Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX4132

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
373198 / HA ZA 11-520
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht gevorderd dat overeenkomst niet is opgezegd. Schadevergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid. Uitleg overeenkomst. Opzegtermijnen. Tegenstrijdigheden bij taalkundige uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 373198 / HA ZA 11-520

Vonnis van 8 augustus 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONTROLE-EN EXPEDITIEBEDRIJF “GOLFSLAG” B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. L. van der Wijngaart,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEHNKERING LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.G.M. Roijers.

Partijen zullen hierna Golfslag en Lehnkering genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 november 2011 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte overlegging producties van Lehnkering, met producties;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van Golfslag;

- de conclusie na enquête van Golfslag;

- de antwoordconclusie na enquête van Lehnkering.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De hierna genoemde feiten vormen een compleet overzicht. De reeds in het tussenvonnis vastgestelde feiten zullen volledigheidshalve worden herhaald.

2.1. Golfslag exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met de expeditie en de op- en overslag van verschillende soorten goederen, alsmede controlewerkzaamheden met betrekking tot die goederen. De heer [A] (hierna: [A]) is (via [B]) bestuurder van Golfslag.

2.2. Lehnkering drijft een onderneming die zich bezig houdt met expeditie-, reders-, cargadoors- en stuwadoorswerkzaamheden en de handel in grondstoffen en andere artikelen. Verder drijft zij een controle-, bemonsterings- en opslagonderneming. Lehnkering is een dochteronderneming van de Duitse onderneming Lehnkering GmbH.

2.3. Golfslag en (de rechtsvoorganger van) Lehnkering werkten van 1978 tot 1997 met elkaar samen op basis van mondelinge afspraken. Golfslag verrichte tegen vergoeding aan Lehnkering operationele werkzaamheden en diensten en stelde materieel en personeel ter beschikking.

2.4. Golfslag houdt vanaf 1 maart 1992 kantoor in een gedeelte van de door Lehnkering gehuurde loods aan [adres]. Golfslag heeft haar vestiging aan [adres a] tot eind 1994 aangehouden, waarna zij deze locatie heeft verlaten en enkel handelde vanuit de kantoorruimte en de loods van Lehnkering.

2.5. Op initiatief van Lehnkering zijn de tussen partijen gemaakte mondelinge afspraken (met enkele aanpassingen) vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst van 1 oktober 1997 (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst vermeldt (voor zover relevant) het volgende:

“Preambule

Lehnkering heeft opslagruime gehuurd, grenzend aan het door haar gehuurde kantoorpand aan [adres]. Daarnaast heeft Lehnkering opslagruimte gehuurd op het terrein van Deka Stuwadoorsbedrijf B.V. aan [adres b], waarvoor afspraken gemaakt zijn.

Voor deze opslagruimten stelt Golfslag personeel ter beschikking, dat belast is met de operationele werkzaamheden in de loodsen.

Deze overeenkomst is een formalisering van de mondelinge afspraken gemaakt tussen Lehnkering en Golfslag sinds aanvang van en gedurende de huur van de opslagruimte te [plaats] vanaf 1 maart 1992 c.q. de opslagruimte te Rotterdam.

1 Duur van de overeenkomst voor de locatie [plaats]

1.1 De overeenkomst tussen Lehnkering en Golfslag wordt steeds aangegaan voor de periode van drie kalenderjaren. De overeenkomst wordt – behoudens opzegging conform punt 1.2 – telkenmale stilzwijgend met één jaar verlengd.

1.2 Op de overeenkomst is een opzegtermijn van zes maanden van kracht. De opzegging dient schriftelijk te geschieden.

(…)

3 Tussentijds opzegging

(…)

3.3 Mochten Golfslag en Lehnkering bij hun jaarlijkse tariefonderhandelingen niet tot overeenstemming komen is een verkorte opzegtermijn van twee maanden van kracht.

(…)

10 Tariefafspraken

Golfslag en Lehnkering komen jaarlijks in de maand november de tarieven voor het komende kalenderjaar overeen, die Golfslag aan Lehnkering voor de diverse onderdelen van de door haar uitgevoerde werkzaamheden in rekening zal brengen. Mochten beide partijen niet tot overeenstemming komen, zal de onder punt 3.3. verkorte opzegtermijn hierop van kracht zijn.”

