Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX3789

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
404249 / HA RK 12-462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Op grond van de omstandigheid dat in het vonnis d.d. 22 juni 2012 in de zaak met zaaknummer (...) uitdrukkelijk een oordeel is gegeven over de geloofwaardigheid van hetgeen verzoeksters naar voren hebben gebracht, gevoegd met het niet zeer gebruikelijke procesverloop - ondanks het feit dat de met bewijs belaste partij geen bewijs had bijgebracht achtte de rechter de stellingen van die partij (toch) voorshands bewezen -, is de wrakingskamer van oordeel dat bij verzoeksters de vrees heeft kunnen postvatten dat de rechter door zich in het eindvonnis van 22 juni 2012 in de hiervoor geciteerde expliciete bewoordingen uit te laten over verzoeksters zich een oordeel heeft gevormd over de geloofwaardigheid van verzoeksters en dat bij het beoordelen van verklaringen in de onderhavige en vergelijkbare zaak dat eerder gegeven negatieve oordeel - bewust of onbewust - een rol zou kunnen spelen. Die vrees van verzoeksters is onder de gegeven omstandigheden naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/433

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 7 augustus 2012

Zaaknummer: 404249

Rekestnummer: HA RK 12-462

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V.,

gevestigd te [plaats van vestiging] en

2. [naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoeksters,

gemachtigde: mr. F.A.M. Bruins, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

strekkende tot wraking van [naam kantonrechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

De rechter behandelt de tussen [naam eiseres] B.V. (nader te noemen: [naam eiseres]) en verzoeksters aanhangige procedure met zaaknummer 1214999 \ CV EXPL 11-12602 (nader te noemen: de civielrechtelijke procedure).

Bij fax van 27 juni 2012 hebben verzoeksters de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het dossier van de civielrechtelijke procedure;

- de fax van de gemachtigde van verzoeksters aan de sector kanton d.d. 27 juni 2012, inhoudende het wrakingsverzoek;

- het vonnis dat de rechter op 22 juni 2012 gewezen heeft in de procedure tussen

[naam wederpartij] tegen verzoekster sub 1 met zaaknummer 1226130 CV EXPL 11-19355.

Verzoeksters, de rechter en de gemachtigde van [naam eiseres] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. Bij brief van 10 juli 2012 heeft de rechter van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 24 juli 2012, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen [naam verzoekster] (nader te noemen: [naam verzoekster]), mede namens verzoekster sub 1, met haar gemachtigde. De rechter is - zoals aangekondigd in haar brief van 10 juli 2012 - niet ter zitting verschenen. Verzoeksters hebben hun standpunt nader toegelicht. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

2. Inleidende opmerkingen

[Naam eiseres] heeft verzoeksters ter zake een vordering tot betaling van hotelkosten gedagvaard. Verzoeksters betwisten dat zij partij zijn bij de door [naam eiseres] gestelde overeenkomst. Zij stellen dat zij slachtoffer zijn geworden van oplichtingspraktijken gepleegd door de heer [X] (nader te noemen: [X]). Bij vonnis van 9 december 2011 is [naam eiseres] toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij een overeenkomst ter zake hotelovernachtingen en het gebruiken van maaltijden in het [naam] Hotel met verzoeksters heeft gesloten. Bij op 30 januari 2012 ter griffie ontvangen akte uitlating heeft [naam eiseres] gesteld niet te kunnen voldoen aan de hiervoor bedoelde bewijsopdracht. Vervolgens is bij vonnis van 9 maart 2012 een comparitie van partijen gelast. Nadat partijen bij die gelegenheid uitvoerig inlichtingen hebben gegeven, heeft de rechter te kennen gegeven dat zij de stelling van [naam eiseres] voorshands bewezen acht en dat verzoeksters in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren. Bij akte uitlaten tegenbewijs d.d. 24 april 2012 hebben verzoeksters aangegeven getuigen te willen doen horen, waaronder [naam verzoekster]. Het getuigenverhoor was bepaald op woensdag 27 juni 2012 te 14.30 uur.

