Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX4573

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
10/750055-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cold case moord d.d. 28.12.94. Verdachte meldt zich eerst in maart 2011. Voorbedachte rade aanwezig nu verdachte het slachtoffer heeft gezien en via omweg naar het slachtoffer is gegaan. Aldus voldoende tijd voor rekenschap en gevolgen. Geen (voorwaardelijk) opzet op zware mishandeling voorbijganger nu verdachte daar, gelet op ruime afstand tot het slachtoffer, geen rekening mee heeft hoeven houden. Niet kan worden uitgesloten dat verdachte het delict onder invloed van een stoornis - chronische paranoïde schizofrenie - heeft gepleegd. Dat de mate van toerekening niet meer kan worden vastgesteld mag niet in het nadeel van verdachte zijn. Gelet hierop en tijdsverloop, lagere straf dan door OM geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750055-11

Datum uitspraak: 14 augustus 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Bij tussenvonnis d.d. 22 februari 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak naar de rechter-commissaris verwezen teneinde nader onderzoek te laten verrichten door de psycholoog en psychiater. Het onderzoek op de terechtzitting is voortgezet op 31 juli 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Boer heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord en de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 2

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het staat vast dat [slachtoffer 2] is getroffen door een kogel die de verdachte heeft afgevuurd. Zijn opzet daartoe was echter, ook in voorwaardelijke zin, niet aanwezig. Zoals hieronder nog zal worden overwogen, is vast komen te staan dat de verdachte meermalen gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten waardoor deze is komen te overlijden. De verdachte stond tijdens het schieten op ongeveer een meter van hem. [slachtoffer 2] stond toen enkele tientallen meter verderop aan de overkant van een brede straat. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte door aldus te handelen de aanmerkelijke kans tot het raken van [slachtoffer 2] willens en wetens heeft aanvaard. Eerder is sprake van een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 28 december 1994 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten

rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] met een vuurwapen heeft

neergeschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING TEN AANZIEN VAN FEIT 1

De raadsman bepleit vrijspraak van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord omdat geen sprake is van voorbedachte rade nu de verdachte in een opwelling heeft geschoten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer zag staan, dat hij vervolgens via een omweg - te weten via de Wibra, gelegen aan de overzijde van de straat - naar hem toe is gelopen en het vuurwapen uit zijn zak heeft gepakt. Toen hij op ongeveer twee meter afstand was van het slachtoffer heeft hij meerdere malen - tenminste zes keer, zo blijkt uit het sectierapport - op het slachtoffer geschoten. Deze verklaring van de verdachte lijkt betrouwbaar te zijn omdat zij op essentiële onderdelen wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Deze gedragingen van de verdachte brengen met zich dat, in elk geval al naar hun uiterlijke verschijningsvorm, de verdachte het slachtoffer niet alleen opzettelijk maar ook met voorbedachten rade heeft doodgeschoten. Zo heeft hij voldoende tijd gehad zich te beraden op zijn kennelijk genomen besluit om het slachtoffer neer te schieten. Hij heeft derhalve de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap gegeven.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte merkt de rechtbank het volgende op. Na de ontvangen nadere rapportages van de psycholoog en psychiater en de verklaringen die zij hebben afgelegd ter terechtzitting, heeft de rechtbank niet de opvatting bekomen dat de verdachte, gelijk zijn moeder suggereert in haar beide verklaringen, wellicht de onderhavige schietpartij tot de zijne heeft gemaakt terwijl dat niet het geval was. Integendeel, in de rapportages van de deskundigen en hun verklaringen ter terechtzitting valt voor die verklaring vrijwel geen ondersteuning te vinden.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

(impliciet primair)

1. moord.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op klaarlichte dag in een winkelstraat in Rotterdam, waar zich op dat moment een groot aantal personen bevond, [slachtoffer 1] van het leven beroofd. De verdachte is aan komen lopen, heeft een vuurwapen tevoorschijn gehaald en meerdere schoten op het slachtoffer afgevuurd. Het slachtoffer is door tenminste zes kogels getroffen. Als gevolg van deze verwondingen is het slachtoffer ter plaatse overleden.

De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk dat op leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte hierdoor veel verdriet en leed veroorzaakt bij de familie en nabestaanden van het slachtoffer. Zij hebben ruim 17 jaar moeten wachten op de ware toedracht rondom deze moord. Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2012 ten tijde van het plegen van de moord op [slachtoffer 1] een zogenaamde first-offender was.

De psychiater B.A. Blansjaar heeft twee rapportages over de verdachte opgemaakt d.d. 10 juni 2011 en 11 mei 2012. Deze rapportages houden onder meer het volgende in. De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van chronische paranoïde schizofrenie. Niet kan worden aangetoond, noch kan worden uitgesloten dat ten tijde van het ten laste gelegde al sprake was van psychotische ziekteverschijnselen. Geadviseerd wordt de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten indien het ten laste gelegde wordt bewezen. De kans op herhaling is waarschijnlijk enigermate verhoogd door de ziekelijke stoornis van de verdachte. Geadviseerd wordt de kans op herhaling te verlagen door de verdachte te verplichten mee te (blijven) werken aan ambulante psychiatrische behandeling en controle onder toezicht van de reclassering. Geadviseerd wordt hem daartoe te verplichten door bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf. De verdachte kan door de reclassering worden aangemeld bij een forensisch psychiatrische polikliniek of een GGZ-instelling.

De psycholoog heeft een drietal rapportages over de verdachte opgemaakt d.d. 27 juli 2011, 6 februari 2012 en 10 juli 2012. Deze rapportages houden onder meer het volgende in. De verdachte is lijdend aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de vorm van een ernstige schizotypische persoonlijkheidsstoornis met neiging tot psychotische schubs en verhoogde achterdocht. Er valt niet meer betrouwbaar vast te stellen hoe dat was ten tijde van het ten laste gelegde. Naast het tijdsverloop zijn elementen als de onnauwkeurigheid van de menselijke geheugenfunctie voor emoties en cognitieve processen hiervan de oorzaak. Geadviseerd wordt een zo lang mogelijk voorwaardelijk strafdeel op te leggen waarbij de verdachte zich onder behandeling stelt van een instelling uit het forensisch psychiatrisch circuit en gedurende de maximale proeftijd begeleiding ontvangt van de Reclassering Nederland.

Voorts heeft Reclassering Nederland een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 20 september 2011.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare.

Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte het delict onder invloed van zijn stoornis heeft gepleegd. Dat de mate van toerekenbaarheid thans niet meer kan worden vastgesteld mag niet in het nadeel van de verdachte wegen. Voorts houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds het delict is gepleegd. Tot slot spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te [woonplaats benadeelde partij], terzake het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert materiële schade. De benadeelde partij zal echter in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Groen, voorzitter,

en mrs. Van Lottum en Den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 augustus 2012.

Bijlage bij vonnis van 14 augustus 2012:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 28 december 1994 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten

rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] met een vuurwapen heeft

neergeschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden;

(art. 289 jo 287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij

op of omstreeks 28 december 1994 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] met een vuurwapen heeft

beschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(art. 287 jo art. 45 Wetboek van Strafrecht)