2.6. Bij brief van 22 december 2009 stelt Lehnkering aan Golfslag een tariefverlaging van 50% voor. Deze brief vermeldt (voor zover relevant) het volgende:

“Middels dit schrijven delen wij u mede dat Lehnkering Logistics BV per 1 januari 2010 haar inkoopcondities met Golfslag zal veranderen.

Opdat de in opdracht van Lehnkering Logistics BV verrichte werkzaamheden door Golfslag BV ook in 2010 gecontinueerd kunnen worden, zien wij graag per omgaande uw bevestiging tegemoet dat de inkoopcondities tussen Lehnkering Logistics BV en Golfslag BV (tarieven tussen Golfslag en Lehnkering) met 50% gereduceerd zullen worden.

Graag zien wij een getekende kopie van deze brief voor eind van december 2009 tegemoet.”

2.7. Golfslag kan zich niet verenigen met de voorgestelde tariefverlaging en stuurt op 30 december 2009 Lehnkering een brief met de volgende inhoud (voor zover relevant):

“Verandering van inkoopcondities is voor ons een nieuwe fenomeen.

Wij respecteren contract met Lehnkering met name art. 10:

“Golfslag en Lehnkering komen jaarlijks in de maand november de tarieven voor het komende kalenderjaar overeen”.

Aangezien termijn verlopen is houden wij ons aan de huidige tarieven.”

2.8. Lehnkering stelt op 13 januari 2010 de brief van 6 januari 2010 ter hand aan Golfslag. Deze brief luidt (voor zover relevant) als volgt:

“Uw weigering een aanpassing te maken in de inkoopcondities tussen Lehnkering Logistics BV en Golfslag BV, dwingt Lehnkering Logistics BV ertoe zich te beroepen op artikel 3.3 van de overeenkomst.

(…)

Met inachtneming van deze opzegtermijn, zou de overeenkomst tussen Lehnkering en Golfslag op 28 februari 2010 eindigen.

Wij vragen u, uw standpunt met betrekking tot een verandering in inkoopcondities, te heroverwegen en zien uw bevestiging hieromtrent graag binnen 3 werkdagen tegemoet.”

2.9. Bij brief van 13 januari 2010 reageert Golfslag op de brief van Lehnkering. Deze brief vermeldt (voor zover relevant) het volgende:

“Delen uw mening in het geheel niet. Artikel 10 is duidelijk (onderhandelingen jaarlijks in november). Uw beroep op art. 3.3 waarmee u de spijker op zijn kop slaat:

“jaarlijkse tariefsonderhandelingen niet tot overeenstemming komen”

Vanaf de dag van ondertekening contract heeft Lehnkering nooit willen onderhandelen in november en dus zijn er ook geen “tariefsonderhandelingen” geweest.

ondanks ons mondelinge en schriftelijke verzoeken.(…)

Wij blijven derhalve bij ons standpunt.”

2.10. Op 23 februari 2010 zegt Lehnkering de overeenkomst mondeling en met onmiddellijke ingang op en verbiedt Golfslag per direct de toegang tot de kantoorruimte en de loods. Vervolgens vervangt Lehnkering de sloten van beide ruimtes. Lehnkering bevestigt dit bij haar brief van 24 februari 2010 aan Golfslag. Deze brief vermeldt (voor zover relevant) het volgende:

“Met verwijzing naar ons schrijven van 6 januari 2010 jl, bevestigen wij u middels deze brief de eenzijdige beëindiging van het contract per 23 februari 2010 door Lehnkering Logistics BV. Het betreft hier het bestaande contract tot dienstverlening tussen Golfslag BV en Lehnkering Logistics BV. Sleutel overgave heeft direct en terstond op 23 februari om 15:00 uur plaatsgevonden”

2.11. Sinds 23 februari 2010 heeft Lehnkering geen werkzaamheden meer aan Golfslag aangeboden.

2.12. De raadsman van Golfslag sommeert Lehnkering bij brief van 25 februari 2010 (verkort weergegeven) schriftelijk te bevestigen dat de overeenkomst door Lehnkering zal worden nagekomen door aan Golfslag toegang te verschaffen tot de kantoorruimte en de loods en Golfslag van werk te voorzien.

