Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX2421

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/2915
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit heeft verweerder aangekondigd dat zal worden overgegaan tot verzegeling van het kermisattractietoestel van verzoeker. In het bestreden besluit is daarbij meegedeeld dat verzegeling kan worden voorkomen door uiterlijk op 10 juli 2012 een geldig certificaat van goedkeuring aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit te tonen. Gelet op het in artikel 7 van de Warenwet en het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen besloten liggende systeem van goedkeuring, normering en handhaving, is verweerder bij de handhaving van artikel 7 van de Warenwet in de regel niet gehouden zich zelfstandig een oordeel te vormen over de vraag of bij redelijkerwijs te verwachten gebruik van het attractietoestel gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens kunnen optreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2915

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[A v.o.f.] , te [B], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. A.H.M. Smits,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: T.B. Klaasse LLB.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder aangekondigd dat op of na 10 juli 2012 zal worden overgegaan tot verzegeling van het kermisattractietoestel van verzoeker genaamd [C], type “Heartbreaker”. In het bestreden besluit is daarbij meegedeeld dat verzegeling kan worden voorkomen door uiterlijk op 10 juli 2012 een geldig certificaat van goedkeuring aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) te tonen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster op 5 juli 2012 de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit tot een week nadat op het bezwaar zal zijn beslist.

Verweerder heeft op 6 juli 2012 toegezegd te wachten met effectuering van het bestreden besluit totdat op het verzoek om voorlopige voorziening zal zijn beslist, mits binnen veertien dagen na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening zal worden beslist. Ter zitting is van de zijde van verweerder toegezegd dat de tenuitvoerlegging niet zal plaats vinden totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

De griffier van de rechtbank Breda heeft het verzoek op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen J. van Eijk namens verzoekster, en T.H.E. Reekers, J. Boots en A. Blokker namens de Nederlandse Kermisbond. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen mr. I.L. de Graaf.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 23 van de Warenwet is de rechtbank te Rotterdam in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet bevoegd.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. Artikel 7 van de Warenwet luidt:

“Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden technische voortbrengselen, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te verhandelen of te gebruiken, indien ten aanzien van die technische voortbrengselen bij of krachtens die maatregel voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen.”

Artikel 30 van de Warenwet luidt:

“1. Onze Minister kan besluiten een technisch voortbrengsel buiten gebruik te stellen indien het gebruik van dat voortbrengsel gevaar oplevert of indien de op grond van artikel 7 voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen. De in artikel 25 bedoelde ambtenaar verzegelt het technische voortbrengsel ten bewijze van de buitengebruikstelling.

2. Onze Minister besluit tot opheffing van de buitengebruikstelling indien het gevaar is weggenomen, de buitengebruikstelling ongegrond is gebleken of indien de in artikel 7 voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures in acht zijn genomen.

3. Het is verboden een technisch voortbrengsel te gebruiken dat op grond van het eerste lid buiten gebruik is gesteld.

4. Overtreding van het verbod, bedoeld in het derde lid is, een misdrijf.”

Ingevolge artikel 3a van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) is het verboden attractie- of speeltoestellen te vervaardigen, te verhandelen of te gebruiken, die niet voldoen aan, of ten aanzien waarvan wordt gehandeld, in strijd met bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

Ingevolge artikel 4 van het WAS zijn attractie- en speeltoestellen zodanig ontworpen en vervaardigd, hebben die zodanige eigenschappen en zijn die van zodanige opschriften voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens. Zij voldoen daartoe aan de in bijlage I genoemde voorschriften.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het WAS worden attractietoestellen periodiek gekeurd door een aangewezen instelling.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het WAS wordt de aanvraag van een keuring van een attractie- of speeltoestel ingediend bij slechts één aangewezen instelling.

Ingevolge artikel 10a van het WAS wordt nadat een keuring als bedoeld in artikel 8 heeft plaatsgevonden voor een attractie- of speeltoestel een certificaat van goedkeuring afgegeven, indien het naar het oordeel van de aangewezen instelling voldoet aan de in de artikelen 4 tot en met 6 gegeven voorschriften.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Nadere regels attractie- en speeltoestellen verliest een certificaat voor attractietoestellen zijn geldigheidsduur twaalf maanden na de datum van de keuring op grond waarvan het certificaat is afgegeven, met dien verstande dat, indien buiten toedoen van de toestelhouder niet tijdig kan worden gekeurd, het certificaat zijn geldigheid behoudt gedurende ten hoogste vier maanden na afloop van de termijn waarvoor het is afgegeven.

