door een langwerpig scherprandig voorwerp zoals een mes of een langwerpige glasscherf dan bij letsel veroorzaakt door een afgebroken hals van een bierfles. Het NFI vindt het letsel veel meer passen bij accidenteel letsel dan bij opzettelijk bij zichzelf toegebracht letsel. Volgens het NFI-rapport zou de geconstateerde verwonding kunnen passen bij het steken met en vervolgens doorschuiven van een mes zonder stootplaat.

Gelet op deze constatering in combinatie met het feit dat het keukenmes in de woning geen stootplaat heeft en dat op dat mes bloed van de verdachte is aangetroffen, acht de rechtbank het veel aannemelijker dat de verwondingen aan de handen van de verdachte zijn veroorzaakt door het toebrengen van messteken met het aangetroffen keukenmes dan op de door de verdachte aangegeven wijze.

- Vastpakken slachtoffer door verdachte

De door de verdachte geschetste situatie dat hij het slachtoffer heeft opgepakt, tegen zich aan heeft gedrukt en als gevolg daarvan bloed van het slachtoffer op zijn kleding is gekomen, wordt evenmin aannemelijk geacht. De afdeling Forensische Opsporing van de politie heeft hiernaar onderzoek verricht en vastgesteld dat het bovenlichaam van het slachtoffer zodanig met bloed was besmeurd dat het oppakken en tegen zich aandrukken,

er normaal gesproken toe zou moeten leiden dat de kledingsstukken sterk met bloed besmeurd zouden zijn. Uit onderzoek naar de bloedsporen op de in de vuilniszak aangetroffen kleding van de verdachte blijkt dat er slechts enkele, wat oppervlak betreft relatief kleine gebieden met door contactafgifte veroorzaakte bloedsporen zijn aangetroffen.

- Kleding

Op de camerabeelden van de Marskramer van 9 november 2011 te 13:43 uur is te zien dat de verdachte een spijkerbroek met vale plekken, een donker poloshirt met lichte kraag en donkere knopen en sportschoenen met donkere strepen draagt. Deze kleding komt sterk overeen met de in een vuilniszak aangetroffen bebloede kleding die de verdachte naar eigen zeggen droeg toen hij het slachtoffer in de woning aantrof. Op de camerabeelden van het Kruidvat is te zien dat de verdachte diezelfde dag om 17:18 uur andere kleding droeg.

De verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Zijn verklaring ter zitting dat hij zich ’s middags waarschijnlijk heeft omgekleed en zich vervolgens - na aankomst in de woning maar nog voordat hij het slachtoffer vastpakte en het bloed in de woning opruimde - opnieuw heeft omgekleed in de kleding die hij eerder die dag droeg, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is het veel aannemelijker dat de verdachte na zijn bezoek aan de Marskramer en voor zijn bezoek aan het Kruidvat in contact is geweest met het bloed van het slachtoffer, daarna schone kleding heeft aangetrokken en de bebloede kleding in de vuilniszak heeft achtergelaten.

- Onjuiste verklaring

Tot slot kan de rechtbank niet voorbij gaan aan het feit dat de verdachte heeft gelogen over het feit dat hij een uitkering had ontvangen en op 9 november 2011 in de middag samen met het slachtoffer in de ABN Amro op de Coolsingel is geweest om een nieuwe e-identifier op te halen. In meerdere verhoren bij de politie heeft de verdachte hier uitvoerig over verklaard.

Pas nadat hij is geconfronteerd met het feit dat er bij de uitkeringsinstanties niets bekend was van een aanvraag door de verdachte en uit camerabeelden van de bank bleek dat zijn verklaring niet juist kán zijn, heeft de verdachte erkend dat hij hierover heeft gelogen.

De verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat zijn verklaring over hetgeen zich rond

9 november 2011 heeft afgespeeld van groot belang was voor het onderzoek.

Volgens de rechtbank zijn deze verklaringen van de verdachte kennelijk afgelegd met de bedoeling de waarheid te bedekken en tasten deze verklaringen ook de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte in zijn geheel aan.

Alternatief scenario

De verdachte heeft tijdens het onderzoek enkele opmerkingen gemaakt over personen die mogelijk bij de dood van het slachtoffer betrokken zouden kunnen zijn geweest.

Hoewel die suggesties niet door de verdachte zijn onderbouwd of door feiten of omstandigheden werden ondersteund, heeft de politie hiernaar serieus onderzoek verricht zonder dat dit enig resultaat heeft opgeleverd.