2.13. Op 9 maart 2010 bericht de raadsman van Lehnkering aan Golfslag bij aangetekende brief (voor zover relevant) als volgt:

“Primair stelt cliënte zich op het standpunt dat de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd en dat uw cliënte niet meer tot het werk wordt toegelaten omdat de overeenkomst is gestaakt. Voor het geval een rechter de opzegging per 24 februari 2010 niet rechtsgeldig zou oordelen, zeg ik hierbij namens Lehnkering Logistics B.V. de overeenkomst op met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden en, beschouwend lid 2 van artikel 1.1 van het contract waarin is opgenomen dat de overeenkomst telkens voor één jaar wordt verlengd, tegen 1 oktober 2010.”

2.14. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft (naar aanleiding van de dagvaarding van Golfslag van 5 maart 2010) in zijn vonnis van 8 april 2010 beslist dat Lehnkering onder laste van een dwangsom binnen 48 uur na betekening van het vonnis Golfslag de toegang tot de kantoorruimte en de loods dient te verlenen en een voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,-- aan Golfslag dient te betalen. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot het verlenen van toegang aan Golfslag tot de kantoorruimte en de loods voor de duur van de overeenkomst afgewezen.

2.15. Golfslag verstuurde aan Lehnkering over de periode december 2008 tot en met februari 2010 facturen voor een totaalbedrag van € 15.356,04. Lehnkering verstuurde aan Golfslag over de periode september 2008 tot en met maart 2010 facturen voor een totaalbedrag van € 7.914,57. Lehnkering heeft op 16 juni en 24 augustus 2010 € 4.532,05 respectievelijk € 2.170,-- aan Golfslag voldaan. Beide partijen hebben, ondanks sommaties, niet alle factuurbedragen aan elkaar voldaan.

2.16. Op de dagvaarding van Golfslag van 5 november 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 20 december 2010 Lehnkering veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis € 12.500,-- ter zake een voorschot voor schadevergoeding aan Golfslag te voldoen. De rest van het gevorderde voorschot van € 144.932,29 en de vordering voor onbetaalde facturen van € 14.086,27 zijn afgewezen.

3. Het geschil

3.1. Golfslag vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

? te verklaren voor recht dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd per 24 februari 2010 of per 1 oktober 2010 en thans nog onverkort in stand is;

? Lehnkering te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan haar te betalen het bedrag van € 222.641,34, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding voor de periode van 23 februari 2010 tot en met 11 februari 2011, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 11 februari 2011 tot aan de dag der voldoening;

? Lehnkering te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 21.245,58 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding voor elke maand na 11 februari 2011 dat Lehnkering in gebreke blijft met de nakoming van de overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot aan de dag der voldoening;

subsidiair

? Lehnkering te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan haar te betalen het bedrag van € 44.141,66, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding voor de periode van 23 februari 2010 tot en met 11 februari 2011, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 11 februari 2011 tot aan de dag der voldoening;

? Lehnkering te veroordelen tot betaling van het bedrag van 4.414,-- per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding voor elke maand na 11 februari 2011 dat Lehnkering in gebreke blijft met de nakoming van de overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot aan de dag der voldoening;

primair en subsidiair

? Lehnkering te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan haar te betalen een bedrag van € 9.635,33, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de door Golfslag in opdracht van Lehnkering verrichte werkzaamheden en wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 11 februari 2011 tot aan de dag der voldoening;

? Lehnkering te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan Golfslag te betalen een bedrag van € 4.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

? Lehnkering te veroordelen tot betaling van de proceskosten;

? Indien de rechtbank van oordeel is dat de overeenkomst is beëindigd, Lehnkering te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan Golfslag te betalen een bedrag van € 105.940,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot aan de dag der voldoening.

3.2. Lehnkering concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Golfslag in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van Golfslag zijn gebaseerd op de overeenkomst. Voor de beoordeling van deze vorderingen dient de beëindigingdatum van de overeenkomst te worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst is aangegaan per 1 oktober 1997 voor een periode van drie jaar. Partijen twisten echter wel over de periode waarmee de overeenkomst steeds stilzwijgend is verlengd en de opzeggingsmogelijkheden van de overeenkomst. Deze geschilpunten zullen hierna worden besproken. De rechtbank ziet aanleiding eerst in te gaan op de in artikel 10 jo. 3.3 van de overeenkomst genoemde opzegtermijn van twee maanden (hierna: de korte opzegtermijn). Vervolgens zullen de termijn waarmee de overeenkomst steeds wordt verlengd en de in artikel 1.2 van de overeenkomst genoemde opzegtermijn van zes maanden (hierna: de lange opzegtermijn) aan de orde komen. Daarna zal worden besproken of Lehnkering schadeplichtig is en (indien Lehnkering schadeplichtig is) hoe hoog deze schade is.

