Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX1505

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/4716 en 11/4753
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:46, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbetwist staat vast staat dat verweerder zich bij het primaire besluit ten onrechte bevoegd heeft geacht om ten behoeve van het onderhavige bouwplan met toepassing van artikel 19, 2e lid, WRO, vrijstelling te verlenen, omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de vigerende provinciale vrijstellingenlijst van 9 oktober 2007. Daarnaast staat vast dat verweerder niet bevoegd was vrijstelling te verlenen op grond van het 1e lid van artikel 19 WRO. Volgens verweerder is er geen sprake van een onrechtmatig (primair) besluit en gaat, in afwijking van het overgenomen advies van de adviescommissie, alsnog inhoudelijk op het geschil in. Verweerder komt daarbij terug van zijn aanvankelijke bereidheid om medewerking te verlenen aan het bouwplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij van inzicht is veranderd en alsnog, zonder enige vorm van (financiële) compensatie, heeft geweigerd medewerking aan het bouwplan te verlenen. Bij het nieuw te nemen besluit zal verweerder het beroep van eisers op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel nader dienen te motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/4716

AWB 11/4753

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 in de zaken tussen

1. [Naam 1], te Berkel en Rodenrijs, eiser, (zaaknummer: AWB 11/4716),

gemachtigde: mr. J. de Vet,

2. [Maatschap Naam] , te Berkel en Rodenrijs, en haar maten, eisers, (zaaknummer: AWB 11/4753),

gemachtigde: mr. J.L. Zijlma,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkel en Rodenrijs, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Vijlbrief - van der Schaft.

Als derde-partij heeft aan het geding AWB 11/4753 deelgenomen:

[Naam 1], te Berkel en Rodenrijs,

gemachtigde: mr. J. de Vet.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de Maatschap een bouwvergunning eerste fase met vrijstelling verleend voor de bouw van drie bedrijfsverzamelgebouwen (24 bedrijfsunits) aan [het perceel].

Bij besluit van 13 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, zonder een tegemoetkoming in de proceskosten, gegrond verklaard en de door de Maatschap gevraagde bouwvergunning en vrijstelling alsnog geweigerd.

Zowel eiser als eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de onderhavige procedures op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. H. Korenneef en M. Korevaar-Kuiper.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor de bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Per 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vervallen en vervangen door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Verweerder heeft de thans ter discussie staande aanvraag vóór 1 juli 2008 ontvangen.

Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge het derde lid blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Nu de aanvraag voor inwerkingtreding van de Wro is ingediend, blijft op deze zaak de WRO van toepassing.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Onderdeel c noemt strijd met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen als weigeringsgrond.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Op grond van artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2. Op 30 juni 2008 hebben eisers een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het oprichten van drie bedrijfsverzamelgebouwen aan [het perceel]. Het bouwplan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Noordeindseweg 14e herziening”, aangezien de betreffende gronden de bestemming “agrarische doeleinden” hebben.

2.1 Omdat volgens verweerder het onderhavige bouwplan onder een van de in het beleid van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) van 9 oktober 2007, met kenmerk PZH-456952, limitatief opgesomde categorieën gevallen valt, waarvoor GS op voorhand een bijzondere verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend, heeft verweerder, nadat hij heeft vastgesteld dat het bouwplan is vergezeld van een goede ruimtelijke onderbouwing, het bouwplan in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Lansingerland en het bovendien past binnen het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Lint-Noord”, toepassing gegeven aan de procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Nadat verweerder tot de conclusie is gekomen dat de ingebrachte zienswijzen tegen het bouwplan geen aanleiding vormden om geen medewerking aan de vrijstelling te verlenen, heeft verweerder bij het primaire besluit voor het onderhavige bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, alsmede een bouwvergunning verleend.

