Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX1614

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/926
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een nader advies van de SAOZ in beroep strekt tot wijziging van toekenning van een planschadevergoeding van een bedrag van € 8.000,- naar nihil. Nu vergunninghouder geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit zou het op nihil stellen van de vergoeding in strijd komen met het verbod van reformatio in peius.

Nu de inbreng van de deskundige niet ten voordele maar ten nadele strekte van zijn cliënten, in die zin dat zij bij nader inzien geen schade hebben geleden, was in dit geval het inschakelen van een deskundige niet redelijkerwijs noodzakelijk om tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/926

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 in de zaak tussen

A te X, en

B en C, beiden te Y,

hierna tezamen aangeduid als eisers,

gemachtigde eisers: mr. A. Barada,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle, verweerder,

gemachtigde: ir. G.N.B. van der Vlies.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

D B.V., gevestigd te Z,

gemachtigde mr. A.P. Cornelissen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen zijn besluit van 18 maart 2010 (het primaire besluit) ongegrond verklaard. Bij datzelfde besluit heeft verweerder het bezwaar van D (vergunninghoudster) tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit (gedeeltelijk) herroepen.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2012. Eiseres A is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door deskundige [ ]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde, bijgestaan door deskundige [ ].

Overwegingen

1. A is sinds 24 december 1998 eigenaar van de woning aan [adres]. B en C zijn feitelijk woonachtig in de woning.

2. Op 17 augustus 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling (en bouwvergunning) verleend aan vergunninghoudster [ ] voor het oprichten van een sportschool met bijbehorende voorzieningen op het perceel, kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], plaatselijk bekend als [adres]. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

3. Verweerder en vergunninghoudster hebben op 16 augustus 2007 een planschadeovereenkomst gesloten, waarin vergunninghoudster zich verplicht heeft om de kosten van het toekennen van planschadevergoedingen, die voortkomen uit het vrijstellingsbesluit, voor haar rekening te nemen.

4. Bij brief ontvangen op 5 juni 2009 heeft A verzocht om planschadevergoeding. A stelt dat zij schade lijdt in de vorm van een waardevermindering van haar woning als gevolg van het vrijstellingsbesluit.

5. Verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) om advies gevraagd. Verweerder heeft in overleg met de SAOZ B en C aangemerkt als mede-verzoekers om planschadevergoeding. De SAOZ heeft in een advies van 10 februari 2010 het vrijstellingsbesluit vergeleken met het bestemmingsplan “Buitengebied Vierpolders 1979” en geconcludeerd dat het vrijstellingsbesluit leidt tot een (licht) nadeliger planologische situatie voor eisers. Volgens de SAOZ is het gebruik van de desbetreffende gronden door het in werking treden van het vrijstellingsbesluit veranderd. Deze konden onder het oude regime worden gebruikt voor agrarische doeleinden, waarbij het was toegestaan om per bedrijf twee bedrijfswoningen op te richten, op een afstand van ruim 35 meter van het perceel van eisers en ongeveer 40 meter van de woning van eisers, en met een maximale bouwhoogte van 11 meter. Onder het nieuwe regime is binnen het plangebied op een kortst gemeten afstand van circa 39 meter tot de woning van eisers een sportcentrum, bestaande uit twee bouwlagen, met een respectievelijke goot- en bouwhoogte van ruim 7 meter en bijna 10 meter, met bijbehorende voorzieningen gerealiseerd. De SAOZ heeft vervolgens naar aanleiding van de planologische vergelijking de waardevermindering bepaald, waarbij zij de aard en ernst van de inbreuk in verhouding tot de oude planologische situatie heeft beoordeeld. De SAOZ heeft verweerder geadviseerd om een vergoeding toe te wijzen, inhoudende toekenning van een vergoeding van € 3.000,- aan A en aan B en C een gezamenlijke vergoeding van € 8.000,-.

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder planschadevergoedingen toegekend van respectievelijk € 3.000,- aan A en aan B en C € 8.000,-.

7. De SAOZ heeft in een nader advies van 2 september 2010 geconcludeerd dat de schade voor A voorzienbaar was, omdat realisering van de nieuwe woonwijk met bijbehorende voorzieningen ten tijde van de aankoop van de woning op 24 december 1998 voor haar kenbaar was uit de door de gemeenteraad op 9 juli 1991 vastgestelde “Visie op de ruimtelijke ontwikkeling” (Structuurvisie). De SAOZ heeft verweerder geadviseerd de aanvankelijk aan A toegekende planschadevergoeding van € 3.000,- op nihil te stellen.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van vergunninghoudster gegrond verklaard, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en voorts het primaire besluit herroepen in die zin dat de aanvankelijk aan A toegekende planschadevergoeding van € 3.000,- op nihil wordt gesteld.