De korte opzegtermijn van artikel 10 jo. 3.3 van de overeenkomst

4.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of Lehnkering de overeenkomst heeft kunnen opzeggen met inachtneming van de korte opzegtermijn. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Partijen hebben afgesproken, zoals is vermeld in artikel 10 van de overeenkomst, dat zij jaarlijks in de maand november de tarieven voor het komende jaar vaststellen. Indien partijen hierover niet tot overeenstemming kunnen komen, is op grond van artikel 3.3 van de overeenkomst de korte opzegtermijn van toepassing. Gelet op de plaats van dit artikel in de overeenkomst, namelijk in hoofdstuk 3 van de overeenkomst genaamd: “Tussentijdse opzegging”, is de rechtbank van oordeel dat dit artikel de mogelijkheid geeft de overeenkomst tussentijds, gedurende de looptijd van de overeenkomst, te beëindigen. De rechtbank overweegt dat de korte opzegtermijn (twee maanden) aanzienlijk korter is dan de lange opzegtermijn (zes maanden), waardoor dit artikel strikt dient te worden toegepast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen nooit de gewoonte hadden om over tarieven te onderhandelen.

4.3. Voorwaarde voor het inroepen van de korte opzegtermijn is dat partijen in november onderhandelen over de tarieven voor het komende jaar. Hieraan is in het onderhavige geval niet voldaan. Lehnkering heeft immers pas op 22 december 2009 (en niet in november 2009) aan Golfslag een brief over een wijziging van tarieven gestuurd. Nu Lehnkering zich reeds om voornoemde reden niet kan beroepen op de korte opzegtermijn uit artikel 3.3 van de overeenkomst, kan in het midden blijven op welke wijze de bewoordingen “tot overeenstemming komen” uit artikel 10 van de overeenkomst dienen te worden uitgelegd.

4.4. Lehnkering heeft verder aangevoerd dat door de onenigheid over de tarieven de relatie tussen partijen eind 2009 zodanig is verstoord dat niet kan worden verwacht dat de overeenkomst nog doorgang vindt. Partijen hebben echter afspraken gemaakt over de beëindiging van de overeenkomst in het geval zij geen overeenstemming zouden bereiken over de tarieven voor het komende jaar. Nu Lehnkering zich niet aan die in de overeenkomst neergelegde afspraken heeft gehouden en geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die maken dat de overeenkomst toch geacht moet worden te zijn beëindigd zonder rekening te houden met de lange opzegtermijn, valt niet goed in te zien waarom de overeenkomst op het door Golfslag gewenste moment als beëindigd moet worden beschouwd.

De termijn waarmee de overeenkomst wordt verlengd ex artikel 1.1 van de overeenkomst

4.5. Nu Lehnkering de overeenkomst niet tussentijds heeft kunnen opzeggen met inachtneming van de korte opzegtermijn, gaat de rechtbank vervolgens in op de termijn waarmee de overeenkomst steeds wordt verlengd. Deze verlengingstermijn is van belang, omdat de overeenkomst steeds kan worden opgezegd per het einde van die termijn, rekening houdend met de lange opzegtermijn.

4.6. Artikel 1.1 regelt met welke termijn de overeenkomst wordt verlengd. Partijen verschillen echter van mening over de uitleg van dit artikel. Volgens Golfslag wordt de overeenkomst op basis van dit artikel steeds verlengd met drie jaar, terwijl Lehnkering zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst steeds wordt verlengd met één jaar.

4.7. In het tussenvonnis is Golfslag toegelaten tot het leveren van het bewijs van haar stelling dat met Lehnkering in 1997 is afgesproken dat de overeenkomst voor drie jaar is aangegaan en dat deze steeds met drie jaar zou worden verlengd. Golfslag heeft als getuigen doen horen [A] (directeur/logistiek manager en indirect bestuurder van Golfslag) en mevrouw [B] (werkneemster bij Lehnkering, hierna: [B]). Lehnkering heeft geen getuigen laten horen in contra-enquête.

