Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX3385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
387870 - HA ZA 11-1966
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging door bank van hypothecaire leningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

387870 / HA ZA 11-196618 juli 2012

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 387870 / HA ZA 11-1966

Vonnis van 18 juli 2012

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Rotterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. J.B. Maliepaard,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. van Baaren.

Partijen zullen hierna [eisers] en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 26 september 2011, met 42 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 26 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 8 februari 2012;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2012;

  • -

    de twee bij de rechtbank op 4 juni 2012 ingekomen faxberichten van de raadsman van [eisers]

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

In het kader van de financiering van een woning van [eisers] aan de [adres] hebben Rabobank en [eisers] op 6 december 2002 een overeenkomst van geldlening met hypotheekstelling gesloten voor een bedrag van € 155.000,-- met als dossiernummer 3819.946284. Dit betreft een zogenaamde SpaarZeker Hypotheek, waarbij alleen rente wordt betaald en geen aflossing plaatsvindt. Daarnaast wordt premie betaald voor een SpaarZeker-levensverzekering bij Interpolis, waarmee de lening van de koopsom van de woning grotendeels wordt afgelost. In de hypotheekakte is opgenomen dat de woning niet mag worden verhuurd of in gebruik worden afgestaan zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bank. Tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van [eisers] aan Rabobank is een recht van hypotheek gevestigd op de appartementsrechten van de panden aan de [adres] . Daarnaast heeft [eisers] de rechten uit genoemde SpaarZeker-levensverzekering bij Interpolis aan Rabobank verpand.

2.2.

Op 3 april 2003 hebben Rabobank en [eisers] een tweede overeenkomst van geldlening met hypotheekstelling gesloten voor een bedrag van € 281.811,-- met als dossiernummer [Y] . Dit betreft een zogenaamde Annuïteiten Hypotheek die door Rabobank wordt toegepast voor de financiering van beleggingspanden. Daarbij wordt niet alleen rente betaald maar vindt ook aflossing plaats. Tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van [eisers] aan Rabobank is een recht van hypotheek gevestigd op de appartementsrechten van de navolgende panden: [adres A] , [adres B] en [adres C] . Daarnaast is voor een bedrag van

€ 18.125,-- een tweede hypotheekrecht gevestigd op de panden aan de [adres] .

2.3.

Op de overeenkomsten van geldlening zijn onder meer de Algemene Bankvoorwaarden, de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2003 en de Algemene voorwaarden voor hypotheken van de Rabobankorganisatie 1992 van toepassing verklaard.

2.4.

Artikel 30 van de Algemene Bankvoorwaarden luidt - aangehaald voor zover relevant:

“De relatie tussen de cliënt en de bank kan zowel door de cliënt als door de bank worden opgezegd. Indien de bank de relatie opzegt, zal zij de cliënt desgevraagd de reden van die opzegging meedelen.”

2.5.

Artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden luidt:

“De bank dient bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht nemen.

Zij zal daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening houden, met dien verstande dat zij niet gehouden is gebruik te maken van haar bekende niet openbare informatie, waaronder koersgevoelige informatie.”

2.6.

Artikel 21 van de Algemene Bankvoorwaarden luidt:

“Indien de cliënt na ingebrekestelling tekortschiet in de nakoming van enige verplichting jegens de bank, is de bank bevoegd haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaat te maken. Zodanige opzegging dient schriftelijk te geschieden en de reden van de opzegging te vermelden.”

2.7.

Artikel 15 van de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2003 luidt - aangehaald voor zover relevant:

“In elk van de hierna vermelde gevallen kan de bank het door u verschuldigde onmiddellijk opeisen. Daarbij is geen opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit nodig. Deze gevallen zijn:

a u of de zekerheidgever handelt in strijd met of schiet tekort in de nakoming van:

- een bepaling van de akte of een akte waarbij zekerheid is gesteld voor uw verplichtingen tegenover de bank;

- een bepaling in algemene voorwaarden die van toepassing zijn;

b u handelt in strijd met of schiet tekort in de nakoming van een andere verplichting

ten opzichte van de bank of een andere verplichting jegens de bank niet nakomt;

(…)

d vermogen van u of van de zekerheidgever wordt onder bewind of beheer gesteld, of

daarop wordt beslag gelegd of op een andere manier verhaal gezocht”.

2.8.

Bij brief van 2 januari 2009 heeft Rabobank [eisers] het volgende bericht:

“Helaas hebben wij geconstateerd dat u zich niet strikt aan uw betalingsverplichtingen bij onze bank houdt.

Wij verzoeken u binnen tien dagen na vandaag voor al uw betalingen te zorgen.

De betalingsachterstand zijn per vandaag als volgt opgebouwd:

Hypothecaire lening met nummer [Y]

Achterstallige aflossing: € 631,47

Achterstallige rentebetaling: € 387,12

Boeterente: p.m.

Totale openstaande vordering: € 1.018,59

Wij verzoeken u dit bedrag over te maken op rekeningnummer [E] ten name van Rabobank Rotterdam onder vermelding van ‘3118913312, [eiser 1] rente en aflossing’.

Als de betaling uitblijft, zijn wij genoodzaakt de relatie op te zeggen. Dit zal uitwinning van de gestelde zekerheden inhouden, waarbij wij o.a. kunnen overgaan tot gedwongen verkoop van uw woning.

Wij wijzen u erop dat wij bij het uitblijven van de betaling verplicht zijn dit te melden aan het Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel. Dit kan gevolgen hebben voor iedere eventuele volgende financieringsaanvraag en aanvraag voor bijvoorbeeld een mobiel telefoonabonnement.

Tot slot wijzen wij u erop dat wij deze brief zowel naar [adres B] als naar de [adres] hebben verzonden.

Onder voorbehoud van onze rechten.

Hoogachtend,

Rabobank Rotterdam

[handtekening]

Kredietrisicomanagement”.

2.9.

Bij brief van 23 januari 2009 heeft mr. Van den Bergen namens Rabobank [eisers] het volgende bericht - aangehaald voor zover relevant:

“ Tot mij wendde zich Rabobank Rotterdam terzake van het navolgende.

(…)

2. Cliënte heeft op 13 maart 2003 een hypothecaire financiering terzake van een annuïteitenhypotheek voor een bedrag van € 281.811,-- aan u verstrekt, met als zekerheid de panden gelegen aan de [adres B] , de [adres A] en de [adres C] . Op basis van de voorwaarden van de hypothecaire lening dient u naast de betaling van rente maandelijks een bedrag van € 387,12 aan aflossing terzake van de geldlening te voldoen.

3. Cliënte heeft moeten constateren dat u over een langere periode in gebreke bent

gebleven met de voldoening aan uw aflossingsverplichtingen terzake van voornoemde
hypothecaire lening. In dit kader heeft cliënte afgelopen jaar met u afgesproken dat cliënte geen aanspraak (meer) zou doen op de aflossingsverplichtingen over de voorgaande periode, maar dat u uw aflossingsverplichtingen met onmiddellijke ingang zou hervatten.

