Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX2753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
10/660165-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk slachtoffer als gevolg van spelen met een vuurwapen. Slachtoffer was eigenaar van het vuurwapen en het schot werd gelost door zijn vriend. Er was geen sprake van ruzie tussen hen. Feitelijke omstandigheden staan eraan in de weg aan te nemen dat de verdachte de dood van het slachtoffer op de koop toe heeft willen nemen. Geen (voorwaardelijk) opzet op de dood.

Nu de officier van justitie uitsluitend moord/doodslag ten laste heeft gelegd en niet als subsidiar op de ten laste legging heeft opgenomen dood door schuld, terwijl die schuld bestaat uit roekeloosheid, heeft de rechtbank geen andere keus dan de verdachte vrij te spreken van dit feit. Wel wordt het wegmaken van het lijk en vuurwapenbezit bewezen geacht.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 151
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660165-10

Datum uitspraak: 24 juli 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Wijk heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 1

Ten aanzien van het impliciet primair ten laste gelegde (moord)

Het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde –moord– is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie dit ook heeft gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Ten aanzien van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag)

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte bevond zich, samen met het zoontje van zijn vriendin, in de woning van zijn vriendin, [naam vriendin]. Zijn vriend, [naam vriend], het slachtoffer, kwam op bezoek. Ook zijn vriendin kwam thuis, samen met haar zus en diens pasgeboren dochtertje. Op enig moment trok [zijn vriend] zijn vuurwapen en hebben zij over hun beider vuurwapens opgeschept. Er was sprake van een goede sfeer, er werd gelachen en er werd stoer gedaan met het wapen van het slachtoffer. Die pakte het wapen, stopte het weg, pakte het opnieuw, richtte het op enig moment op de verdachte en haalde de trekker een aantal maal over zonder dat het wapen afging. De verdachte heeft daarop het wapen van het slachtoffer afgepakt, wilde het aan zijn vriendin geven maar die wilde daar niets van weten.

De verdachte heeft het wapen toen weer aan het slachtoffer teruggegeven. Die hield het in zijn hand, haalde het magazijn eruit en haalde de trekker weer over. Het wapen ging toen niet af.

De verdachte heeft het wapen opnieuw afgepakt en vervolgens op het slachtoffer gericht en de trekker overgehaald om hem, volgens zijn zeggen te laten ervaren hoe vervelend hij bezig was. De verdachte moet daarbij eveneens de veiligheidspal hebben ingedrukt, waardoor het wapen afging en het slachtoffer dodelijk werd geraakt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat als gevolg van zijn handelen het slachtoffer zou komen te overlijden. Het gedrag van de verdachte tijdens het schietincident kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op een bepaald gevolg worden aangemerkt, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, te weten de dood van het slachtoffer, heeft aanvaard. De verdachte heeft een ruime ervaring met vuurwapens. Desalniettemin heeft hij het wapen op het slachtoffer gericht en de trekker overgehaald zonder dat hij zich er van heeft vergewist dat het wapen ongeladen was. Dit klemt des te meer, omdat de verdachte heeft gesteld en volhoudt dat hij het wapen niet kent en dat het van het slachtoffer was, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het doodschieten van de vriend van de verdachte een ongeluk is geweest. Gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het schietincident heeft plaatsgevonden, is geen sprake van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, maar hooguit van roekeloosheid of aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. De verdachte was er van overtuigd dat het wapen ongeladen was, omdat de verdachte en het slachtoffer kort voor het fatale schot reeds meermalen de trekker van het wapen hadden overgehaald. Hierbij was geen schot gelost. Op het moment dat de verdachte het wapen op het slachtoffer richtte en wel een schot werd gelost, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte onbewust de veiligheidspal aan de achterzijde van het wapen heeft ingedrukt.

Voor het geval de rechtbank dit standpunt niet zal volgen, heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan de officier van justitie opdracht te geven de sloot waarin de verdachte stelt het bewuste vuurwapen te hebben gegooid, te laten baggeren, om hetgeen de verdachte heeft verklaard over de zeer ongebruikelijke (greep-)veiligheid te kunnen verifiëren.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of door het handelen van de verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer én of die kans door de verdachte ook bewust is aanvaard.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke zin op dat gevolg gericht is geweest. Hiervoor zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang.

Verondersteld mag worden dat een ieder – en dus ook de verdachte – zich bewust is van de risico’s die elk gebruik van een vuurwapen met zich brengt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte door met het vuurwapen op het slachtoffer te richten en de trekker over te halen, zonder zich er van te vergewissen dat het vuurwapen niet doorgeladen was, ook al was de patroonhouder verwijderd, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het vuurwapen zou afgaan. De vraag is dan of de verdachte daarbij ook welbewust de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen heeft aanvaard.