4.8. Voor het antwoord op de vraag hoe artikel 1.1 moet worden uitgelegd, komt het niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gewicht dat wordt toegekend aan de taalkundige betekenis van de bepalingen van een contract respectievelijk aan de betekenis die partijen zelf aan de bewoordingen toekennen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Verder is voor de uitleg beslissend wat de omstandigheden van het concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.9. In artikel 1.1 van de overeenkomst staat zowel dat de overeenkomst steeds wordt aangegaan voor een periode van drie kalenderjaren als dat de overeenkomst telkenmale met één kalenderjaar (behoudens opzegging) wordt verlengd. Op dit punt is het artikel innerlijk tegenstrijdig, waardoor enkel uit de tekst niet op te maken is met welke termijn de overeenkomst wordt verlengd.

4.10. Hoewel de bewijslast van de stelling dat de overeenkomst steeds met drie jaar wordt verlengd op Golfslag rust, ziet de rechtbank aanleiding eerst op het door Lehnkering aangevoerde in te gaan. Lehnkering heeft haar stelling (dat de overeenkomst steeds met één jaar wordt verlengd) onderbouwd door te verwijzen naar de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Volgens Lehnkering is de innerlijke tegenstrijdigheid in de overeenkomst ontstaan doordat wijzigingen in eerdere conceptversies van de overeenkomst onjuist zijn doorgevoerd. Zij heeft bij akte twee conceptversies van de overeenkomst ter onderbouwing van haar stelling overgelegd. De rechtbank overweegt dat, ongeacht of Golfslag deze twee conceptversies daadwerkelijk onder ogen heeft gekregen en of Lehnkering meer conceptversies zou bezitten, deze conceptversies inzicht kunnen geven in het ontstaan van de tegenstrijdige tekst van artikel 1.1 van de overeenkomst. In één van deze versies luidt artikel 1.1: “De overeenkomst tussen LMN en Golfslag gaat in op de dag der ondertekening ervan door beide partijen en wordt steeds aangegaan voor de periode van één kalenderjaar. De overeenkomst wordt – behoudens opzegging conform punt 1.2 – telkenmale stilzwijgend met één jaar verlengd.” In de andere versie is “op de dag der ondertekening door beide partijen en wordt” weggestreept en in de kantlijn staat erbij geschreven “1 oktober 1997 en wordt”. Ook is “één” vervangen door “drie”. Met het doorvoeren van deze wijzigingen wordt de concepttekst van artikel 1.1 gelijk aan artikel 1.1 van de overeenkomst en is het artikel tegenstrijdig geworden doordat “steeds” in de eerste zin is blijven staan. De bedoeling van partijen was dan echter wel dat de overeenkomst werd aangegaan voor drie jaar en vervolgens telkens met één jaar werd verlengd. De rechtbank acht het voorgaande aannemelijker dan dat partijen de overeenkomst hebben willen verlengen met steeds drie jaar. Zij hebben dan namelijk de tweede volzin uit artikel 1.1 over het hoofd gezien (te weten “De overeenkomst wordt – behoudens opzegging conform punt 1.2 – telkenmale stilzwijgend met één jaar verlengd.”). Te meer nu partijen tijdens de contractsonderhandelingen juist hebben gesproken over de termijnen waarmee de overeenkomst werd verlengd.

Tegenover dit onderbouwde betoog van Lehnkering, stelt Golfslag dat de overeenkomst steeds met drie jaar wordt verlengd. Deze stelling is enkel onderbouwd met de getuigenverklaring van [A]. [A] heeft echter als bestuurder van Golfslag de onderhandelingen met Lehnkering gevoerd en belangen bij toewijzing van de vorderingen van Golfslag, waardoor hij een met een partijgetuige vergelijkbare status heeft en zijn verklaring slechts aanvullende werking heeft. De verklaring van [A] wordt niet gesteund door de getuigenverklaring van [B] en wordt niet bevestigd met door Golfslag in het geding gebrachte stukken. Golfslag heeft daardoor, gelet op het voorgaande, niet bewezen dat de overeenkomst steeds met drie jaar wordt verlengd. De rechtbank gaat er in haar verdere beoordeling vanuit dat de overeenkomst steeds met één jaar wordt verlengd.