4. Cliënte heeft moeten constateren dat u - ondanks de gemaakte afspraken - tot op heden met uw aflossings- en renteverplichtingen terzake van de hypothecaire lening in gebreke bent gebleven, hetgeen voor cliënte aanleiding is geweest om u bij brief van 2 januari 2009 te sommeren om binnen 10 dagen aan uw aflossings- en renteverplichtingen te voldoen. Cliënte heeft u in dit kader aangezegd bij een niet (tijdige) betaling van de achterstallige verplichtingen ten bedrage van € 1.018,59 (bestaande uit een bedrag van € 631,47 aan aflossing en een bedrag van € 387,12 aan rente) de relatie met u te moeten op te zeggen en een verplichte melding bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel te moeten doen. Tot op heden is betaling van voornoemd bedrag evenwel uitgebleven.

5. Uw standpunt dat u niet verplicht zou zijn tot betaling van € 387,- aan annuïtaire aflossingen per maand kan in het licht van het voorgaande geen stand houden. Ik wijs u er in dit verband op dat het enkele feit dat u in het verleden in gebreke bent gebleven met de voldoening aan uw aflossingsverplichtingen, u uiteraard niet het recht geeft uw toekomstige aflossingsverplichtingen op te schorten danwel niet na te komen.

6. Voor wat betreft de vertrouwensbreuk tussen u en cliënte bericht ik u als volgt. Cliënte heeft in het verleden herhaaldelijk moeten constateren dat u in het kader van de bestaande (krediet)relatie onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt. Zonder een uitputtende opsomming te willen geven, wijs ik u er in dit verband bijvoorbeeld op dat u bij aanvang van de dienstverlening door cliënte heeft aangegeven MBO geschoold te zijn en vervolgens aan cliënte heeft medegedeeld achtereenvolgens als algemeen beveiliger bij CDR Beveiliging, chauffeur bij Best & West Uitzendbureau B.V. en adviseur van Conserveerbedrijf Noa in dienst te zijn getreden. Thans zou u werkzaam zijn als basisarts bij de afdeling Cardiologie van het Maasstad Ziekenhuis.

7. Een dergelijke loopbaan acht cliënte weinig aannemelijk, temeer nu cliënte uit het verloop van uw rekeningen geen loonbetalingen van voornoemde werkgevers (met uitzondering van Conserveerbedrijf Noa) kan afleiden. Ook blijkt er op het adres van Conserveerbedrijf Noa aan de Generaal de Bonsweg 1 te Velp een asielzoekerscentrum te zijn gevestigd. Cliënte heeft u in dit kader herhaaldelijk verzocht om verstrekking van belastingaangiften over de afgelopen 3 jaar (zowel zakelijk als privé), werkgeversverklaringen en eerstedagsmeldingen van werkgevers. Tot op heden bent u - ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe - in gebreke gebleven de hiervoor genoemde informatie te verstrekken, hetgeen de vertrouwensrelatie tussen cliënte en u negatief heeft beïnvloed.

8. Voorts in cliënte gebleken van onregelmatigheden met betrekking tot de door u verhuurde panden. Zo bleek eind 2002 in het pand aan de [adres A] een hennepkwekerij te zijn gevestigd. Voorts heeft u bij aanvang van de (krediet)relatie met cliënte aangegeven dat het pand aan de [adres] bestemd was voor eigen bewoning, maar is bij een inspectie door het Interventieteam van de Gemeente Rotterdam op 1 oktober 2007 gebleken dat er 8 Polen in dit pand woonden en er 12 matrassen c.q. bedden in de woning aanwezig waren. Ik wijs u er in dit verband op dat de verhuur van het pand aan de [adres] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van cliënte op grond van de toepasselijke hypotheekvoorwaarden niet in toegestaan. Ook heeft u zich op 5 oktober 2007 in de Gemeentelijke Basis Administratie laten inschrijven als woonachtig op de [adres] . Later is evenwel gebleken dat u door op dat moment niet kon wonen, omdat er op dat moment volgens opgave van de gemeente Rotterdam een stalen deur op de woning zat.

9. Gezien de hiervoor genoemde onregelmatigheden heeft cliënte het wenselijk geacht contact op te nemen met het Maasstad Ziekenhuis teneinde zekerheid te verkrijgen over uw huidig dienstverband. Cliënte acht zich daartoe gerechtigd, nu u ondanks herhaald verzoek in gebreke bent gebleven de gevraagd informatie te verstrekken en zij voorts op basis van haar interne richtlijnen en procedures verplicht is bij (een vermoeden van) onregelmatigheden nader onderzoek te verrichten. Cliënte heeft in dat kader zorgvuldig gehandeld, zodat van smaad geen sprake is dan wel kan zijn geweest. Ook betwist cliënte dat u als gevolg van haar handelen, dat - zoals gezegd - gerechtvaardigd was, enige schade heeft geleden dan wel zal lijden.

(…)

11. Namens cliënte verzoek, en voor zover nodig sommeer, ik u nogmaals om binnen

tien werkdagen na dagtekening van deze brief zorg te dragen voor betaling van de

openstaande posten terzake van de hypothecaire lening ten bedrage van € 1.018,59

op het in de brief van 2 januari 2009 door cliënte genoemde rekeningnummer. Ook

verzoek, en voor zover nodig sommeer, ik u om binnen genoemde termijn de vol-

gende informatie aan cliënte te verstrekken:

- een kopie van uw belastingsaangiftes over de afgelopen 3 jaar (zowel privé als

zakelijk);

- een werkgeversverklaring en eerstedagsmelding van het Maasstad Ziekenhuis; en

- bankafschriften waaruit loonbetalingen door het Maasstad Ziekenhuis blijken.

12. Mocht u niet binnen de hierboven genoemde termijn tot betaling van de nog openstaande posten overgaan, dan acht cliënte zich – zoals gezegd – gerechtigd om de relatie met u op te zeggen en een verplichte melding bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel te doen. Ik verwijs in dit verband naar de brief van cliënte van 2 januari 2009. Ook behoudt cliënte zich het recht voor de relatie met u op grond van artikel 30 Algemene Bankvoorwaarden te zeggen wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk, indien de verstrekking van de hierboven genoemde gegevens achterwege blijft

13. Wij hebben inmiddels zelf bijgaande brief namens cliënte aan het Maasstad Ziekenhuis verzonden, naar de inhoud waarvan ik u kortheidshalve verwijs.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zie uit naar uw spoedige reactie.”

2.10.

Bij e-mailbericht van 5 februari 2009 deelt [eiser 1] het volgende mede aan mr. Van Bergen - aangehaald voor zover relevant:

“Naar aanleiding van uw schrijven kan ik u mededelen dat ik al hetgeen door u of uw cliënte is gesteld ontken, mits ik dit hier voorts niet uitdrukkelijk erken of kan erkennen.