Op 22 juni 2012 heeft de rechter uitspraak gedaan in de procedure tussen [naam wederpartij] tegen verzoekster sub 1 met het hiervoor genoemde zaaknummer, waarbij [naam] B.V. werd vertegenwoordigd door haar bestuurder en enig aandeelhouder verzoekster sub 2, [naam verzoekster]. In die procedure heeft [naam wederpartij] de veroordeling van verzoekster sub 1 gevorderd tot betaling van de door haar gekochte meubels, die volgens [naam wederpartij] op 29 november 2009 aan haar geleverd zijn. Ook in die zaak heeft verzoekster sub 1 de gestelde overeenkomst betwist en daarbij aangevoerd dat zij slachtoffer is geworden van de oplichtingspraktijken van [X]. Bij tussenvonnis van 14 oktober 2011 heeft de rechter [naam wederpartij] toegelaten tot het bewijs van de gestelde koopovereenkomst en de levering van de meubels op genoemde datum op het adres van verzoekster sub 2.

In het eindvonnis van 22 juni 2012 heeft de rechter onder meer als volgt overwogen:

"2.3. Volgens [naam verzoekster] is de verklaring van [W] onjuist. Zij heeft op de comparitie van partijen opgemerkt dat zij in het geheel niet bekend was met de firma [B]. Tijdens de contra-enquĂȘte heeft [naam verzoekster] echter verklaard dat zij geen zaken heeft gedaan met [B] omdat dat te duur zou zijn. Hieruit volgt dat [naam verzoekster] kennelijk wel bekend was met [B]. De tegenstrijdige opmerkingen van [naam verzoekster] doen af aan de geloofwaardigheid van het verweer van [naam verzoekster sub 1]."

"2.8. Nog daargelaten dat een dienstverband bij [Y] niet hoeft uit te sluiten dat [naam verzoekster] naar het pand van [naam verzoekster sub 1] is gegaan om de meubels in ontvangst te nemen ([naam wederpartij] en [Z] hebben immers verklaard dat [naam verzoekster] in haar witte BMW kwam aanrijden), acht de kantonrechter de lezing van [naam verzoekster] niet geloofwaardig. (...)"

"Conclusie

2.10. (...) [naam verzoekster sub 1] heeft slechts gesuggereerd dat een en ander te maken zou hebben met oplichting door [X], maar heeft dit op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat het verweer van [naam verzoekster sub 1] op bepaalde punten tegenstrijdig en ongeloofwaardig is, zoals haar in een zeer laat stadium aangevoerde verweer dat de goederen niet bij [naam verzoekster sub 1] afgeleverd kunnen zijn, omdat [naam verzoekster sub 1] in die periode gesloten was en [naam verzoekster] bij [Q] werkte."

In voornoemde overwegingen hebben verzoeksters aanleiding gezien het wrakingsverzoek in te dienen.

3. Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoeksters - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

In de civielrechtelijke procedure is een getuigenverhoor bepaald, waarbij [naam verzoekster], mevrouw [B] en de heren [C] en [D] als getuigen zullen worden gehoord. In de procedure met zaaknummer 1226130 \ CV EXPL 11-19355, waarbij [naam verzoekster] tevens betrokken was en als getuige gehoord is, is op 22 juni 2012 vonnis gewezen. Beide zaken betreffen een soortgelijk feitencomplex: ze houden beide verband met de oplichting door [X] tegen wie verzoeksters ook aangifte hebben gedaan. In beide zaken betwisten verzoeksters dat zij de door de eisende partij gestelde overeenkomst gesloten hebben. In voornoemd vonnis heeft de rechter geoordeeld dat [naam verzoekster sub 1] B.V. op bepaalde punten tegenstrijdig en ongeloofwaardig is. Dit oordeel kan nadelig zijn voor de beoordeling van de nog af te leggen getuigenverklaringen van [naam verzoekster], [B] en de heren [C] en [D]. Thans zijn er vier soortgelijke zaken aanhangig, waarvan de rechter er twee behandelt. De in voornoemd vonnis geoordeelde ongeloofwaardigheid van verzoeksters speelt in alle zaken mee.