De rechtbank acht dat zeer onwaarschijnlijk.

De verdachte heeft verklaard dat het schietincident heeft plaatsgevonden met het wapen van het slachtoffer nadat hij dit wapen had afgepakt. De rechtbank is van deze lezing uitgegaan, daar zij door verschillende verklaringen van anderen wordt ondersteund. Uit de verklaring van de verdachte en uit de verklaringen van de getuigen blijkt niet dat sprake was van enige spanning dan wel ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer. Het waren vrienden. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat het wapen niet geladen was op het moment dat hij op het slachtoffer richtte en de trekker overhaalde, zoals hij daarvoor ook een aantal maal gedaan had zonder dat het wapen was afgegaan. De verdachte was zich er niet van bewust dat het wapen wel doorgeladen was. Het enkele feit dat de verdachte ervaring had met vuurwapens en naar eigen zeggen vrijwel altijd een wapen met zich droeg, maakt dit niet anders. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

Het spelen met een wapen in de zin van het aan elkaar tonen, op elkaar richten, stoer doen en uiteindelijk het wapen pakken, op de ander richten en nog een keer de trekker overhalen zonder zich te vergewissen of het wapen daadwerkelijk ongeladen was, met als gevolg dat iemand het leven laat kan worden aangemerkt als een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid bij het handelen, hetgeen het misdrijf dood door roekeloosheid oplevert.

De officier van justitie heeft evenwel de keuze gemaakt om uitsluitend moord c.q. doodslag aan de verdachte ten laste te leggen.

Nu de rechtbank (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer niet aanwezig acht, en niet subsidiair op de tenlastelegging dood door schuld in de zin van roekeloosheid is opgenomen, heeft de rechtbank geen enkele andere keus dan de verdachte vrij te spreken van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde.

Gelet hierop behoeft het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman met betrekking tot het nogmaals zoeken naar het wapen door het baggeren van de sloot, geen bespreking.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij in de periode van 2 april 2010 tot en met 4 april 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een lijk te weten het stoffelijk overschot van een man genaamd [naam slachtoffer] heeft verborgen en weggevoerd en weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] in te pakken in/met vuilniszakken en/of tape en/of een vloerkleed en/of een matrasbeschermer en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens uit een woning gelegen aan het [adres] te Rotterdam weg te dragen en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens in een busje te leggen en

- vervolgens met dat busje met daarin het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] naar natuurpark "De Esch" aan de Nesserdijk te Rotterdam te rijden en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens uit het busje te slepen en/of te trekken en/of te dragen en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens door genoemd natuurpark te slepen en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens met stenen te verzwaren en

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] vervolgens in een natuurplas/water te gooien/leggen/slepen en aldaar te verzinken,

zulks telkens met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [het slachtoffer], te weten dat die [het slachtoffer] door vuurwapengeweld om het leven is gebracht, te verhelen;

3.

hij op 21 december 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art. 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Browning, model MK1, kaliber 9 MM,

en

munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van categorie III, te weten 14 kogelpatronen, kaliber 9 MM,

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Nu de verdachte bekend heeft deze feiten te hebben gepleegd en door de raadman geen vrijspraak van de feiten is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Deze opgave is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2.

medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het onttrekken van het lichaam van zijn overleden vriend aan de nasporing. Om te voorkomen dat het stoffelijk overschot van zijn vriend, die door hem was doodgeschoten, zou worden gevonden, heeft de verdachte, nadat de eerste paniek voorbij was, uiterst koel en berekenend gehandeld.

Samen met de anderen heeft hij het lichaam ingepakt en met een busje naar natuurpark De Esch vervoerd. Hier is het lichaam met stenen verzwaard en in het water gelegd met de bedoeling dat niemand het lichaam nog zou vinden.

Door zo te handelen heeft hij de familie van het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen om op een waardige manier afscheid te nemen van hun dierbare. Het is aan een oplettende voetganger te danken dat het lichaam van het slachtoffer toch is gevonden.