Als eerste verzoek ik u mij bescheiden toe te zenden die uw veronderstellingen ondersteunen gesteld in uw schrijven waarin u met name heeft over gemaakte afspraken tussen uw cliënt en mij, eer ik me daar over kan uitlaten. Voor alsnog nu en dan ontken ik de gestelde afspraken die u omschrijft in uw schrijven.

Ik betwist achterstanden te hebben op de lopende hypothecaire leningen.

Ik betwist de hypotheek verstrekker onjuiste informatie te hebben gegeven of relevante informatie achter te hebben gehouden die van belang was of zou kunnen zijn bij het verstrekken van of verkrijgen van een geld/hypotheek lening.

Welke loopbanen ik achter de rug heb is irrelevant voort de geldverstrekker om achteraf in mijn verleden te wroeten. Tevens wordt meerdere malen, zie mijn vorige schrijven, onder valse voorwendselen door de geldverstrekker informatie over mij gevraagd aan derden. Hierbij te noemen informatie bij de gemeente en aan mijn werkgever waar beide de geldverstrekker geen toestemming voor heeft gekregen van mij. Deze kwestie zal ik hoog opnemen omdat hier sprake is van smaad en/of laster en het schenden van de wet op privacy.

De woningen alwaar hypotheek voor is verstrekt worden gebruikt in overeenstemming en toestemming hebbende van de geldverstrekker.

Om verder te reageren verzoek op uw schrijven verzoek ik u mij de gevraagde stukken binnen 10 dagen toe te zenden die uw veronderstellingen onderbouwen opgesomd in uw brief.

(…)

Wachtende op de gevraagde stukken om inhoudelijk te reageren verblijf ik”.

2.11.

Bij brief van 11 februari 2009 heeft mr. Van den Bergen namens de bank [eiser 1] het volgende medegedeeld - aangehaald voor zover relevant:

“ Onder verwijzing naar uw brief van 5 februari 2009 kan ik u namens cliënte als volgt berichten.

1. In de eerste plaats heeft u mij verzocht om u bescheiden toe te zenden met betrekking tot de tussen cliënte en u gemaakte afspraken met betrekking tot de betaling van rente en aflossing terzake van de annuïteitenhypotheek. Ik voeg in dit verband een kopie van de op 13 maart 2003 door u voor akkoord ondertekende offerte toe, waaruit blijkt dat u een annuïtaire lening voor een financieringsbedrag van € 281.811,-- met cliënte bent overeengekomen (bijlage 1). De lening heeft een looptijd tot 30 april 2023, terwijl het aantal rentebetalingen 241 en het aantal aflossingsbetalingen 240 bedraagt.

2. Eigenschap van een annuïtaire lening is dat het maandelijks te betalen bedrag aan rente en aflossing gelijk blijft, zodat het jaarlijkse aflossingsbedrag in de loop der jaren stijgt en de rentekosten in de loop der jaren dalen. Op basis van de annuïtaire lening van €281.811,-- was de annuïteit oorspronkelijk berekend op een maandelijks bedrag van €1.722,61, bestaande uit een bedrag van € 962,85 per maand aan rente en een bedrag van € 759,56 per maand aan aflossing.

3. Op 1 juli 2005 heeft u een bedrag van € 68.539,90 afgelost uit de verkoopopbrengst van één van uw panden. Voorts heeft u op 9 maart 2007 een bedrag van € 93.250,10 afgelost uit de verkoopopbrengst van één van uw andere panden.

4. Na iedere aflossing wordt er door cliënte een nieuwe berekening gemaakt van de maandelijks te betalen annuïteit, hetgeen ook daadwerkelijk met betrekking tot uw annuïtaire lening is geschied. Nu deze annuïtaire lening nimmer is omgezet in een aflossingvrije lening, betekent dit uiteraard dat u naast de betaling van rente ook maandelijks gehouden bent aflossingen te blijven doen (gebaseerd op de aangepaste berekening van de maandelijkse annuïteit), teneinde te waarborgen dat de annuïtaire lening overeenkomstig de contractuele afspraken tijdig zal zijn afgelost.

5. Op 1 juni 2006 heeft voor het laatst een aflossing ter zake van de annuïtaire lening gedaan, waarna u heeft volstaan met de betaling van rente. Cliënte heeft hier nimmer mee ingestemd. Op 7 augustus 2008 is vervolgens overeengekomen dat u met onmiddellijke ingang uw aflossingsverplichtingen zou gaan hervatten, waarbij de maandelijkse annuïteit is herberekend over een periode die uit coulanceoverwegingen is verruimd tot 30 oktober 2023. Op basis van de op dat moment openstaande hoofdsom is daarna de maandelijkse annuïteit vastgesteld op € 725,27 per maand. Een kopie van de betreffende berekening voeg ik bij (bijlage 2).

6. Ondanks de gemaakte contractuele afspraken, heeft cliënte moeten constateren dat u ook ná 7 augustus 2008 in gebreke bent gebleven met de voldoening van de maandelijkse annuïteit. De betalingsachterstand bedraagt thans een bedrag van € 1.359,33, bestaande uit een bedrag van € 973,85 aan aflossing en een bedrag van € 385,48 aan rente. Een kopie van de administratie van cliënte, waaruit blijkt dat u over de maanden november 2008 en januari 2009 geen aflossingen heeft verricht en over de maand december 2008 geen rente heeft betaald, voeg ik bij (bijlage 3). Cliënte blijft aanspraak maken op onmiddellijke betaling van de hiervoor genoemde bedragen en handhaaft haar eerdere sommaties ter zake.

7. Terzake van de constatering van cliënte in het verleden dat u herhaaldelijk in het kader van de bestaande (krediet)relatie onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt, handhaaft cliënte - bij gebreke van andersluidende informatie uwerzijds - haar standpunt zoals uiteengezet in mijn brief van 23 januari 2009. Ik wijs u er in dit verband bijvoorbeeld op dat cliënte uit een rapport van het interventieteam van de deelgemeente Charlois heeft moeten constateren dat er in het pand aan de [adres] acht Polen woonden en er twaalf matrassen c.q. bedden in de woning aanwezig waren, alsmede dat het gas en licht in voornoemd pand zouden worden afgesloten omdat er bij Eneco geen contractant bekend was. Een kopie van dit rapport kunt u desgewenst bij de deelgemeente Charlois opvragen.

8. Uw stelling dat cliënte onder deze omstandigheden niet gerechtigd zou zijn schriftelijk op- heldering terzake van de aan haar gebleken onregelmatigheden te vragen, wordt door cliënte uitdrukkelijk betwist, nog afgezien van het feit dat cliënte op basis van haar interne richtlijnen en procedures verplicht is bij (een vermoeden van) onregelmatigheden nader onderzoek te verrichten. Nader onderzoek heeft de bij cliënte gerezen twijfels niet kunnen wegnemen, waarbij met name een rol speelt dat u - ondanks herhaald verzoek - weigert terzake van de geconstateerde onregelmatigheden openheid van zaken te geven.