Als een instelling, die met betrekking tot attractie- en speeltoestellen bevoegd is tot het verrichten van keuringen, het afgeven van certificaten van goedkeuring, het aanbrengen van merken van goedkeuring en het verstrekken van verklaringen van geschiktheid voor technische dossiers is gelet op artikel 7a van de Warenwet MKB-Certificatie B.V. (MKB), Breiderveldweg 11, 6365 CM Schinnen aangewezen (Stcrt. 2010, 10647).

3. Verzoekster betoogt dat haar belang bij het draaiende houden van de attractie totdat op bezwaar is beslist groter is dan het belang bij verweerder bij onverwijlde verzegeling.

Verzoekster voert in dit verband aan dat de verzegeling wordt gebaseerd op het feit dat de kermisattractie van verzoekster meer dan 17,85 omwentelingen per minuut zou maken (namelijk 18,5 rechtsom en 19,5 linksom). Volgens verzoekster is geen sprake van een redelijke belangenafweging omdat de attractie al twintig jaar op deze snelheid draait, de attractie voorheen altijd is goedgekeurd door de aangewezen keuringsinstelling en er nimmer een incident heeft plaatsgehad. Voorts stelt verzoekster in haar verdedigingsbelangen te zijn geschaad omdat zij niet beschikt over stukken die zij bij verweerder heeft opgevraagd in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur. Het gaat volgens verzoekster om rapporten op grond waarvan NVWA zou hebben beslist om handhavend op te treden. De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (onder wie de NVWA als dienst ressorteert) heeft aangegeven uiterlijk op 21 augustus 2012 op dit verzoek te zullen beslissen. Ter zitting is voorts nog betoogd dat het keuringsrapport van MKB een ongemotiveerde afwijzing bevat. Ten aanzien van alle technische eisen is namelijk steeds afgevinkt dat die voldoen, doch is uitsluitend een opmerking geplaatst omtrent de snelheid van het toestel.

3.1. Het bestreden besluit is gebaseerd op de volgende grondslag:

“Op donderdag 26 april 2012 heeft [een controleambtenaar van NVWA] een onderzoek uitgevoerd aan het attractietoestel Heartbreaker (trip) op de kermis te Katwijk aan Zee.

Daarbij is vastgesteld dat het attractietoestel op 25 april 2012 door een aangewezen instelling is afgekeurd. Ten aanzien van het toestel kon geen geldig certificaat van goedkeuring worden getoond en was het toestel niet voorzien van een geldig merk van goedkeuring.”

3.2. Gelet op artikel 8, eerste lid, van het WAS in verbinding met artikel 6, tweede lid, van de Nadere regels attractie- en speeltoestellen worden attractietoestellen jaarlijks gekeurd door een door verweerder aangewezen instelling, in onderhavig geval MKB. Gelet op het ter zitting overgelegde keuringsrapport van MKB is het kermisattractietoestel van verzoeker genaamd [C], type “Heartbreaker” op 25 april 2012 afgekeurd. Verzoekster heeft het toestel nadien niettemin draaiende gehouden. Daarmee staat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vast dat verzoekster artikel 3a van het WAS in verbinding met artikel 7 van de Warenwet niet heeft nageleefd.

3.3. Gelet hierop is verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd toepassing te geven aan artikel 30, eerste lid, van de Warenwet.

3.4. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid het attractietoestel buiten gebruik te stellen door aan te kondigen dat tot verzegeling zal worden overgegaan. Verweerder heeft verzoekster daarbij een termijn vergund om alsnog een goedkeuringscertificaat over te leggen. Verzoekster heeft niet om een herkeuring gevraagd. Evenmin heeft zij – hoewel die mogelijkheid uitdrukkelijk in het rapport is vermeld – bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de door verweerder aangewezen keuringsinstelling MKB, zodat de voorzieningenrechter niet vermag in te zien dat verzoekster in haar verdedigingsmogelijkheden wordt belemmerd doordat zij in het kader van deze procedure (nog) niet beschikt over de door haar bij NVWA opgevraagde rapporten. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op het in artikel 7 van de Warenwet en het WAS besloten liggende systeem van goedkeuring, normering en handhaving, verweerder bij de handhaving van artikel 7 van de Warenwet in de regel niet gehouden is zich zelfstandig een oordeel te vormen over de vraag of bij redelijkerwijs te verwachten gebruik van het attractietoestel gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens kunnen optreden.

3.5. De voorzieningenrechter sluit niet op voorhand uit dat verweerder bij zeer bijzondere omstandigheden niet in redelijkheid tot handhaving kan overgaan op grond van het ontbreken van een goedkeuringscertificaat. Te denken valt aan de situatie dat aanstonds moet worden geoordeeld dat ten onrechte een goedkeuring is onthouden. De enkele – niet onderbouwde – stelling van de zijde van verzoekster ter zitting dat het aantal draaiingen per minuut niets van doen heeft met de veiligheid van het toestel kan niet tot die gevolgtrekking leiden.

4. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.