De verdachte is volgens eigen zeggen op 9 november 2011 slechts korte tijd uit de woning geweest, er zijn door de politie geen sporen van braak geconstateerd, er is geen celmateriaal met het DNA-profiel van een derde (onbekende) persoon aangetroffen en evenmin zijn er aanwijzingen dat meer dan één persoon bij het delict betrokken is geweest.

Volgens het proces verbaal van de Forensische Opsporing is er een buitensporige mate van geweld toegepast op het slachtoffer. Gedurende het gehele onderzoek door de politie is niemand in beeld gekomen die een reden zou kunnen hebben gehad het slachtoffer te doden. Verschillende getuigen en ook de verdachte bevestigen dit beeld door te verklaren dat het slachtoffer geen vijanden had en een zeer geliefd persoon was.

Daarentegen moet bij de verdachte op de dag waarop het feit is gepleegd sprake zijn geweest van sterk verhoogde spanning en stress, omdat bij het slachtoffer bekend dreigde te worden dat hij opnieuw tegen haar had gelogen. Het slachtoffer was in de ruim zeven jaar dat zij een relatie met de verdachte had al vele malen door hem voorgelogen en mede daardoor in grote financiële problemen gekomen. Zij had hem meermalen gezegd de relatie te zullen beëindigen als hij nog één keer tegen haar zou liegen. De verdachte had haar deze keer voorgelogen dat hij recht had op een uitkering omdat hij drie maanden opgenomen was geweest in de BAVO en dat deze uitkering eindelijk was overgemaakt. Met die wetenschap in het achterhoofd was het slachtoffer de dag voor haar dood met hem naar de stad gegaan en hadden zij samen vast wat geld uitgegeven. De verdachte had daar het geld voor gepind en had ook aangeboden om de volgende dag naar de bank te gaan om geld over te maken aan enkele familieleden, bij wie zij wat schuld hadden. Uit sms-verkeer tussen het slachtoffer en de verdachte blijkt dat zij er persé bij aanwezig wilde zijn als hij naar de bank zou gaan en dat zij daar ook niet van af te brengen was. Bij de bank zou haar duidelijk zijn geworden dat de verdachte helemaal geen uitkering had ontvangen en zij de dag ervoor dus geld hadden uitgegeven dat er niet was en ook niet zou komen. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet eerlijk durfde te zijn en dat het slachtoffer de relatie vermoedelijk zou hebben verbroken indien zijn leugen uit was gekomen. De verdachte verklaarde ook dat het slachtoffer hem waarschijnlijk uit de woning zou hebben gezet.

Conclusie

Gelet op alle hiervoor vermelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die [naam slachtoffer] op 9 november 2011 de dodelijke messteken heeft toegebracht.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Doodslag.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn vriendin op gruwelijke wijze met tientallen messteken om het leven gebracht. Het slachtoffer heeft geprobeerd de messteken af te weren en moet de gewelddadige aanval op haar leven door haar partner derhalve - ten minste enige tijd - bewust hebben ondergaan. Zij zal hele angstige laatste minuten hebben gehad. Het slachtoffer was een jonge hard werkende vrouw die behalve zichzelf ook de verdachte financieel onderhield. Zij had duidelijke toekomstplannen voor hen beiden. De rechtbank rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij juist diegene van het leven heeft beroofd, die - ondanks zijn vele leugens en alle problemen die daardoor waren ontstaan - nog altijd achter hem stond en hem steunde bij zijn psychische problemen.

Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte geen enkele verantwoording genomen voor zijn daad. Integendeel, hij heeft in de woning sporen gewist en de politie met valse verklaringen en valse beschuldigingen aan het adres van derden, getracht op het verkeerde been te zetten. Daarmee heeft hij niet alleen het politie-onderzoek gefrustreerd maar heeft hij ook de familie de kans ontnomen te ontdekken hoe en waarom het slachtoffer om het leven is gebracht. Voor de familieleden van het slachtoffer moet het gebeurde een schokkende en zeer traumatisch ervaring zijn waarvan zij vermoedelijk levenslang psychisch nadelige gevolgen zullen ondervinden.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 april 2012 is de verdachte niet eerder veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 17 juli 2012, opgesteld door G.B. van der Kraats, psychiater, L. Vermeulen, GZ-psycholoog, onder supervisie van R.J.A. van Helvoirt, psycholoog.