9 Cliënte is bereid u nog éénmaal een termijn van vijf werkdagen te geven om te voldoen aan de in mijn brief van 23 januari 2009 onder punt 11 genoemde sommaties. Mocht u niet binnen vijf werkdagen na dagtekening van deze brief tot betaling van de nog openstaande kosten, die inmiddels € 1.359,33 bedragen, overgaan, dan zal cliënte de relatie op grond van de artikelen 21 en 30 Algemene Bankvoorwaarden opzeggen, zulks in verband met de niet-voldoening uwerzijds aan uw verplichtingen jegens cliënte en het niet hersteld vertrouwen in verband met uw (herhaalde) weigering om terzake van de aan cliënte gebleken onregelmatigheden opheldering te verstrekken.

Uw schriftelijke reactie zie ik graag op korte termijn tegemoet.”

2.12.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft K. de Vries, Teamleider Kredietbeheer, namens Rabobank [eisers] het volgende medegedeeld - aangehaald voor zover relevant:

“Hiermee vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Onze bank heeft u een financiering verstrekt die als volgt kan worden gespecificeerd:

a. blijkens onderhandse akte d.d. 6 december 2002 een lening tot een bedrag van € 155.000,00.

b. blijkens onderhandse akte d.d. 3 april 2003 een lening tot een bedrag van € 281.811,00;

De zekerheid voor de bank bestaat uit:

- een eerste hypothecaire inschrijving tot een bedrag van € 155.000,00 te vermeerderen met renten en kosten, gevestigd blijkens notariële akte d.d. 6 december 2002 op de daarin omschreven registergoederen;

- een eerste hypothecaire inschrijving tot een bedrag van € 281.811,00 te vermeerderen met renten en kosten, gevestigd blijkens notariële akte d.d. 3 april 2003 op de daarin omschreven registergoederen.

Met betrekking tot de verstrekte financiering verwijzen wij u naar de destijds getekende overeenkomsten en de daarop toepasselijke voorwaarden.

Reeds geruime tijd bent u in verzuim met de nakoming van de financiële verplichtingen jegens onze bank, ondanks het feit dat u meerdere malen bent gesommeerd. Uw leningen vertonen per heden een achterstand van € 41,81 aan rente en € 1.317,68 aan aflossing. Wij verwijzen u in dit kader naar de brieven van 2 januari 2009, 23 januari 2009 en 11 februari 2009. Met de brief van 11 februari 2009, verstuurd door Ploum Lodder Princen advocaten, bent u met nadruk gewezen op de gevolgen als u niet of niet tijdig binnen de daarvoor gestelde termijn voor aanzuivering zou zorgen. Wij hebben van u geen enkele reactie ontvangen.

Voorts is er op al uw registergoederen beslag gelegd. Wij verwijzen u in dit kader naar de eerder verstuurde brieven en de gesprekken waarin de problemen aan de orde zijn gekomen.

Tevens heeft het interventieteam van de deelgemeente Charlois, inzake het pand gelegen aan de [adres] , een onderzoek verricht. Het interventieteam heeft overbewoning en Enecofraude geconstateerd. Weliswaar heeft u toestemming van de bank om uw onderpand te verhuren, echter misstanden in de verhuur kunnen wij niet toestaan.

Ook is er door u onjuiste en onvolledige informatie verstrekt.

Gezien bovenstaande is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen u en Rabobank Rotterdam. Ondanks onze eerdere gesprekken bent u niet in staat geweest de vertrouwensbreuk te herstellen.

Teneinde te bezien of het mogelijk is om voor de gerezen problemen in gezamenlijk overleg een acceptabele oplossing te vinden, verzoeken wij u met dat doel binnen tien dagen na vandaag contact met mr J. van Baaren van Ploum Lodder Princen advocaten op te nemen. Bij een dergelijke oplossing kan worden gedacht aan herfinanciering elders of onderhandse verkoop van de registergoederen. Voor het geval u hieraan niet voldoet dan wel een oplossing als hiervoor bedoeld niet mogelijk blijkt, zeggen wij u bij deze reeds nu voor alsdan de verstrekte financiering – voor zover nodig – met onmiddellijke ingang op en sommeren wij u binnen drie weken na vandaag aan onze bank te voldoen:

(…)

Totaal te voldoen € 245.768,14

(…)

Mocht u aan deze sommatie geen of geen tijdige en volledig gevolg geven, dan zal tot executoriale verkoop van de hypothecair verbonden registergoederen worden overgegaan.”

2.13.

Bij dagvaarding van 11 juni 2009 heeft [eisers] een kort geding (met zaak-/rolnummer 331984 KG ZA 09-560) voor deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen Rabohypotheekbank N.V. en Rabobank teneinde - kort samengevat - hun te verbieden over te gaan tot veiling van genoemde woningen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft gelet op de spoedeisendheid van die zaak op 16 juni 2009 verkort uitspraak gedaan en daarbij de vorderingen van [eisers] afgewezen. Op 10 juli 2009 is een uitgewerkt kortgedingvonnis afgegeven.

2.14.

Genoemde veiling heeft plaatsgehad op 17 juni 2009.

2.15.

[eisers] heeft een restschuld van € 30.517,25.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit meebrengen dat de door Rabobank aangevoerde opzeggingsgronden onvoldoende zwaarwegend zijn om de opzegging te rechtvaardigen;

II. voor recht verklaart dat de opzegging van de hypothecaire geldleningen door Rabobank niet rechtsgeldig is;

III. voor recht verklaart dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis uit hoofde van de overeenkomsten van hypothecaire geldlening door de kredietrelatie op te zeggen en de panden van [eisers] door middel van een executieveiling te verkopen;

IV. voor recht verklaart dat Rabobank gehouden is de door [eisers] geleden schade te vergoeden;

V. voor recht verklaart dat [eisers] niet gehouden is nog enig bedrag aan Rabobank te betalen uit hoofde van door Rabobank aan hem verstrekte hypothecaire geldleningen;

VI. voor recht verklaart dat vorderingen waarvoor door Rabobank beslag is gelegd ongegrond zijn en dat Rabobank om die reden gehouden is de schade die [eiser 1] heeft geleden ten gevolge van deze schade te vergoeden;

VII. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 351.050,66 ten gevolge van schade als genoemd onder A) op pagina 36 van de dagvaarding, zijnde het verschil tussen de onderhandse-verkoopwaarde en de opbrengst uit de executoriale verkoop dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

VIII. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 307.579,20 ten gevolge van schade als genoemd onder B) op pagina 36 van de dagvaarding, bestaande uit verlies van huurinkomsten door verlies van woningen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

IX. Rabobank veroordeelt tot terugbetaling van alle bedragen die zij door middel van door haar gelegd executoriaal derdenbeslag onder de werkgever van [eiser 1] heeft geïncasseerd;

X. Rabobank veroordeelt tot opheffing van alle door haar gelegde beslagen ten laste van [eisers] , waaronder het beslag onder zijn werkgever en de beslagen op de nog aan [eisers] toebehorende onroerende goederen, binnen drie dagen na het te wijzen vonnis;

XI. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 25.000,-- ten gevolge van schade als genoemd onder D) op pagina 36 van de dagvaarding, bestaande uit immateriële schade, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

XII. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een bedrag dat gelijk is aan de advocaatkosten die hij heeft betaald, namelijk € 10.329,37;

XIII. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 351.050,66 vanaf 17 juni 2009, althans vanaf 5 oktober 2009, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

XIV. Rabobank veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de buitengerechtelijke kosten, te matigen tot twee punten van het gehele liquidatietarief, € 4.000, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

XV. Rabobank veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

Rabobank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Rabobank heeft bij genoemde brief van 2 maart 2009 de door haar met [eisers] gesloten kredietovereenkomsten opgezegd en is op 17 juni 2009 overgegaan tot veiling. De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of Rabobank daartoe gerechtigd was.

