Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX4750

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
404698 / KG ZA 12-516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executiegeschil mbt (litigieuze) dwangsomschuld. De voorzieningenrechter oordeelt enerzijds als dwangsomrechter ex artikel 611d Rv en anderzijds als executierechter ex artikel 438 Rv. Verjaring dwangsom. Toestaan eiswijziging (ook) tov niet verschenen gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 404698 / KG ZA 12-516

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2012

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Numansdorp,

2. [eiser 2],

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser 1],

wonende te Oud-Beijerland,

eisers,

advocaat mr. A. Schep te Oud-Beijerland,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te De Haan, België,

gedaagde,

advocaat mr. M. Enneking-Vermeer te Vught,

2. de naamloze vennootschap

ACHMEA PENSIOEN EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] respectievelijk [gedaagde 1] en Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de respectieve dagvaardingen van 5 juli 2012, met producties;

- de brief van 13 juli 2012 van mr. Schep, met als bijlagen de akte houdende correctie en wijziging van eis, met productie, en productie 23;

- het faxbericht van 17 juli 2012 van mr. Enneking-Vermeer, met producties;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 18 juli 2012;

- de pleitnota van mr. Schep;

- de pleitnota van mr. Enneking-Vermeer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 8 april 1983 is overleden [vader]. [vader] was gehuwd met [moeder], die op 19 april 1993 is overleden. Enig erfgenamen van de nalatenschap van [vader] en [moeder] zijn hun kinderen, te weten [eiser 1], [gedaagde 1] en [C] (hierna: [C]). [eiser 1] is sinds 1983 belast (geweest) met de administratie van en het beheer over de onverdeelde gemeenschap van [vader] en [moeder].

2.2. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 19 april 2001 van deze rechtbank, gewezen tussen [gedaagde 1] en (onder meer) [eiser 1], is [eiser 1] (onder meer) veroordeeld om binnen twee maanden na betekening aan hem van het vonnis aan [gedaagde 1] rekening en verantwoording af te leggen omtrent zijn beheer over de onverdeelde gemeenschap van [vader] en [moeder], zulks op straffe van een dwangsom van f 1.000,- per dag dat [eiser 1] daarmee in gebreke zou blijven. Betekening aan [eiser 1] van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van het vonnis vond plaats bij exploot van 26 mei 2001.

2.3. [eiser 1] heeft tot op heden geen rekening en verantwoording afgelegd omtrent zijn beheer over de onverdeelde gemeenschap van zijn ouders.

2.4. Op of omstreeks 19 oktober 2002 is [eiser 1] een herseninfarct/afasie overkomen. Hij is daarvoor opgenomen in het ziekenhuis en daarna niet meer teruggekeerd naar zijn woning aan [adres], zijnde het huis waar ook zijn ouders laatstelijk hebben gewoond. Op 26 maart 2003 is [eiser 1] opgenomen in verzorgingsinstelling De Egmontshof te Oud-Beijerland, alwaar hij langdurig werd verpleegd. Sinds 2009 woont hij in Numansdorp samen met zijn echtgenote, met wie hij in 2009 is gehuwd.

2.5. [eiser 1] is bij beschikking van 26 april 2004 van de kantonrechter te Rotterdam onder bewind gesteld met benoeming van mr. S. Klein tot bewindvoerder. Bij beschikking van 11 oktober 2006 van de kantonrechter te Rotterdam is mr. S. Klein ontslagen als bewindvoerder over [eiser 1] en is Adrianus [eiser 2] benoemd tot opvolgend bewindvoerder.

2.6. Een brief van 28 juli 2003 van (de voormalig advocaat van) [gedaagde 1] aan [eiser 1] houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“Bij vonnis van 19 april 2001 van de rechtbank te Rotterdam bent u veroordeeld om binnen 2 maanden na betekening van dit vonnis aan cliënt [gedaagde 1] rekening en verantwoording af te leggen omtrent uw beheer over de onverdeelde gemeenschap van wijlen [vader] en [moeder], op straffe van een dwangsom van f 1.000,-- (…) per dag dat u daarmee in gebreke blijft. Zesentwintig mei 2001 is dit vonnis aan u betekend. Tot op heden bent u in gebreke aan dit vonnis te voldoen. Cliënt verzoekt en zonodig sommeert u hierbij dringend binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief alle dwangsommen die u sinds 27 augustus 2001 heeft verbeurd te voldoen op de rekening derdengelden van mijn kantoor (…). Mocht u niet binnen deze termijn voldoen aan deze vordering dan heeft cliënt mij opdracht gegeven tot beslaglegging over te gaan.”