Het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten is onterend geweest voor het lichaam en de nagedachtenis van zijn vriend en daarmee heeft de verdachte bij de nabestaanden veel leed aangericht, zoals ook blijkt uit de verklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer zwaar aan. Daarnaast acht de rechtbank het laakbaar dat de verdachte verschillende andere personen bij zijn daden heeft betrokken. De stelling van de verdachte, dat hij slechts heeft gedaan wat door anderen werd bepaald, wordt niet gevolgd. Integendeel, uit de verschillende getuigenverklaringen en het beeld dat de rechtbank ter zitting van de verdachte heeft gekregen, komt naar voren dat het juist de verdachte is geweest die heeft bepaald wat er diende te gebeuren. Bovendien is de verdachte lange tijd op de vlucht geweest en heeft zodoende – ook nadat zijn medeverdachten reeds waren verhoord en hem duidelijk moest zijn dat de toedracht van de dood van [zijn vriend] bij de politie bekend was – geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een vuurwapen en de daarbij behorende munitie. Het incident waarbij zijn vriend doodgeschoten is, heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een vuurwapen bij zich te dragen. Gelet op de gevaarzetting die in het algemeen van vuurwapens uitgaat en die de verdachte ook nog eens recent had ondervonden, dient tegen het bezit daarvan streng te worden opgetreden.

Op de bewezen verklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juni 2012 reeds meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder verboden wapenbezit.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapporten van de psychiater dr. B.A. Blansjaar van 2 februari 2012, van de gezondheidszorgpsycholoog drs. E.A.M. Westenberg van 13 maart 2012 en het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 12 maart 2012. De conclusie in al deze rapporten is dat een grote kans op recidive bestaat, maar dat er geen aanknopingspunten worden gevonden voor een behandeling van de verdachte.

Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde rapporten en de indruk die de verdachte ter terechtzitting heeft achtergelaten, acht de rechtbank de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten volledig toerekeningsvatbaar.

Nu de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij vijanden heeft en daarom op straat wel een wapen bij zich moet hebben en derhalve de kans bestaat dat de verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit, ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde dit te voorkomen.

De opgelegde straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd. Dit is ingegeven door het feit dat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 151 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. Benaissa en Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Snel-van den Hout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2012.

Bijlage I bij vonnis van 24 juli 2012

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 02 april 2010 tot en met 04 april 2010

te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd

[het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk in een woning aan het

[adres], die [het slachtoffer] in/door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan

voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

(art. 289/287 Sr)

2.

hij

in of omstreeks de periode van 2 april 2010 tot en met 4 april 2010

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk een lijk (te weten het stoffelijk overschot van een man genaamd

[het slachtoffer]) heeft begraven en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] in te pakken in/met vuilniszakken

en/of tape en/of een vloerkleed en/of een matrasbeschermer en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) uit een woning gelegen

aan het [adres] te Rotterdam weg te dragen en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) in een busje te leggen

en/of

- (vervolgens) met dat busje met daarin het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] naar natuurpark "De Esch" aan de Nesserdijk te Rotterdam te rijden en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) uit het busje te slepen

en/of te trekken en/of te dragen en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) door genoemd natuurpark

te slepen en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) met stenen, althans

zware voorwerpen te verzwaren en/of

- het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] (vervolgens) in een natuurplas/water

te gooien/leggen/slepen en/of (aldaar) te verzinken,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het

overlijden van die [het slachtoffer], te weten dat die [het slachtoffer] door vuurwapengeweld

om het leven is gebracht, te verhelen;

(art. 151 WvSr)

3.

hij

op of omstreeks 21 december 2011

te Rotterdam

een of meer wapen(s) als bedoeld in art.2 lid 1 categorie III onder 1 van de

Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van

die wet in de vorm van een pistool van het merk Browning, model MK1, kaliber 9

MM,

en/of

munitie in de zin van art.1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet van categorie III, te weten 14

kogelpatronen, kaliber 9 MM,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(art. 26/55 WWM)

Bijlage II bij vonnis van 24 juli 2012

OPGAVE BEWIJSMIDDELEN

feit 2

1.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 2 januari 2012 nummer PL17F0 2010109929-227 (bekennende verklaring van de verdachte d.d. 2 januari 2012).

2.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 9 maart 2012 nummer PL17I0 2010109929-232 (bekennende verklaring van de verdachte d.d. 9 maart 2012).

3.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 6 juni 2010 nummer PL17F0 2010109929-186 (bekennende verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] d.d. 6 juni 2010).

4.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 5 april 2010 nummer PL17F0 2010109929-16 (relaas verbalisanten D.T. Houweling en M.F.P. Priester met betrekking tot de lijkvinding).

feit 3

1.

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

2.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond van 22 december 2011, nummer PL17P0 2011380010-5 (relaas verbalisant I. Woollard met betrekking tot het aantreffen van het vuurwapen).

3.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond van 22 december 2011, nummer 2011380010 (relaas verbalisant E.C. van Loenen betreffende de omschrijving van het vuurwapen in het kader van de Wet wapens en munitie).

De bewijsmiddelen worden, ook in onderdelen telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij betrekking hebben.