4.2.

Op grond van artikel 30 van de in het onderhavige geval toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden kan Rabobank de relatie met haar cliënt opzeggen en dient zij desgevraagd door deze cliënt de reden van die opzegging mede te delen. Niet in geschil is dat Rabobank in haar opzeggingsbrief van 2 maart 2009 haar redenen om tot opzegging over te gaan van de kredietovereenkomsten heeft medegedeeld. Dit betekent dat Rabobank op grond van de contractuele bepalingen in beginsel gerechtigd was de kredietovereenkomst op te zeggen zoals zij heeft gedaan.

4.3.

De rechten en verplichtingen van partijen worden echter niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Daarom en in het kader van de haar op grond van genoemd artikel 30 van de Algemene Bankvoorwaarden toekomende opzeggingsbevoegdheid heeft Rabobank dan ook, mede gelet op de op haar rustende zorgplicht, rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser 1] . Rabobank heeft uit hoofde van de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht, ook jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.4.

de opzeggingsgronden en de verweren

4.4.1.

De bank heeft, gelet op haar brief aan [eisers] van 2 maart 2009, als afzonderlijke opzeggingsgronden van de verstrekte kredieten aangevoerd - kort gezegd - dat:

  1. [eisers] al geruime tijd zijn financiële verplichtingen toerekenbaar niet was nagekomen;

  2. op alle registergoederen van [eisers] door Informatie Beheer Groep beslag was gelegd;

  3. [eiser 1] onjuiste en onvolledige informatie had verstrekt;

  4. wat betreft het pand aan de [adres] sprake was van overbewoning en zgn. ‘Eneco-fraude’.

4.4.2.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat deze opzeggingsgronden geen reden mogen zijn voor opeising/opzegging heeft [eisers] het volgende gesteld:

ten aanzien van opzeggingsgrond 1 ( [eisers] was reeds geruime tijd zijn financiële verplichtingen toerekenbaar niet nagekomen):

a. ten tijde van de opzegging op 2 maart 2009 had [eisers] geen enkele betalingsachterstand;

b. voor zover [eisers] toch wel een betalingsachterstand had, stonden de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de geringe omvang en de korte termijn van deze betalingsachterstand alsmede gelet op de bijzondere zorgplicht die Rabobank had jegens haar cliënt [eisers] op grond van artikel 2 van de toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden, eraan in de weg dat Rabobank op deze grond opzegde,

ten aanzien van opzeggingsgrond 2 (beslag gelegd door de Informatie Beheer Groep):

[eisers] heeft Rabobank vóór de opzegging door Rabobank reeds bericht dat ten aanzien van dit derdenbeslag door hem al een betalingsregeling was getroffen met de deurwaarder en dat deze deurwaarder derhalve niet zou gaan executeren; daarbij heeft [eisers] te kennen gegeven dat het bedrag waarvoor de beslagen waren gelegd, namelijk € 2.225,16 in hoofdsom plus bijkomende kosten, zo gering was dat het leggen van beslag op al zijn onroerende zaken een buitenproportioneel zwaar middel was en dat de betalingsregeling ervoor zou zorgen dat deze vordering binnen afzienbare tijd - ongeveer 7,5 maand, want [eisers] betaalde € 400,-- per maand - zou zijn afbetaald; bovendien had [eiser 1] de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen ingesteld teneinde de executoriale titel aan te vechten; reeds in maart 2009 was de executie door de door [eisers] ingestelde rechtsmiddelen geschorst en in mei 2009 is de door [eisers] voorgestelde betalingsregeling geaccepteerd en was de dreiging van executie niet realistisch meer; op grond van een en ander stonden de maatstaven van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat Rabobank op deze grond opzegde, mede gelet op de bijzondere zorgplicht die Rabobank had jegens haar cliënt [eisers] op grond van artikel 2 van de toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden,

ten aanzien van opzeggingsgrond 3 (verstrekken door [eisers] van onjuiste en onvolledige informatie):

a. [eisers] heeft bij het afsluiten van de hypothecaire geldleningen en gedurende de looptijd hiervan altijd juiste en volledige informatie verstrekt aan Rabobank;

b. Rabobank heeft aan [eisers] nooit aangegeven in welk kader zij de bij genoemde brief van 23 januari 2009 opgevraagde stukken wilde hebben; zo heeft de Rabobank nagelaten [eisers] ervan op de hoogte te stellen dat zij bezig was met een (soort) fraudeonderzoek,

ten aanzien van opzeggingsgrond 4 (overbewoning en Eneco-fraude):

a. er was geen sprake van de hierbedoelde misstanden bij het verhuren van het pand aan de [adres] ;

b. [eisers] had toestemming van Rabobank om zijn onroerende zaken aan derden te verhuren;

c. mocht er toch sprake zijn geweest van misstanden, dan is [eiser 1] hiervoor niet aansprakelijk, omdat [eisers] verhuurde aan Stucadoorsbedrijf Van Rooij en dit de partij was die de verdere huisvesting regelde (ten behoeve van haar werknemers); bovendien zijn de vermeende misstanden waar het hier om gaat niet relevant voor de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen hem en Rabobank;

d. dat er sprake zou zijn van misstanden baseert Rabobank niet op eigen onderzoek maar ontleent zij uitsluitend aan informatie die de gemeente Rotterdam haar ongevraagd heeft doen toekomen, terwijl Rabobank mede in het kader van haar plicht tot een zorgvuldige belangenafweging gehouden was de informatie die zij van derden had verkregen te verifiëren;

e. wanneer Rabobank onderzoek had gedaan naar de juistheid van de door de gemeente Rotterdam aan haar verstrekte informatie (stellingen), wat zij heeft nagelaten, dan zou zij erachter zijn gekomen dat de door de (deel)gemeente ingenomen stellingen in het geheel niet op verifieerbare feiten berustten en in sommige gevallen zelfs aantoonbaar onjuist waren; andere hypotheekverstrekkers hebben om die reden geweigerd hun medewerking te verlenen aan de (deel)gemeente.

4.4.3.

