Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX3785

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
402445 / HA RK 12-374
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris naar aanleiding van een op artikel 190 Sv gebaseerde vordering van het openbaar ministerie heeft besloten de getuige te horen aldus dat hij zijn verklaring aflegde achter een scherm, terwijl de rechter-commissaris de raadsvrouw van verdachte daar niet van te voren over had gehoord en ook niet bereid is geweest terug te komen op die beslissing, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 7 augustus 2012

Zaaknummer: 402445

Rekestnummer: HA RK 12-374

Parketnummer: 10/960183-11

R-C-nummer: 11/2403

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsvrouw: mr. N.W.A. Dekens, advocaat te Amsterdam,

strekkende tot wraking van [naam gewraakte rechter-commissaris], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank (hierna: de rechter-commissaris).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechter-commissaris is in behandeling de strafzaak met bovengemeld parketnummer tegen verzoeker als verdachte. In het kader van de verwijzing van deze zaak door de rechtbank naar de rechter-commissaris was laatstgenoemde voornemens verbalisant KL5375 (nader te noemen: de getuige) op 30 mei 2012 te horen.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechter-commissaris gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het dossier van genoemde strafzaak, waarin zich onder meer bevindt:

- het proces-verbaal van het hiervoor genoemde voorgenomen getuigenverhoor.

Verzoeker, de raadsvrouw van verzoeker, de rechter-commissaris, alsmede de officier van justitie, mr. G.C. Bos (nader te noemen: de officier van justitie), zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft bij brief van 15 juni 2012 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De officier van justitie heeft bij email van 4 juli 2012 op het wrakingsverzoek gereageerd.

Ter zitting van 24 juli 2012, alwaar de gedane wraking is behandeld, is de raadsvrouw van verzoeker verschenen. De rechter-commissaris en officier van justitie zijn - met bericht van verhindering - niet verschenen. De raadsvrouw van verzoeker heeft haar standpunt aan de hand van een pleitnota met 9 producties nader toegelicht. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de raadsvrouw van verzoeker - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Bij het betreden van de kamer van de rechter-commissaris op 30 mei 2012 werd de verdediging geconfronteerd met het feit dat de getuige achter schermen was geplaatst. De rechter-commissaris deelde mondeling mee dat zij hier op verzoek van de officier van justitie toe besloten had. De verdediging heeft de rechter-commissaris gemotiveerd gevraagd haar besluit te heroverwegen, onder meer omdat de verdedigingsrechten en meer in het bijzonder de effectuering van het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM door deze wijze van horen ernstig zou worden beperkt. Daarbij heeft de verdediging verzocht de - voor verzoeker zeer belangrijke - getuige op een minder vergaande wijze te verhoren, bijvoorbeeld met een pruik of grime. Op die wijze zou de mimiek en gezichtsuitdrukking van de getuige immers zichtbaar zijn, hetgeen onder meer van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring. De beperking van het ondervragingsrecht zou daarmee kunnen worden beperkt c.q. gecompenseerd. Overigens heeft ook de officier van justitie in haar brief van 29 mei 2012 gevorderd dat de rechter-commissaris maatregelen zou treffen waardoor de getuige minder snel herkenbaar is, bijvoorbeeld grimeren of vermommen. De reactie van de rechter-commissaris was dat zij voor het scherm gekozen had, omdat dat op dat moment het makkelijkst was. Op deze wijze kon het verhoor die dag namelijk gewoon doorgaan. De rechter-commissaris heeft haar planning daarmee laten prevaleren boven verdedigingsrechten. Ook deelde de rechter-commissaris mee dat zij haar besluit niet zou heroverwegen, dat haar besluit vaststond, dat zij de mening van de verdediging niet hoefde te betrekken in haar besluitvorming en dat haar collega's dit net zo deden. Bovendien mochten de te stellen vragen slechts zien op de herkenning van verzoeker door de getuige en was het zien van de ogen daarbij niet noodzakelijk. Vervolgens heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechter-commissaris gewraakt.