4.11. Ten aanzien van de stelling van Golfslag dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat de overeenkomst telkens met drie jaar zou worden verlengd overweegt de rechtbank als volgt. Partijen werkten reeds vóór de totstandkoming van de overeenkomst met elkaar samen. In 1997 zijn zij in overleg getreden en hebben zij de bestaande mondelinge afspraken schriftelijk vastgelegd in de overeenkomst. De overeenkomst wijkt op twee punten af van de eerder gemaakte mondelinge afspraken: de verlengingstermijn (van artikel 1.1 van de overeenkomst) en de korte opzegtermijn (van artikel 3.3 van de overeenkomst). Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat partijen tijdens de contractonderhandelingen met name hebben gesproken over de verlengingstermijn. [A] heeft verklaard dat hij de overeenkomst op het moment van ondertekening ten aanzien van de duur en verlenging verwarrend vond. Toch heeft hij, nadat [B] tegen hem heeft gezegd dat partijen in goed vertrouwen zaken deden, de overeenkomst getekend. Dit terwijl [A] wist dat Lehnkering een kortere verlengingstermijn wilde dan hij voor ogen had. Daarnaast heeft [A] tijdens de onderhandelingen aan Lehnkering verzocht om aanpassing van artikel 1.1 van de conceptovereenkomst. [A] verklaart echter dat hij de overeenkomst vervolgens heeft getekend zonder dit artikel door te lezen. Hij heeft dus niet gecontroleerd of de aanpassingen daadwerkelijk waren doorgevoerd, terwijl het juist in zijn belang en op zijn verzoek was dat de overeenkomst werd aangepast. Een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen gaat dan niet op.

Verder stelt Golfslag dat zij ervan uitging dat de termijn steeds met drie jaar werd verlengd, omdat dan nog kon worden “mee gehobbeld” met de huurtermijn van vijf jaar van de loods in [plaats]. Nu Golfslag dit niet nader heeft onderbouwd en nergens uit kan worden afgeleid wat Golfslag hiermee precies heeft bedoeld, gaat de rechtbank ervan uit dat met “mee hobbelen” wordt bedoeld dat de termijnen gelijk blijven lopen. Aangezien de termijn van de huurtermijn en de termijn waarmee de overeenkomst steeds werd verlengd niet gelijk zijn, valt niet in te zien hoe van “mee hobbelen” sprake zou kunnen zijn. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling van Golfslag voorbij.

4.12. De rechtbank gaat daarnaast voorbij aan de stelling van Golfslag dat de onduidelijkheid en innerlijke tegenstrijdigheid van artikel 1.1 van de overeenkomst voor rekening van Lehnkering zou moeten komen, omdat Golfslag niet werd bijgestaan door een jurist en de overeenkomst door Lehnkering is opgesteld. De tekst van artikel 1.1 van de overeenkomst komt de rechtbank niet zo gecompliceerd voor dat een niet juridisch geschoold persoon deze niet zou kunnen begrijpen. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst door Lehnkering is opgesteld maakt, zonder nadere motivering, niet dat tegenstrijdigheden voor risico van Lehnkering zouden moeten komen.

4.13. Nu het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen wordt gepasseerd en ook de andere stellingen van Golfslag op dit punt zijn weerlegd, overweegt de rechtbank dat de overeenkomst steeds (per 1 oktober van dat jaar) werd verlengd met één jaar.

De lange opzegtermijn van artikel 1.2 van de overeenkomst

4.14. De overeenkomst kan, conform artikel 1.2 van de overeenkomst en de stellingen van partijen, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden schriftelijk worden opgezegd per het einde van de contractsperiode. Lehnkering verwijst voor de schriftelijke opzegging zowel naar haar brief van 23 februari 2010 als naar haar brief van 9 maart 2010. Golfslag heeft niet betwist deze brieven te hebben ontvangen en beide brieven zijn meer dan zes maanden vóór 1 oktober 2010 verstuurd. De overeenkomst is dus, met inachtneming van de termijn van zes maanden, opgezegd per 1 oktober 2010.

Schadevergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid

4.15. Golfslag stelt dat Lehnkering gehouden is tot schadevergoeding, ook al is de overeenkomst rechtsgeldig beëindigd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. Zij stelt daartoe dat de overeenkomst (ook al is rekening gehouden met de opzegtermijn van zes maanden), gelet op de omstandigheden van het geval, abrupt is geëindigd.