Verder heeft [eisers] nog het volgende aangevoerd ( - kort samengevat):

a. [eisers] is geen redelijke termijn gegeven om een andere bank te zoeken of zijn onroerende zaken onderhands te verkopen, eventueel in combinatie met het door [eisers] voor zijn eigen rekening nemen van de veilingkosten, waartoe [eisers] bereid was;

b. indien [eisers] de veilingkosten voor zijn rekening had genomen en vervolgens zijn onroerende zaken onderhands had verkocht, zou de schade voor beide partijen zo laag mogelijk zijn geweest; Rabobank heeft nu echter een restvordering die zij op [eisers] probeert te verhalen en zij ontvangt geen rente-inkomsten meer, terwijl [eisers] de volledige overwaarde kwijt is alsmede zijn huurinkomsten; bovendien moet hij nog steeds de restschuld aan Rabobank voldoen;

c. op de onroerende zaken aan de [adres C] was een recht van derde hypotheek gevestigd door de ouders van [eiser 1] ; daarvan was Rabobank op de hoogte; evenwel zijn de ouders van [eisers] nimmer door Rabobank op de hoogte gesteld van de gang van zaken omtrent de veiling; door de handelingen van Rabobank zijn de ouders van [eisers] ernstig gedupeerd;

d. Rabobank heeft [eiser 1] misleid, want zij heeft [eisers] nimmer op de hoogte gesteld van de nauwe banden die zij onderhield met de gemeente Rotterdam; terwijl Rabobank al in april 2008 met de gemeente Rotterdam had besloten om de relatie met [eisers] te beëindigen, waartoe Rabobank ongeveer een jaar later is overgegaan, deed Rabobank het ten opzichte van [eiser 1] c.s voorkomen alsof [eisers] zich jegens Rabobank dusdanig had gedragen dat sprake was van een vertrouwensbreuk en dat die vertrouwensbreuk de reden was voor de opzegging, terwijl dat dus niet het echte motief was van Rabobank om op te zeggen;

e. Rabobank heeft zich duidelijk ‘voor het karretje van de gemeente Rotterdam laten spannen’ zonder zelf onderzoek te doen naar de verwijten die de gemeente Rotterdam [eisers] maakte;

f. het was dus achteraf bezien niet verwonderlijk dat alle pogingen van [eiser 1] om een minnelijke regeling te bereiken door Rabobank werden gedwarsboomd; Rabobank bleek tot geen enkel overleg bereid om de vermeende vertrouwensbreuk te herstellen; Rabobank wilde koste wat kost opzeggen;

g. van een zorgvuldige afweging door Rabobank van enerzijds de belangen van [eisers] en anderzijds haar eigen belangen is derhalve geen sprake geweest; de enige belangenafweging die Rabobank werkelijk heeft gemaakt is die tussen enerzijds haar eigen belangen bij een goede verstandhouding met de gemeente en haar medewerking aan het Alijda-convenant en anderzijds haar belangen bij continuering van haar relatie met [eisers] ;

h. door vorenbedoelde toerekenbare tekortkomingen en onrechtmatige gedragingen van Rabobank heeft [eisers] schade geleden.

4.5.

Met betrekking tot de hierboven in rov. 4.4 uiteengezette geschilpunten overweegt de rechtbank thans als volgt.

ten aanzien van opzeggingsgrond 1 ( [eisers] was reeds geruime tijd zijn financiële verplichtingen toerekenbaar niet nagekomen)

4.6.

[eisers] heeft niet betwist dat hij ten tijde van de opzegging, op 2 maart 2009,

achter liep met betaling van het in de opzeggingsbrief van die datum genoemde rentebedrag van € 41,81. Verder is komen vast te staan dat het hier gaat om verschuldigde rente op grond van de SpaarZeker Hypotheek-geldlening van 6 december 2002. Gebleken is dat uit deze SpaarZeker Hypotheek voor [eisers] twee verschillende betalingsverplichtingen voortvloeien aan twee verschillende schuldeisers: [eisers] dient aan Interpolis premie te betalen voor een SpaarZeker levensverzekering en aan Rabobank rente. [eisers] stelt zich echter op het standpunt, dat hij op de comparitiezitting heeft herhaald, dat er geen sprake van is dat hij ter zake van deze SpaarZeker-rente stelselmatig te laat is geweest met betaling. Ter onderbouwing van haar betwisting van dit standpunt van [eisers] heeft Rabobank in het geding gebracht aanmaningen van Interpolis aan [eisers] (prod. 5 bij conclusie van antwoord) en een schrijven van Rabobank aan [eisers] d.d. 27 juni 2008 (prod. 6 bij conclusie van antwoord). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank daarmee het standpunt van [eisers] onvoldoende gemotiveerd betwist, waartoe als volgt wordt overwogen.

Genoemde aanmaningen van Interpolis betreffen uitsluitend een betalingsachterstand ter zake van de aan Interpolis, en derhalve niet aan Rabobank, verschuldigde leveringsverzekeringspremie. De vraag of mogelijke wanprestatie van [eisers] jegens Interpolis een opzeggingsgrond kan vormen voor Rabobank staat niet ter beoordeling, nu Rabobank op zulk een mogelijke opzeggingsgrond geen beroep heeft gedaan. Voorts wordt in genoemd schrijven van Rabobank d.d. 27 juni 2008 slechts in algemene zin gesproken van “achterstanden hypotheek”, zonder dat duidelijk is om welke van de onderhavige hypotheken het precies gaat, de SpaarZeker Hypotheek of de Annuïteiten Hypotheek.

Een en ander betekent dat niet is vast komen te staan dat [eisers] ter zake van haar op grond van de SpaarZeker Hypotheek-geldlening verschuldigde rente stelselmatig een betalingsachterstand had voorafgaande aan de opzegging van 2 maart 2009.

4.7.

Partijen discussiëren voorts over de vraag of [eisers] ten tijde van de opzegging ter zake van maandelijkse aflossing een betalingsachterstand had ter hoogte van het in genoemde opzeggingsbrief genoemde bedrag van € 1.317,68. Rabobank meent van wel, [eisers] van niet. Vast is komen te staan dat deze vermeende betalingsachterstand betrekking heeft op de Annuïteiten Hypotheek-geldlening.

Niet in geschil is dat [eisers] - na een eerste tussentijdse aflossing op 1 juli 2006 - omstreeks het begin van 2007 tussentijds één keer extra heeft afgelost uit de verkoopopbrengst van een beleggingspand. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [eisers] , zoals hij stelt en Rabobank betwist, op enig moment na deze tussentijdse extra aflossing alleen nog maar maandelijks rente was verschuldigd en daarnaast niet meer gehouden was maandelijks een deel van het openstaande geleende bedrag af te lossen. Deze vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.

4.8.