Deze brief is op 31 juli 2003 bij exploot aan [eiser 1] betekend.

2.7. Op 3 september 2003 is ten verzoeke van [gedaagde 1] en ten laste van [eiser 1] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Levensverzekeringsmaatschappij Twenteleven N.V., thans Achmea, op onder meer de polissen met de nummers 81.32.18 en 80.93.47, ter zake van verbeurde dwangsommen ad

€ 83.200,00.

3. Het geschil

3.1. [eiser 1] vordert – na wijziging van eis, samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair, de in het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom op te heffen;

I. Subsidiair, [gedaagde 1] te verbieden tot executie van voormeld vonnis, dan wel tot invordering van daaruit voortgevloeide dwangsommen over te gaan, zulks op straffe van een dwangsom;

I. Meer subsidiair, de looptijd van de dwangsom op te schorten, dan wel de dwangsom te verminderen tot nihil;

en

II. Primair, het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag op te heffen;

II. Subsidiair, [gedaagde 1] te veroordelen dit beslag op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom;

en

III. [gedaagde 1] te verbieden opnieuw executoriaal (derden)beslag ten laste van [eiser 1] te doen leggen ter zake van beweerdelijk door [eiser 1] verbeurde dwangsommen, zulks op straffe van een dwangsom;

en

IV. met veroordeling van Achmea het tegen [gedaagde 1] in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;

en

V. met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde 1] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Achmea is niet in rechte verschenen. Nu de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, zal tegen Achmea verstek worden verleend.

4.2. De voorzieningenrechter staat toe dat [eiser 1] ten opzichte van [gedaagde 1] zijn eis wijzigt. [eiser 1] heeft de eiswijziging schriftelijk tijdig vóór de zitting aangekondigd en voorts heeft [gedaagde 1] daartegen geen bezwaar gemaakt. Nu de eiswijziging ook overigens geen strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal ten opzichte van [gedaagde 1] op de gewijzigde eis recht worden gedaan.

4.3. Hoewel een eiswijziging in beginsel niet is toegestaan ten opzichte van een niet in rechte verschenen gedaagde, zal ook ten opzichte van Achmea op de gewijzigde eis recht worden gedaan. Daarbij heeft de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking genomen. Uit de akte houdende correctie en wijziging van eis volgt dat de eiswijziging ziet op een typefout c.q. enkele tekstuele aanpassingen en alleen de vordering tegen [gedaagde 1] betreft. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter de gevorderde eiswijziging niet in strijd met de strekking van artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel wil immers voorkomen dat een gedaagde -in dit geval Achmea- veroordeeld kan worden tot iets waarvan hij/zij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd. Daarvan is, gelet op het voorgaande en indachtig hetgeen onder 4.1. is overwogen, in deze zaak geen sprake. Mitsdien bestaan geen gronden die aan de eiswijziging ten opzichte van Achmea in de weg staan, noch is sprake van strijd met de goede procesorde.

4.4. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak, nu [gedaagde 1] aanspraak maakt op betaling van verbeurde dwangsommen.

4.5. Kort samengevat gaat het in de onderhavige zaak om het volgende. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van zijn ouders diende [eiser 1] aan [gedaagde 1] rekening en verantwoording af te leggen over zijn beheer over de onverdeelde gemeenschap van [vader] en [moeder]. De rechtbank Rotterdam heeft hem daartoe, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 1.000,- per dag, bij vonnis van 19 april 2001 veroordeeld. De in executoriale vorm uigegeven grosse van het vonnis is vervolgens op 26 mei 2001 aan [eiser 1] betekend. Bij brief van 28 juli 2003, aan [eiser 1] op 31 juli 2003 betekend, heeft [gedaagde 1] van [eiser 1] betaling van sedert 27 augustus 2001 verbeurde dwangsommen gevorderd, daartoe stellende dat [eiser 1] niet aan het vonnis van 19 april 2001 heeft voldaan.

4.6. Aan zijn vordering heeft [eiser 1] -zakelijk en samengevat weergegeven- ten grondslag gelegd (a) niet aan het vonnis van 19 april 2001 te kunnen voldoen, zodat het leggen van executoriaal (derden)beslag door [gedaagde 1] onrechtmatig is, (b) dat het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag nietig, althans vernietigbaar is en (c) dat het recht tot invordering van de dwangsommen is verjaard.