4.16. Partijen zijn een opzegtermijn van zes maanden overeengekomen. De rechtbank leidt daaruit af dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst deze opzegtermijn, gelet op de kenmerken van hun samenwerking, passend vonden. Golfslag heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op basis waarvan Lehnkering rekening houdend met deze opzegtermijn, toch schadeplichtig is. De door Golfslag aangevoerde omstandigheden vallen allen onder het kenmerk van de samenwerking tussen partijen, namelijk dat Golfslag uiteindelijk vrijwel alleen maar voor Lehnkering werkzaam was en steeds minder andere klanten had en leveren geen schending van de redelijkheid en billijkheid op.

4.17. Gelet op het voorgaande, is Lehnkering niet schadeplichtig door de overeenkomst op te zeggen met inachtneming van de lange opzegtermijn.

Schadevergoeding wegens niet nakomen van de overeenkomst

4.18. Volgens Golfslag rust op Lehnkering een schadevergoedingsplicht, omdat zij vanaf 23 februari 2010 tot aan de beëindiging van de overeenkomst (1 oktober 2010) geen werk meer aan haar heeft aangeboden. Lehnkering betwist echter dat zij op basis van de overeenkomst verplicht was werk aan te bieden aan Golfslag. Nadat is beoordeeld of Lehnkering schadeplichtig is wegens niet nakoming van de overeenkomst, zal (indien Lehnkering daadwerkelijk aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade) de hoogte van de schade aan de orde komen.

4.19. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn gedurende de looptijd van de overeenkomst gehouden tot nakoming daarvan. De overeenkomst bepaalt in artikel 6 en 7 van de overeenkomst uitdrukkelijk dat Golfslag materieel en personeel aan Lehnkering beschikbaar dient te stellen voor het uitvoeren van operationele werkzaamheden in de loods. Het doel van een opzegtermijn in gevallen als deze, waarbij de ene partij voor het behalen van haar omzet in sterke mate afhankelijk is van de opdrachten van de andere partij, is dat eerstgenoemde partij de gelegenheid heeft om gedurende de opzegtermijn op zoek te gaan naar andere opdrachtgevers, zodat hij gedurende die opzegtermijn een zodanig inkomen kan opbouwen met opdrachten van derden dat deze partij na het verstrijken van de opzegtermijn kan voortbestaan. Zonder de verplichting van Lehnkering om gedurende deze periode werk aan te blijven bieden aan Golfslag, heeft de opzegtermijn geen waarde. Lehnkering was daarom gedurende de opzegtermijn verplicht aan Golfslag werk aan te bieden.

4.20. Lehnkering heeft echter vanaf 23 februari 2010 geen werkzaamheden meer aan Golfslag aangeboden. Lehnkering is hiermee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Lehnkering is verplicht de schade van Golfslag te vergoeden die zij heeft geleden doordat Lehnkering gedurende de periode 23 februari 2010 tot 1 oktober 2010 geen werk meer aan Golfslag heeft aangeboden. Voorwaarde hiervoor is echter wel dat Lehnkering in verzuim is komen te verkeren. Naast dat partijen ervan uit lijken te gaan dat dit Lehnkering daadwerkelijk het geval is, is Lehnkering tevens door de brief van 24 februari 2010 (zonder ingebrekestelling) in verzuim komen te verkeren. Uit deze brief kan immers worden afgeleid dat Lehnkering de overeenkomst niet zou nakomen.

4.21. De rechtbank stelt bij de schadebepaling voorop dat de omvang van de schade die moet worden vergoed door Lehnkering dient te worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen, enerzijds, de hypothetische situatie waarin Golfslag zou hebben verkeerd bij nakoming van de overeenkomst door Lehnkering en, anderzijds, de situatie waarin Golfslag zich in de periode van 23 februari tot 1 oktober 2010 feitelijk heeft bevonden. Het dient te gaan om het financieel voordeel dat Golfslag door de niet nakoming van Lehnkering heeft misgelopen in de periode van 23 februari 2010 tot 1 oktober 2010, uitgaande van de gebruikelijke marges die zij behaalde op de door Lehnkering aangeboden werkzaamheden en de door haar gemaakte kosten. Dit financieel voordeel betreft het netto voordeel, ofwel het resultaat na aftrek van de kosten en lasten die aan het verkrijgen daarvan verbonden zijn geweest.