Niet in geschil is dat de hier aan de orde zijnde geldleningsovereenkomst van 3 april 2003 geen bepaling inhoudt dat een tussentijdse extra aflossing tot het verval leidt van de maandelijkse aflossingsverplichting. Evenmin is in geschil dat kort na genoemde extra aflossing door [eisers] van omstreeks het begin van 2007 Rabobank aan [eisers] een tijdlang uitsluitend rente, ten bedrage van € 387(,25), in rekening heeft gebracht via het versturen van een acceptgiro en dat dit nieuwe maandbedrag veel lager was dan het maandbedrag dat bij [eisers] in rekening was gebracht voorafgaande aan deze extra aflossing. [eisers] stelt dat hij vanaf het moment waarop Rabobank dusdoende alleen nog maar rente in rekening is gaan brengen gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de reden voor dit niet meer in rekening brengen van aflossingen was dat hij “recentelijk” zoveel extra had afgelost. Zie het hierboven in 1.1 genoemde eerste faxbericht d.d. 4 juni 2012 van de raadsman van [eisers] , dat op grond van het proces-verbaal van de comparitiezitting beschouwd moet worden als gehecht aan dit proces-verbaal. Aangenomen mag worden dat [eisers] deze stelling inneemt ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij vanaf het moment in 2007 waarop Rabobank bij hem geen aflossingsbedragen meer in rekening is gaan brengen maar uitsluitend rente (van € 387(,25)), niet verder hoefde af te lossen. Wat er echter ook verder zij van deze stelling van [eisers] , voor de rechtbank is niet komen vast te staan dat [eisers] na zijn genoemde tussentijdse aflossing van omstreeks het begin van 2007 op enig moment tegenover Rabobank verder bevrijd was van zijn aflossingsverplichtingen. Zolang als Rabobank [eisers] acceptgiro’s bleef sturen voor een maandbedrag van in totaal € 387(,25), welk bedrag bovendien slechts te betalen rente betrof, en zolang als Rabobank in het geheel niet aangaf dat hier sprake was van een fout harerzijds, mocht [eisers] erop vertrouwen dat hij kon volstaan met betalen conform deze acceptgiro’s. Vast is echter komen te staan dat medewerkers van Rabobank, nadat Rabobank eerst enige maanden zulke ‘verkeerde’ acceptgiro’s had verstuurd en vervolgens was overgegaan op het versturen van acceptgiro’s met een ongeveer verdubbeld maandbedrag, omstreeks oktober 2008 met zoveel woorden aan [eiser 1] te kennen hebben gegeven dat de acceptgiro’s met het lage maandbedrag van € 387(,25) op een vergissing berustten omdat [eisers] naast rente ook nog steeds aflossing verschuldigd was. Gelet hierop is dan ook niet komen vast te staan dat [eisers] op enig moment niet meer gehouden was tot verdere aflossing. Nu, als gezegd, het in de opzeggingsbrief genoemde bedrag van € 1.317,68 betrekking heeft op aflossingen, is daarmee komen vast te staan dat ten tijde van deze brief [eisers] ter zake van aflossingen een betalingsachterstand had van

€ 1.317,68.

4.9.

Anders dan met betrekking tot de SpaarZeker Hypotheek-geldlening heeft [eisers] niet betwist dat hij wat betreft de Annuïteiten Hypotheek-geldlening, in de woorden van Rabobank, “regelmatig” een betalingsachterstand had vanaf juni/juli 2006, zoals ook volgt uit de door Rabobank als productie 7 in het geding gebrachte betalingsoverszichten. Ook deze omstandigheid is derhalve komen vast te staan.

ten aanzien van opzeggingsgrond 2 (beslag gelegd door de Informatie Beheer Groep)

4.10.

Wat betreft de door [eisers] ten aanzien van deze opzeggingsgrond ingenomen stellingen als hierboven zijn genoemd in rov. 4.4 dient de rechtbank slechts acht te slaan op die stellingen die betrekking hebben op de situatie voorafgaande aan en ten tijde van de opzegging en de executieveiling. Voor zover de stellingen van [eisers] uitsluitend betrekking hebben op de situatie na de executieveiling, zijn deze voor de beoordeling dan ook niet van belang.

4.11.

In de opzeggingsbrief van 2 maart 2009 wordt verwezen naar diverse contacten tussen Rabobank en [eisers] voorafgaande aan de opzegging waarin de beslagleggingen aan de orde zijn gekomen. Zie de volgende passage in deze brief:

“Voorts is er op al uw registergoederen beslag gelegd. Wij verwijzen u in dit kader naar de eerder verstuurde brieven en de gesprekken waarin de problemen aan de orde zijn gekomen.”

Door Rabobank zijn niet betwist de stellingen van [eisers] :

  • -

    dat hij Rabobank vóór de opzegging reeds had bericht dat ten aanzien van dit derdenbeslag door hem al een betalingsregeling was getroffen met de deurwaarder en dat deze deurwaarder derhalve niet zou gaan executeren;

  • -

    dat hij daarbij te kennen had gegeven dat het bedrag waarvoor de beslagen waren gelegd, namelijk € 2.225,16 in hoofdsom plus bijkomende kosten, zo gering was dat het leggen van beslag op al zijn onroerende zaken een buitenproportioneel zwaar middel was; en

  • -

    dat de betalingsregeling ervoor zou zorgen dat deze vordering binnen afzienbare tijd zou zijn afbetaald.

Een en ander is dan ook komen vast te staan. Vervolgens is namens [eisers] op de comparitiezitting uitdrukkelijk het standpunt herhaald dat het Rabobank niet vrijstond vanwege het beslag door de Informatie Beheer Groep op te zeggen, waarna deze stelling namens Rabobank andermaal onbesproken is gelaten. Temeer omdat Rabobank, gelet op voormelde passage in haar opzeggingsbrief, schrijft dat er voorafgaande aan de opzegging (meermalen) contact is geweest met [eisers] over de beslagleggingen door de Informatie Beheer Groep, ziet de rechtbank dan ook, mede in het licht van genoemde zorgplicht van Rabobank jegens haar cliënt [eisers] , geen aanleiding om deze beslagleggingen door de Informatie Beheer Groep te beschouwen als een deugdelijke grond voor opzegging van de geldleningovereenkomsten.

ten aanzien van opzeggingsgrond 3 (verstrekken door [eisers] van onjuiste en onvolledige informatie)

4.12.

Vast is komen te staan dat [eiser 1] ten tijde van de opzeggingsbrief niet alle gevraagde informatie had verstrekt waarom was verzocht in de hierboven in 2.9 vermelde brief van 23 januari 2009, zoals (in ieder geval) een werkgeversverklaring en een eerstedagmelding van het Maasstad Ziekenhuis en kopieën van belastingaangiften. Waar namens Rabobank in de hierboven in 2.9 genoemde brief van 23 januari 2009 nauwgezet wordt aangegeven op welke punten [eisers] volgens Rabobank onjuiste informatie heeft verstrekt - zie de paragrafen 6-8 van deze brief - had van [eiser 1] verwacht mogen worden dat hij in zijn in reactie op deze brief verzonden e-mailbericht van 5 februari 2009 als hierboven genoemd in 2.10 niet had volstaan met een ontkenning in algemene termen, maar een en ander concreet had weerlegd. Geconstateerd moet worden dat [eiser 1] dit heeft nagelaten, zoals in de hieropvolgende brief van 11 februari 2009 van de raadsman van Rabobank - zie hierboven in 2.11 - ook met zoveel woorden wordt opgemerkt. Zie daarvoor de volgende volzin onder 7 van deze brief: “Terzake van de constatering van cliënte in het verleden dat u herhaaldelijk in het kader van de bestaande (krediet)relatie onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt, handhaaft cliënte - bij gebreke van andersluidende informatie uwerzijds - haar standpunt zoals uiteengezet in mijn brief van 23 januari 2009”.