4.7. De kernvraag die in dit kort geding beantwoord moet worden is in hoeverre [eiser 1] aan het vonnis van 19 april 2001 heeft kunnen en kan voldoen en in verband daarmee of er voldoende grond is om de executie van dit vonnis te schorsen en het door [gedaagde 1]

-ter inning van de in het vonnis van 19 april 2001 opgelegde en naar de mening van [gedaagde 1] verbeurde dwangsommen- onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag op te heffen. Alvorens op die vragen nader in te gaan, wordt het volgende vooropgesteld.

4.8. De debiteur verbeurt de door de rechter opgelegde dwangsom, indien hij -ná betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld (artikel 611a lid 3 Rv)- de hoofdveroordeling niet of niet tijdig nakomt. In dat geval kan hij twee wegen bewandelen om te trachten aan de op hem rustende dwangsomschuld te ontkomen, te weten door (i) opheffing, vermindering of opschorting van de dwangsom te vorderen vanwege onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen bij de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (artikel 611d lid 1 Rv), dan wel (ii) op de voet van artikel 438 Rv een executiegeschil aanhangig maken.

4.9. Een beslissing op een vordering tot opheffing, vermindering of opschorting van de dwangsom als bedoeld in artikel 611d Rv kan in beginsel louter -dus exclusief- worden gegeven door de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, de dwangsomrechter. De dwangsomrechter zal veelal de rechter in eerste aanleg zijn en is in de regel de rechter van de woonplaats van gedaagde, de dwangsomdebiteur (artikel 99 Rv). De executierechter is de rechter die naar de ‘gewone regels’ relatief bevoegd is of in welker rechtsgebied de executie zal geschieden (artikel 438 lid 1 Rv). In het onderhavige geval is de voorzieningenrechter zowel dwangsomrechter als executierechter.

4.10. De beslissingsmaatstaf die de dwangsomrechter hanteert is een andere dan die van de executierechter. Krachtens artikel 611d Rv gaat de dwangsomrechter over de modaliteiten van dwangsommen: zijn zij (nog) verschuldigd dan wel verbeurd op grond van andere redenen dan dat zij hun zin hebben verloren doordat de veroordeling waaraan zij accessoir zijn, is nageleefd; geldt hun looptijd nog; dienen zij te worden verminderd of gematigd; en zo meer. Bij de dwangsomrechter staat de vraag centraal of de veroordeelde, zoals artikel 611d Rv het uitdrukt, in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling te voldoen en dus geen dwangsommen verbeurt of meer verbeurt (artikel 611d lid 2 Rv).

Van “onmogelijkheid” is sprake, indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel -dat wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren- zijn zin verliest, hetgeen (onder meer) het geval is indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. De dwangsomrechter dient derhalve te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Daarbij zijn factoren van overmacht, verwijtbaarheid en misslagen van belang.

4.11. Bij de executierechter is voor de beantwoording van de vraag naar “onmogelijkheid” geen plaats. Dáár gaat het om de vraag of de veroordeelde dwangsommen heeft verbeurd en, zo ja, of de crediteur misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid de verbeurde dwangsommen te innen (bijvoorbeeld wegens disproportionaliteit). Bij de beoordeling van de eerste vraag -heeft de debiteur dwangsommen verbeurd?- moet de executierechter onderzoeken of de door de dwangsomrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom is verbonden (i.e. de hoofdveroordeling) is verricht. De executierechter heeft niet tot taak de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (zoals die door uitleg moet worden vastgesteld). Daarbij moeten doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, aldus dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.12. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser 1] als meest verstrekkend betoog aangevoerd dat het recht tot invordering van de dwangsommen is verjaard, zo deze al verbeurd zouden zijn. Vast staat dat het vonnis van 19 april 2001 op 26 mei 2001 aan [eiser 1] is betekend. Gesteld noch gebleken is dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. Voor zover in de onderhavige zaak dwangsommen zijn verbeurd, is de eerste dwangsom, indachtig de in het vonnis van 19 april 2001 opgenomen termijn van twee maanden, dan ook op 26 juli 2001 verbeurd (artikel 611a lid 3 Rv).

4.13. Artikel 611g Rv bepaalt dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden ná de dag waarop zij verbeurd is. Verjaring vindt plaats tenzij deze tijdig is gestuit.