Uit de omstandigheid dat de verdediging niet betrokken is bij de hiervoor bedoelde besluitvorming blijkt de vooringenomenheid van de rechter-commissaris. Dat de rechter-commissaris de getuige ondanks het wrakingsverzoek toch nog heeft gehoord, levert een aanvullende grond voor wraking op. Betwist wordt dat de verdediging de rechter-commissaris vanwege een onwelgevallige ordemaatregel wraakt. Met voornoemde handelwijze van de rechter-commissaris is sprake van het volledig passeren van een kerndeelnemer in het strafproces. Er is immers geen sprake geweest van hoor en wederhoor. Daarmee is de positie van verzoeker miskend en bovendien benadeeld. Immers, de rechter-commissaris heeft de positie van verzoeker, terwijl ze dit wel had moeten doen, ook ambtshalve niet in de besluitvorming betrokken. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat de belangen van de getuige werkelijk zodanig zijn dat het nodig is een scherm te plaatsen. Voornoemde gang van zaken en de genomen beslissingen zijn dusdanig onbegrijpelijk en in strijd met de goede procesorde alsmede met artikel 6 EVRM dat sprake is van een dusdanige uitzonderlijke omstandigheid dat dit zwaarwegende aanwijzingen oplevert dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, dan wel dat de vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust. Zij stelt zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ongegrond dient te worden verklaard en voert hiervoor in haar brief van 15 juni 2012 - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Op de dag van het verhoor heb ik positief beslist op de op 29 mei 2012 door de officier van justitie gedane vordering ex artikel 190 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (nader te noemen: Sv). In samenspraak met de griffier is besloten dat de meest pragmatische manier om aan het verzoek te voldoen, het plaatsen van een scherm zou zijn. Het op deze wijze afgeschermd horen van getuigen die bij de politie als observant werkzaam zijn, komt regelmatig voor en het kabinet RC beschikt dan ook zelf over een dergelijk scherm. Een andere mogelijkheid, zoals het grimeren van de getuige of het gebruik maken van een pruik, was niet op korte termijn en tijdig voor het reeds geplande verhoor te regelen. De raadsvrouw heeft mij verzocht mijn beslissing te heroverwegen. Dat heb ik gemotiveerd gedaan, maar ben niet tot een andere beslissing gekomen.

De gewraakte beslissing is een ordemaatregel en kan dan ook geen reden zijn voor een gegronde wraking. Met de genomen maatregel zeg ik niets over de schuld of onschuld van de verdachte, zodat ik door het treffen van de ordemaatregel ook niet vooringenomen kan zijn. Een voor een partij onwelgevallige beslissing kan op zichzelf geen grond voor wraking opleveren. Bovendien is de door mij genomen beslissing niet zozeer onbegrijpelijk dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat ik vooringenomen zou zijn.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek en voert daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Getroffen ordemaatregelen leveren geen grond voor wraking op. Daar komt bij dat het openbaar ministerie geen aanwijzingen voor een dermate onbegrijpelijke beslissing van de rechter-commissaris vindt, dat hieraan aanwijzingen ontleend kunnen worden voor haar vooringenomenheid. De genomen maatregel is gebruikelijk en in overeenstemming met zelfs Europese jurisprudentie. De rechter-commissaris heeft alle juridische vereisten die bij een verhoor van een degelijke getuige aan haar worden gesteld nageleefd, zodat ook die omstandigheid geen aanleiding vormt om vooringenomenheid te vermoeden.

3. De beoordeling

3.1

Vooropgesteld wordt dat hetgeen de raadsvrouw van verzoeker ten tijde van het voorgenomen getuigenverhoor d.d. 30 mei 2012 ter zake het wrakingsverzoek heeft aangevoerd als grondslag van dat verzoek wordt aangemerkt. Krachtens artikel 513 lid 3 Sv moeten alle feiten en omstandigheden immers tegelijk worden voorgedragen. Dit betekent dat hetgeen de raadsvrouw van verzoeker ter gelegenheid van de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek verder aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, te weten dat de rechter-commissaris ondanks het wrakingsverzoek toch tot het horen van de getuige is overgegaan, buiten beschouwing wordt gelaten. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 30 mei 2012 blijkt namelijk niet dat de raadsvrouw van verzoeker dit feit tevens aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. In ieder geval is dit feit niet als wrakingsgrond opgegeven zodra dit feit bekend werd als bedoeld in lid 1 van genoemd artikel. Dat was aan het slot van het hier aan de orde zijnde getuigenverhoor. Dat de raadsvrouw van verzoeker tijdens die zitting bezwaar heeft gemaakt tegen het alsnog horen van de getuige wordt daartoe onvoldoende geacht.

3.2

Nu het verzoek ten tijde van het voorgenomen verhoor van de getuige gedaan is, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. De omstandigheid dat de rechter-commissaris in de wraking geen aanleiding heeft gezien af te zien van het voorgenomen verhoor, maakt dit niet anders.

3.3

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.4

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter-commissaris - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.5

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.6

Daarbij wordt vooropgesteld dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter-commissaris op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.7

Dat kan anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.8

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. De enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris naar aanleiding van een op artikel 190 Sv gebaseerde vordering van het openbaar ministerie heeft besloten de getuige te horen aldus dat hij zijn verklaring aflegde achter een scherm, terwijl de rechter-commissaris de raadsvrouw van verdachte daar niet van te voren over had gehoord en ook niet bereid is geweest terug te komen op die beslissing, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.9

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van de rechter-commissaris [naam gewraakte rechter-commissaris].

Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2012 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. L.A.C. van Nifterick, rechters.

Deze beslissing is door de oudste rechter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer, griffier.

Om reden van afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.