9. In beroep stellen eisers - verkort en zakelijk weergegeven - dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de planologische wijziging voor A als eigenaar van de woning voorzienbaar was. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte de SAOZ-rapportages aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Volgens eisers is de Structuurvisie, anders dan de SAOZ meent, onvoldoende concreet voor het aannemen van voorzienbaar¬heid en zijn er onvoldoende concrete aanwijzingen op grond waarvan A ten tijde van de aankoop het oprichten van een sportschool tegenover haar woning had kunnen verwachten. Daarnaast wijzen eisers erop dat uit de Structuurvisie niet blijkt wat voor woningbouw er mogelijk was en wijzen zij erop dat het ingebrachte fragment van de kaart bij de Structuurvisie onleesbaar is. Eisers stellen dat de woning als gevolg van de bouw van de sportschool in waarde is verminderd met een bedrag van € 125.000,- tot € 150.000,-, doordat er volgens hen sprake is van een permanent verlies van woongenot, zicht- en privacyverlies, aantasting van de milieukwaliteit zoals lichtinval, geluidsreflectie en overlast. Tot slot stellen eisers dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

10. Eisers hebben een rapportage van 15 juni 2011 overgelegd. In deze rapportage wordt (onder meer) geconcludeerd dat de planvergelijking van de SAOZ van 2 september 2010 onvolledig is, omdat daarin ten onrechte niet zijn meegewogen de gronden met de bestemming ‘agrarische doeleinden’(AA). De SAOZ heeft zich in haar planvergelijking beperkt tot de gronden met de bestemming ‘agrarische doeleinden’(AC), terwijl de gronden ten zuiden van de [weg] ter hoogte van de sportschool zowel de bestemming ‘agrarische doeleinden’(AA) als ‘agrarische doeleinden’ (AC) hebben.

11. De SAOZ heeft op 10 januari 2012 een nader advies uitgebracht. Daarin heeft zij geconcludeerd dat het verzoek om planschadevergoeding van A moet worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een planologische verslechtering als gevolg van het vrijstellingsbesluit.

12. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

Op grond van artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Invoeringswet Wro) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing indien de aanvraag is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of de aanvraag ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kan worden ingediend.

Op grond van artikel 9.1.18, tweede lid, van de Invoeringswet Wro geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van de Wro om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro is ontstaan.

Op grond van artikel II, tweede lid, van de op 1 september 2005 in werking getreden wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f, voor zover de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip worden ingediend.

Op grond van artikel 49 van de WRO kent de gemeenteraad, voor zover hier van belang, een belanghebbende, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, op diens verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders - voor zover hier relevant - degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

De rechtbank overweegt dat op de aanvraag van eisers artikel 6.1 van de Wro van toepassing is, nu de aanvraag is ingediend na 1 juli 2008, en de aanvraag geen betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van vóór 1 september 2005. Als peildatum geldt 17 augustus 2007, de datum waarop het vrijstellingsbesluit in werking is getreden.

Beoordeling beroep van A

13. De vraag of sprake is van voorzienbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatste in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij is van belang of concrete beleidsvoornemens bestonden die openbaar zijn gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2010, LJN: BK8953).

14. Uit het advies van de SAOZ van 2 september 2010 blijkt het volgende. Het voorkeursmodel voor de visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brielle is het zogenoemde ‘beperkt boven-lokaal model’, welk model voorziet in de realisatie van ongeveer 1.800 - 1.900 nieuwe woningen inclusief de in ontwikkeling zijnde (woon)wijk met bijbehorende voorzieningen ‘Nieuwland’. Op het in de Structuurvisie weergegeven fragment van de plankaart wordt de locatie ook als zodanig aangeduid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SAOZ terecht als peildatum gehanteerd de datum van de aankoop van de woning, 24 december 1998 en terecht geconstateerd dat sprake is van eigendoms¬verkrijging onder bijzondere titel. Dat A de woning mogelijk vooruitlopend op vererving heeft aangekocht leidt niet tot de conclusie dat sprake is van eigendomsverkrijging onder algemene titel waarbij voorzienbaarheid van schade niet aan vergoeding in de weg staat.

15. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de mogelijke schade van A voor haar voorzienbaar was. De omstandigheid dat de SAOZ in een eerder advies de Structuurvisie niet in haar overwegingen heeft betrokken maakt het voorgaande niet anders, nu dit met het bestreden besluit is hersteld.

Het beroep van A is daarom ongegrond.