[gedaagde 1] heeft zich ter zake stuiting van de verjaring van het recht tot invordering van de dwangsommen beroepen op het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag van 3 september 2003 (2.7.). De verjaring van het recht tot invordering van dwangsommen kan worden gestuit volgens de algemene regels voor stuiting en schorsing van verjaring zoals neergelegd in titel 3.11 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Stuiting van de verjaring ingevolge deze titel vindt plaats door (onder meer) een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW). Het leggen van executoriaal (derden)beslag moet als een daad van rechtsvervolging in de zin van voormeld artikel worden aangemerkt (vergelijk Hof

’s-Gravenhage 22 mei 2012, LJN: BW7226). Dit betekent dat met het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag van 3 september 2003 de verjaring van het recht tot invordering van de dwangsommen rechtsgeldig is gestuit. Gelet daarop en in aanmerking nemende de in artikel 611g Rv bepaalde verjaringstermijn van zes maanden is de eerste verbeurde dwangsom, welke weer voor invordering in aanmerking zou kunnen komen, die welke op 3 maart 2003 zou zijn verbeurd. [gedaagde 1] kan dan ook slechts aanspraak maken op beweerdelijk verbeurde dwangsommen voor de periode na 3 maart 2003.

4.14. Met inachtneming van het voorgaande geldt met betrekking tot de afzonderlijke onderdelen van de vordering van [eiser 1] het volgende.

4.15. Primair vordert [eiser 1] opheffing van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom. Deze deelvordering betreft een vordering ex artikel 611d Rv. De voorzieningenrechter oordeelt in dit kader dan ook als dwangsomrechter en overweegt als volgt. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat [eiser 1] op of omstreeks 19 oktober 2002 een herseninfarct/afasie is overkomen, kan -tegenover de betwisting door [gedaagde 1] en gegeven het feit dat medische gegevens niet in het geding zijn gebracht- niet als vaststaand aangenomen worden dat [eiser 1] hierdoor niet in staat was en is om aan het vonnis van 19 april 2001 te voldoen. Voor de beoordeling van de vraag of [eiser 1] vanaf 3 maart 2003 in de onmogelijkheid verkeerde om voor het verbeuren van de dwangsommen aan de prestatie, die hij op grond van het vonnis van 19 april 2001 diende te verrichten, te voldoen zal een nader onderzoek naar de feiten, eventueel met bewijsvoering en deskundigenonderzoek, noodzakelijk zijn. Daarvoor is echter in het kader van dit kort geding geen plaats. De vordering tot opheffing van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom in het kader van een voorlopige voorziening strandt reeds daarom.

4.16. Voor wat betreft de overige deelvorderingen oordeelt de voorzieningenrechter als executierechter en wordt als volgt overwogen.

4.17. Ervan uitgaande dat dwangsommen zouden zijn verbeurd, mag [gedaagde 1] in beginsel tot tenuitvoerlegging van die dwangsommen overgaan (artikel 611c Rv). Dit kan slechts anders zijn als hij misbruik van die bevoegdheid tot tenuitvoerlegging maakt. Van misbruik van executiebevoegdheid is sprake als de executie op grond van na het vonnis van 19 april 2001 voorgevallen of aan het licht gekomen feiten met zich zouden brengen dat als gevolg van de executie aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal ontstaan, bijvoorbeeld omdat [eiser 1] niet in staat was en is om aan het vonnis van 19 april 2001 te voldoen.

4.18. Enerzijds is voor de beoordeling van de vraag of [eiser 1] vanaf 3 maart 2003 in de onmogelijkheid verkeerde om voor het verbeuren van de dwangsommen aan de prestatie, die hij op grond van het vonnis van 19 april 2001 diende te verrichten, te voldoen, nader onderzoek naar de feiten, eventueel met bewijsvoering en deskundigenonderzoek, noodzakelijk (4.15.). Anderzijds is gegeven dat sprake is van een herseninfarct/afasie met als gevolg dat [eiser 1] nadien niet meer is teruggekeerd naar zijn woning en (langdurig) opgenomen en verpleegd is geweest in een verzorgingsinstelling. Bovendien is overgelegd (productie 8 bij dagvaarding) een proces-verbaal van een verhoor door de kantonrechter te Oud-Beijerland op 8 september 2003, waarbij de kantonrechter [eiser 1] heeft gehoord in het kader van een verzoek tot onder bewindstelling. In dat proces-verbaal overweegt de betreffende kantonrechter het volgende:

“Daarbij komt nog dat de rechthebbende (opmerking voorzieningenrechter: daarmee is bedoeld [eiser 1]) thans medisch gezien nog niet in een eindsituatie verkeert. Wel is duidelijk dat hij thans nog niet zelfstandig zijn financiële administratie kan doen. Onduidelijk is, gelet op zijn beperkingen als gevolg van een hersenbloeding, in hoeverre de rechthebbende geestelijk volwaardig functioneert”.