4.22. Golfslag stelt dat de gemiddelde winst per maand € 4.414,17 per maand bedraagt (berekend over de jaren 2007, 2008 en 2009). Ter onderbouwing daarvan heeft Golfslag stukken overgelegd als productie 25 bij dagvaarding, te weten: een overzicht van de winst- en verliesrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2009, een opstelling van de kosten gedurende de periode 23 februari tot en met 30 september 2010 en een e-mailbericht van de heer [C] (namens het accountants, administratie- en belastingadviseurkantoor [Z] Accountants) aan [A] van 22 februari 2010. In dit laatstgenoemde e-mailbericht worden de totaalbedragen van de aan Lehnkering verzonden facturen over de jaren 2005 tot en met 2009 vermeld.

Lehnkering betwist de door Golfslag gevorderde winst. Zij voert aan dat het door Golfslag overgelegde overzicht van de winst- en verliesrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2009 niet met stukken is onderbouwd. Verder heeft Golfslag niet onderbouwd hoe zij tot het bedrag van € 4.414,17 is gekomen en heeft Golfslag over het jaar 2009 verlies geleden, aldus Lehnkering. Lehnkering betoogt verder dat bij de vaststelling van het schadebedrag rekening gehouden moet worden met de vermindering in volume van de op- en overslag, een efficiencyslag in de loods en verschillende kosten.

4.23. De rechtbank overweegt dat Lehnkering de door Golfslag gevorderde schadevergoeding gemotiveerd heeft betwist. Naast de stellingen in de dagvaarding en het verweer in de conclusie van antwoord, is de schadevergoeding in deze procedure verder nog niet aan de orde geweest. De rechtbank ziet daarom aanleiding een comparitie van partijen te gelasten om verdere inlichtingen te verkrijgen en te bezien of tussen partijen een schikking kan worden getroffen. De rechtbank merkt daarbij op dat op Golfslag – conform de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – de bewijslast rust van de omvang van de schade. Ter voorbereiding op de zitting wordt Golfslag verzocht toe te zenden een met stukken onderbouwd overzicht van de door haar gevorderde schade, waarbij rekening dient te worden gehouden met de onder 4.21 genoemde uitgangspunten.

4.24. Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen, alsmede het onder 4.23 genoemde overzicht, dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

Facturen

4.25. Golfslag vordert voldoening van de over de periode december 2008 tot en met februari 2010 aan Lehnkering verstuurde facturen. Het betreft tien facturen met een openstaand bedrag (rekening houdend met de door Lehnkering gedane betalingen en vermeerderd met rente) van € 9.635,33.

4.26. Lehnkering heeft de facturen slechts gedeeltelijk betwist.

Ten aanzien van de facturen met de nummers 59104, 60050 60073 voor een totaalbedrag van € 2.170,-- heeft Lehnkering de verschuldigdheid erkend. Op 24 augustus 2010 heeft Lehnkering dit bedrag aan Golfslag overgemaakt.

Ook de verschuldigdheid van de facturen met de nummers 61006, 61007, 61009, 61010 en 61011 is door Lehnkering erkend. Zij heeft echter deze facturen voor in totaal € 13.186,05 verrekend met haar aan Golfslag gerichte facturen (met de nummers 300610907, 300619957, 300619489 en 300437842 voor een totaalbedrag van € 7.914,57) en het resterende bedrag van € 4.532,05 op 16 juni 2010 aan Golfslag voldaan.

Alleen de factuur met nummer 61015 van 2 augustus 2010 ad € 1.731,45 wordt daadwerkelijk door Lehnkering betwist.

4.27. De rechtbank overweegt dat deze vordering, behalve in de dagvaarding en de conclusie van antwoord, in deze procedure verder niet aan de orde is geweest. Deze kan aan de orde komen tijdens de onder 4.23 gelaste comparitie van partijen. De rechtbank merkt daarbij op dat op Golfslag – conform de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – de bewijslast rust van de verschuldigdheid en hoogte van de facturen. De bewijslast van het verweer van Lehnkering dat Golfslag andere facturen aan haar verschuldigd is rust op Lehnkering. Daarbij wijst de rechtbank Lehnkering op artikel 6:136 BW op grond waarvan de rechtbank de vordering (ondanks een beroep op verrekening) kan toewijzen indien de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

4.28. Alle overige beslissingen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank,

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.J.J. van Rijen in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op vrijdag 26 september 2012 van 15:00 tot 16:30 uur;

5.2. bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - sector civiel recht, afdeling plannings¬administratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer: 010-2972518 -om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de maanden september tot en met november 2012;

5.4. bepaalt dat partijen de hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam (faxnummer 010-2972518) - en aan de wederpartij zullen toezenden;

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.

2057/135