Dat [eisers] altijd juiste althans volledige informatie heeft verstrekt aan Rabobank is dan ook niet komen vast te staan.

4.13.

[eisers] heeft verder nog betoogd dat Rabobank aan [eisers] nooit zou hebben aangegeven in welk kader zij de bij genoemde brief van 23 januari 2009 opgevraagde stukken wilde hebben, meer in het bijzonder dat Rabobank zou hebben nagelaten [eisers] ervan op de hoogte te stellen dat zij bezig was met een (soort) fraudeonderzoek.

In deze gedachtegang kan [eisers] niet worden gevolgd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

In de brief van 23 januari 2009 worden namens Rabobank concreet gemaakte verdenkingen geuit tegenover [eiser 1] , die duiden op diverse mogelijke vormen van fraude, zoals ten aanzien van gegevens over zijn werk en zijn verdiensten. Na deze uiteenzetting wordt in deze brief verzocht om diverse stukken, die alle betrekking hebben op werk en verdiensten van [eiser 1] , te weten een kopie van uw belastingsaangiftes over de afgelopen 3 jaar (zowel privé als zakelijk), een werkgeversverklaring en eerstedagsmelding van het Maasstad Ziekenhuis en bankafschriften waaruit loonbetalingen door het Maasstad Ziekenhuis blijken. Op grond van een en ander had het voor [eisers] duidelijk moeten zijn waarom Rabobank behoefte had aan al deze stukken, meer concreet: dat Rabobank bezig was met een onderzoek naar inkomsten en werk van [eiser 1] (in verband met een vermoeden van door [eisers] gepleegde fraude) en voor dat onderzoek behoefte had aan al deze stukken.

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat [eisers] binnen tien dagen na 2 maart 2009 als verzocht in genoemde brief van die datum contact heeft opgenomen met de raadsman van Rabobank dan wel dat [eisers] door omstandigheden buiten hem om niet in staat is geweest zulks te doen. Voldaan is dus aan de voorwaarden die Rabobank zichzelf in deze brief had opgelegd vooraleer tot opzegging van de verstrekte financiering kon worden overgegaan.

4.15.

Nu vaststaat dat [eisers] ten tijde van deze opzegging op 2 maart 2009 ondanks diverse aanmaningen nog betalingsachterstanden had, het betaalgedrag van [eisers] ook in het verleden geregeld achterstanden vertoonde, [eisers] onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt aan Rabobank bij het afsluiten van de hypothecaire geldleningen en gedurende de looptijd hiervan en hij niet voldaan heeft aan herhaalde verzoeken van Rabobank om verstrekking van met name genoemde stukken waaraan zij behoefte had voor een onderzoek naar inkomsten en werk van [eiser 1] (in verband met een vermoeden van door [eisers] gepleegde fraude), kan niet gezegd worden dat Rabobank door deze opzegging in strijd met haar zorgplicht jegens haar cliënte [eisers] heeft gehandeld . Gelet op een en ander was er een voldoende zwaarwegende grond aanwezig om tot opzegging over te gaan op 2 maart 2009.

ten aanzien van opzeggingsgrond 4 (overbewoning en Eneco-fraude)

4.16.

Aangezien, zoals volgt uit het bovenstaande, ook zonder deze opzeggingsgrond Rabobank gerechtigd was de financiering op 2 maart 2009 op te zeggen, behoeft de rechtbank niet meer tot een beoordeling hiervan over te gaan.

ten aanzien van de vorderingen die betrekking hebben op (de beslissing van Rabobank om over te gaan tot) de veiling

4.17.

Rabobank heeft gemotiveerd betwist het standpunt van [eisers] dat hem geen redelijke termijn is gegeven om een andere bank te zoeken of zijn onroerende zaken onderhands te verkopen, eventueel in combinatie met het door [eisers] voor zijn eigen rekening nemen van de veilingkosten. Verwezen zij naar de nummers 70-81 van de conclusie van antwoord. [eisers] heeft vervolgens nagelaten deze stellingen van Rabobank te betwisten. Het onder 4.4.3. sub a. en b. vermelde verweer van [eisers] kan derhalve geen stand houden.

4.18.

Wat er verder ook zij van het argument van [eisers] (weergegeven onder 4.4.3. sub c.) dat de ouders van [eiser 1] , die op de onroerende zaken aan de [adres C] een recht van derde hypotheek hadden gevestigd, nooit door Rabobank van de veiling op de hoogte zijn gesteld, dit argument van [eisers] kan hem reeds daarom niet baten, omdat deze onroerende zaken, in tegenstelling tot de onroerende zaken aan de [adres] , niet zijn geveild en de ouders van [eiser 1] door de veiling derhalve geen schade hebben geleden.

4.19.

De verweren onder 4.4.3. sub d. tot en met g. hebben alle betrekking op de door [eisers] gestelde rol van de gemeente Rotterdam bij de handelwijze – en uiteindelijk de opzegging – door Rabobank. Dat er sprake is van de aanwezigheid van een of meer geldige gronden voor de opzegging door de bank en dat gehandeld is conform de contractuele zorgvuldigheidsnorm en conform de eisen van redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW, sluit niet uit dat de bank onder bepaalde omstandigheden van die gronden toch geen gebruik mocht maken, namelijk als de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW, of als er sprake zou zijn van misbruik van recht. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een overeenkomst wordt opgezegd met geen ander doel dan de wederpartij te schaden; de stellingen van de partijen geven geen aanknopingspunten voor de conclusie dat hiervan in casu sprake is. Ook als de gemeente heeft aangedrongen op de opzegging, zoals [eisers] stelt - en in verband waarmee hij verwijst naar diverse stukken, waaronder e-mail-wisseling - brengt dat in de gegeven omstandigheden, die in de bovenstaande overwegingen zijn weergegeven, niet mee dat de bank niet tot opzegging mocht overgaan op de grond dat deze onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid of dat de bank door de opzegging misbruik van recht zou maken.

4.20.

Het verweer onder h. van 4.4.3. heeft betrekking op schade. Gelet op de hiervoor weergegeven beoordelingen komt dit aspect niet aan de orde

tot slot

4.21.

Het bovenstaande betekent dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eisers] in de proceskosten worden veroordeeld.

4.23.

Naar aanleiding van het hierop betrekking hebbende verzoek van Rabobank zullen de nakosten voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eisers] af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, die aan de zijde van Rabobank zijn bepaald op

€ 3.529,-- aan verschotten en € 5.160,-- aan salaris voor de advocaat;

veroordeelt [eisers] , indien hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met

€ 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na aanzegging van de nakosten tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.

901/1624