2.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust en voert hiervoor in haar brief d.d. 10 juli 2012 - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Hetgeen de gemachtigde van verzoeksters naar voren brengt, kan in redelijkheid niet als een wrakingsgrond in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden uitgelegd. In het vonnis van 22 juni 2012 in de zaak met zaaknummer 1226130 \ CV EXPL 11-19355 is niet geoordeeld dat [naam verzoekster sub 1] B.V. (of [naam verzoekster]) op bepaalde punten tegenstrijdig en ongeloofwaardig is. Wel is overwogen dat het verweer van [naam verzoekster sub 1] B.V. op bepaalde punten tegenstrijdig en ongeloofwaardig is. Dat is een belangrijk verschil. Als rechter geef ik geen oordeel over (de geloofwaardigheid) van een partij, maar over de geloofwaardigheid / tegenstrijdigheid / consistentie / coherentie van diens stellingen of verweer. Indien partijen het niet eens zijn met het vonnis, kunnen zij in hoger beroep gaan. Voor zover de gemachtigde van verzoeksters heeft bedoeld te veronderstellen dat ik de feiten of omstandigheden in voormelde zaak zou laten meewegen in de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan, is deze suggestie nergens op gestoeld. De uitspraak in genoemde zaak is gebaseerd op de in die zaak betreffende stellingen en weren. Er is sprake van een andere eiser en een ander feitencomplex. Deze zaak heeft dan ook niets van doen met de thans lopende procedure. Ik heb deze zaak op zijn eigen merites beoordeeld. Dat is mijn taak als rechter, een taak die ik gewetensvol uitvoer. Er is dan ook geen grond om mijn onpartijdigheid als rechter in twijfel te trekken. Dat ik een eindoordeel heb gegeven in een andere zaak, waarbij dezelfde gedaagden zijn betrokken, acht ik niet een zodanige grond.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeksters aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was, zulks temeer nu ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek van de zijde van verzoeksters uitdrukkelijk is gesteld dat niet getwijfeld wordt aan de integriteit van de rechter.

3.3

Vervolgens is de vraag aan de orde of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeksters geuite vrees dat de rechter jegens verzoeksters een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

Op grond van de omstandigheid dat in het vonnis d.d. 22 juni 2012 in de zaak met zaaknummer 1226130 \ CV EXPL 11-19355 uitdrukkelijk een oordeel is gegeven over de geloofwaardigheid van hetgeen verzoeksters naar voren hebben gebracht, gevoegd met het hiervoor onder 2 uiteengezette niet zeer gebruikelijke procesverloop - ondanks het feit dat de met bewijs belaste partij geen bewijs had bijgebracht achtte de rechter de stellingen van die partij (toch) voorshands bewezen -, is de wrakingskamer van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Bij verzoeksters heeft de vrees kunnen postvatten dat de rechter door zich in het eindvonnis van 22 juni 2012 in de hiervoor geciteerde expliciete bewoordingen uit te laten over verzoeksters zich een oordeel heeft gevormd over de geloofwaardigheid van verzoeksters en dat bij het beoordelen van verklaringen in de onderhavige en vergelijkbare zaak dat eerder gegeven negatieve oordeel - bewust of onbewust - een rol zou kunnen spelen. Die vrees van verzoeksters is onder de gegeven omstandigheden naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd.

De stelling van de rechter dat zij in genoemd vonnis enkel het verweer van verzoeksters heeft beoordeeld en dus geen oordeel heeft uitgesproken over de geloofwaardigheid van verzoeksters kan in dit verband niet tot een andere beslissing leiden. Een dergelijk oordeel over een gevoerd verweer raakt ook degene die het verweer heeft gevoerd. Voorts overweegt de rechtbank dat het niet erom gaat of de rechter van zichzelf vindt dat zij in staat is een onbevooroordeeld vonnis te wijzen maar of de wrakende partij goede gronden heeft te vrezen dat een in een andere zaak gegeven oordeel in de daarop volgende zaak enige invloed zou kunnen hebben. Die situatie doet zich hier voor en dat feit stelt, anders dan de rechter kennelijk veronderstelt, haar integriteit niet aan de orde.

3.4

De wraking is mitsdien gegrond. Het verzoek moet worden toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van [naam gewraakte kantonrechter].

Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2012 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. L.A.C. van Nifterick, rechter.

Deze beslissing is door de oudste rechter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer, griffier.

Om reden van afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.