Beoordeling beroep van B en C

16. Op grond van vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2012, LJN: BW0802) mag een bestuursorgaan een besluit op een verzoek om planschadevergoeding baseren op een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie van dat advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

17. Uit het nadere SAOZ advies van 10 januari 2012 volgt dat de planologische vergelijking in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde SAOZ advies van 10 februari 2010 onvolledig is. Volgens het nadere SAOZ advies is hierin ten onrechte niet betrokken de op grond van het destijds geldende planologische regime mede geldende bestemming ‘Agrarische doeleinden, klasse A (AA)’ en is hierin ook niet betrokken de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’ van de gronden ter plaatse van de [weg] en de bermen daarvan, gelegen tussen de met het vrijstellingsbesluit gerealiseerde sportschool en de woning aan de [adres]. Op grond van de maximaal ingevulde bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied Vierpolders 1979” kunnen er op de gronden met de bestemming ‘Agrarische doeleinden, klasse A (AA)’, welke ten zuidwesten van de woning aan de overkant van de [weg] zijn gelegen, op een afstand van 35m2 van het perceel en 39m2 van de woning in beginsel uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van agrarische doeleinden worden opgericht, waarbij aan een schermhal, sleufsilo of windscherm kan worden gedacht. Op grond van de aanvullende werking van de Bouwverordening is een maximale hoogte van deze gebouwen van 15 meter toegestaan. Ook achter de woning, op een afstand van 60 meter van het perceel, is binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarische doeleinden, klasse C (AC)’ agrarische bebouwing met een hoogte van 10 meter toegestaan, alsmede een agrarische bedrijfswoning van 6 meter goothoogte en een forse kap en andere bouwwerken als hooitorens en silo’s van 15 meter hoog en na een binnenplanse vrijstelling is hiervoor een maximale hoogte van 20 meter toegestaan.

De verleende vrijstelling heeft geleid tot het oprichten van een, op een afstand van 35 meter van het perceel en 39 meter van de woning, gelegen sportschool, bestaande uit twee bouwlagen, met een respectievelijke goot- en bouwhoogte van ruim 7 meter en bijna

10 meter met bijbehorende voorzieningen. De nieuwbouw heeft een oppervlakte van ruim

1000 m2 en een frontbreedte aan de noodwestzijde, de zijde waarop de woning is gericht, van 33 meter. Uitgaande van de maximale invulling van het oude planologische regime heeft de verleende vrijstelling niet geleid tot een vermindering van het uitzicht of tot een grotere schaduwwerking, aldus de SAOZ in haar nadere advies. Hierbij heeft de SAOZ ook de planologische mogelijkheden van de tussenliggende bestemmingen, zoals een voorziening om geluidhinder te beperken (het plaatsen van een fors geluidsscherm), meegewogen. De SAOZ stelt vast dat een dergelijk scherm het zicht vanuit de woning op en over het plangebied geheel zou wegnemen en de inval van zonlicht zou belemmeren.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding dit nadere SAOZ advies voor onjuist te houden. Het nadere advies voldoet aan de hierboven onder 16 genoemde voorwaarden. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre, onder gegrondverklaring van het beroep, voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

19. Het nadere advies van de SAOZ strekt tot wijziging van toekenning van een planschadevergoeding van een bedrag van € 8.000,- aan B en C gezamenlijk naar nihil. Nu vergunninghouder geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit zou het op nihil stellen van de vergoeding in strijd komen met het verbod van reformatio in peius, inhoudende dat het instellen van bezwaar of beroep er niet toe mag leiden dat degene die bezwaar of beroep instelt in een nadeliger positie komt.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Proceskosten

21. Voor een veroordeling in de proceskosten ten behoeve van A is geen aanleiding.

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers B en C gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.748,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

23. Het verzoek van eisers tot vergoeding van de kosten van de [deskundige] van € 2.975,00 en de gevraagde vergoeding van de reis- en verletkosten van de deskundige wijst de rechtbank af. Tot het toekennen van een bijdrage in de kosten van deskundige bijstand kan aanleiding bestaan, indien het inschakelen van deze bijstand redelijkerwijs noodzakelijk was teneinde tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen Nu de inbreng van [naam deskundige], gelet op het nadere SAOZ-advies, niet ten voordele maar ten nadele strekte van B en C, in die zin dat zij bij nader inzien geen schade hebben geleden, kan niet staande worden gehouden dat het in dit geval inschakelen van een deskundige redelijkerwijs noodzakelijk was om tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2004, LJN: AO7124, en van 21 september 2011, LJN: BT2133).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van A ongegrond,

- verklaart het beroep van B en C gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre,

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

- bepaalt dat verweerder aan B en C het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,-, te betalen aan B en C.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. H. Bedee en

mr. F.A. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.