Daarbij komt dat blijkens een overgelegd proces-verbaal voorlopig getuigenverhoor (productie 6 bij dagvaarding) [gedaagde 1] op 21 mei 2012 onder ede het volgende heeft verklaard:

“Ik hoorde dat mijn broer [E] een hersenbloeding had gehad, hetzij in een telefoongesprek met mijn zus hetzij toen ze het mij vertelde toen ik haar opzocht. Ik weet niet meer precies hoe maar dat moest zijn geweest enkele weken voor 13 mei 2003.”

Onder deze omstandigheden houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat -uitgaande van de situatie vanaf 3 maart 2003- bepaaldelijk niet is uitgesloten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiser 1] niet in staat was en is om aan het vonnis van 19 april 2001 te voldoen en dat [gedaagde 1] hiervan in enigerlei mate op de hoogte was. Gelet hierop rechtvaardigt een belangenafweging dat de executie zal worden geschorst totdat in een bodemprocedure is beslist op de vordering tot opheffing van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom, onder bepaling dat de voorziening komt te vervallen indien [eiser 1] niet binnen twee maanden na heden een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt.

4.19. Het vorenstaande brengt tevens met zich dat opheffing van het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag vanwege het gestelde vexatoire karakter daarvan thans niet aan de orde is. Immers, voorshands kan niet gezegd worden dat het beslag als middel van verhaal, gelet op de omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, op zodanige buitenproportionele wijze is toegepast dat het daarom onrechtmatig is. Daarvoor dient de uitkomst van de nog aanhangig te maken bodemprocedure te worden afgewacht. De stelling van [eiser 1] dat hij niet de beschikking heeft over -kort gezegd- de beslagstukken leidt niet tot de conclusie dat het beslag als vexatoor moet worden aangemerkt.

4.20. Nu er gerede kans bestaat dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiser 1] niet in staat was en is om aan het vonnis van 19 april 2001 te voldoen zal de voorzieningenrechter -niettegenstaande het voorgaande- bij wijze van ordemaatregel [gedaagde 1] verbieden (verdere) executoriale maatregelen te nemen totdat in de bodemprocedure is beslist op de vordering tot opheffing van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom.

4.21. Ten aanzien van de gestelde nietigheid van het beslag geldt het volgende. De stelling van [eiser 1] dat het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag nietig dan wel vernietigbaar is wegens het ontbreken van een bevel tot betaling van de gevorderde dwangsommen is feitelijk onjuist en wordt om die reden gepasseerd. Immers, voorafgaand aan de executie van het vonnis van het 19 april 2001 is [eiser 1] bij brief van 28 juli 2003 (2.5.) door (de toenmalige advocaat van) [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van alle reeds verbeurde dwangsommen met ingang van 27 augustus 2001 over te gaan. Deze brief is op 31 juli 2003 aan [eiser 1] betekend.

4.22. De ter zitting namens [eiser 1] opgevoerde stelling dat het beslag niet is overbetekend is door de advocaat van [gedaagde 1] gemotiveerd weersproken onder vermelding van de datum van overbetekening van het beslag, 9 september 2003. Dat op die grond sprake zou zijn van nietigheid van het onder thans Achmea gelegde executoriale derdenbeslag is dan ook niet gebleken.

4.23. Omdat partijen tot elkaar in een familierelatie als omschreven in artikel 237 lid 1 tweede volzin Rv staan, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. schorst de executie van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsommen voor zover deze verbeurd zouden zijn, met ingang van heden totdat in een bodemprocedure is beslist op de vordering tot opheffing van die dwangsommen, onder bepaling dat de voorziening komt te vervallen indien [eiser 1] niet binnen twee maanden na heden een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt;

5.2. verbiedt [gedaagde 1] ten aanzien van de bij het vonnis van 19 april 2001 opgelegde dwangsom (verdere) executoriale maatregelen te nemen totdat in de bodemprocedure is beslist op de vordering tot opheffing van die dwangsom;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. compenseer de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2012.