Uit het rapport volgt - kort gezegd - dat tijdens de opname in het Pieter Baan Centrum geen aanwijzingen zijn gevonden voor een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. De deskundigen verklaren dat de verdachte in het contact met (belangrijke) anderen angst heeft voor kritiek, afkeuring of afwijzing. Vanuit deze angst is de verdachte sterk geneigd tot vermijding en verloochening. Op grond hiervan is volgens de deskundigen bij de verdachte sprake van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. De aan die persoonlijkheidsstoornis onderliggende psychodynamiek is bij de verdachte in de kern narcistisch van aard. De deskundigen zien geen aanknopingspunten iets te concluderen over de mate waarmee de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte in causale zin heeft doorgewerkt in het bewezen verklaarde feit. Zij vinden het feit niet passen in de bij de verdachte vastgestelde pathologie en bij een voor hem typisch patroon van handelen.

Om die reden zien de deskundigen in het rapport geen gronden om een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te adviseren, geen aanleiding voor een advies tot begeleiding of behandeling van de verdachte en kunnen zij geen uitspraak doen over een eventuele kans op recidive.

Gelet de bevindingen van de deskundigen zal de rechtbank er vanuit gaan dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

Gelet op de eigen verklaring van de verdachte dat hij al jaren forse psychische problemen heeft en voorts gelet op de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, geeft de rechtbank het openbaar ministerie uitdrukkelijk in overweging te zijner tijd te laten onderzoeken of bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling als bijzondere voorwaarde moet worden gesteld dat de verdachte zich onder klinische of ambulante behandeling dient te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezen verklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank zal de verdachte dan ook een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam]l, wonende te [plaats], ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van € 2.429,10 materiële schade in verband met uitvaartkosten.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet betwist en zich bereid verklaard de kosten te betalen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel is gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.429,10 (zegge: tweeduizend vierhonderd negenentwintig euro en tien eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [plaats];

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.429,10 (zegge: tweeduizend vierhonderd negenentwintig euro en tien eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. Laukens en Boesman, rechters,

in tegenwoordigheid van Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 augustus 201

De oudste en de jongste rechter zijn wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 7 augustus 2012:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 11 november 2011

te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,

een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (met kracht)

die [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek

en/of het lichaam gestoken

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

(artikelen 289 en 287 Wetboek van Strafrecht)

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/731269-11

Bijlage II bij vonnis d.d. 7 augustus 2012 in de strafzaak met parketnummer 10/731269-11 tegen de verdachte [naam], geboren te [plaats] op [datum].

Bewijsmiddelen

1.

De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 24 juli 2012;

2.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer

PL17F0 2011337482-3 (als bijlage) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482, zaak Water, opgemaakt en op 11 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 4-9);

3. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer

PL17P0 2011337482-75 (als bijlage) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482, zaak Water, opgemaakt en op 16 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 101-102);

4. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer

PL17P0 2011337482-29 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 12 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 145);

5. Een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d.

18 november 2011 nummer 2011.11.11.109 , opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige, arts en patholoog;

6. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17C0 2011337482-52 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 14 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 621-622), inclusief de daarbij behorende bijlage;

7. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17C0 2011337482-146 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 16 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 623-632), inclusief de daarbij behorende foto’s;

8. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17C0 2011337482-80 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 16 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 63-64);

9. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17C0 2011337482-113 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 28 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 361-370), inclusief de daarbij behorende foto’s;

10. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer

PL17C0 2011337482-109 (als bijlage gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482) opgemaakt en op 23 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige (pag. 30- 36);timeter.

11. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 011337482-8 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 10 januari 2012 ondertekend door de opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisanten inclusief de daarbij behorende foto’s;

12. Een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d.

9 maart 2012, nummer 2011.11.11.109 , opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige;

13. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer

PL17C0 2011337482-18 (als bijlage gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482) opgemaakt en op 12 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende als de op 11 november 2011 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte (pag. 30- 36);

14. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2011337482 - 176 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011 337482) opgemaakt en op 16 december 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant (pag. 915-940);

15. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 011337482-8 (als bijlage ) gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2011337482 opgemaakt en op 11 november 2011 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant, inclusief de daarbij behorende foto’s;

16. Een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d.

28 december 2011, nummer 2011.11.11.109, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige Forensisch arts KNMG, Betreffende een letselbeoordeling verdachte (pag.1218-1224).