2.2 In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft de Kamer Algemene Zaken van de commissie van advies voor bezwaarschriften (commissie) vastgesteld dat verweerder niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling te verlenen, omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de vigerende provinciale vrijstellingenlijst van 9 oktober 2007. Nu deze bezwaargrond van eiser doel treft, hoeven de overige gronden van bezwaar, aldus de commissie, geen inhoudelijke bespreking meer. Wel is de commissie van mening dat eiser voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de commissie, met uitzondering van het in aanmerking komen van de proceskosten, overgenomen. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de commissie niet van de inhoudelijke bespreking van de andere gronden van bezwaar heeft mogen afzien. Ter aanvulling van het advies van de commissie heeft verweerder nog het volgende overwogen.

3.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestaat om het primaire besluit te herroepen op grond van de overweging dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. Dan zal er immers sprake zijn van een herroeping wegens een bevoegdheidsgebrek, dat hersteld kan worden door alsnog een procedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te volgen. Verweerder is evenwel van mening dat dit laatste niet aan de orde kan zijn omdat het bouwplan zowel in strijd is met de thans geldende provinciale structuurvisie als de uitgangspunten van het thans geldende gemeentelijke planologisch beleid.

Het herziene planologische beleid van provincie en gemeente verplicht verweerder om terug te komen op de aanvankelijke bereidheid om medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure op basis van artikel 19 van de WRO. De procedure kan dus niet worden voortgezet. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 juni 2006, LJN: AX7056, waarin is overwogen dat het niet in strijd is met de WRO om met verwijzing naar gewijzigd beleid, van een vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik (meer) te maken. Overigens heeft verweerder daarbij nog wel aangegeven bereid te zijn om te onderzoeken of aan een aangepast bouwplan medewerking kan worden verleend, onder de voorwaarde dat de provincie bereid is de provinciale structuurvisie aan te passen op de wijze zoals de gemeente voorstaat.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008, LJN: BC5781, stelt verweerder dat hem niet verweten kan worden dat de vrijstellingsprocedure niet wordt voortgezet. Volgens verweerder is de situatie zodanig gewijzigd dat voor een vrijstelling geen plaats meer is. Van een onzorgvuldige of onjuiste belangenafweging dan wel van een ondeugdelijke motivering is geen sprake.

Gelet op het vorenstaande meent verweerder bevoegd te zijn alsnog medewerking aan de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO te onthouden, en zal op grond hiervan tot herroeping van het primaire besluit overgaan. De gevraagde bouwvergunning en vrijstelling worden alsnog geweigerd. Aan de toets aan het tweede lid, van artikel 19 van de WRO komt volgens verweerder dan ook geen zelfstandige betekenis meer toe. Bovendien kunnen de overige bezwaren onbesproken blijven, aldus verweerder in het bestreden besluit.

3.2 Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat niet iedere herroeping van een besluit tot aanspraak op proceskostenvergoeding kan leiden. Het moet gaan om een onrechtmatigheid die aan hem is te wijten. Nu deze er niet is, omdat de onderhavige herroeping van het primaire besluit in dit geval veeleer het gevolg is van een verandering van gewijzigde toepasselijke wetsvoorschriften, verandering van omstandigheden en van nieuwe beleidsinzichten, is volgens verweerder aan de voorwaarden voor proceskostenvergoeding niet voldaan. Contrair aan het advies van de commissie, is het verzoek van eiser om tegemoetkoming in de proceskosten, dan ook afgewezen.

4. Eisers betogen dat het standpunt van verweerder, dat de herroeping van het primaire besluit niet het gevolg is van een onrechtmatig besluit vanwege strijd met het recht, niet kan slagen. Eisers voeren in dit verband aan dat voor het bouwplan onder de toen geldende regelgeving geen vrijstelling en bouwvergunning verleend had kunnen worden. Eisers menen dat er wel degelijk sprake is van een onrechtmatig besluit en zullen, voor zover de vrijstelling en bouwvergunning anderszins niet alsnog worden verleend, in een civiele procedure schadevergoeding vorderen.

4.1 Onbetwist staat vast staat dat verweerder zich bij het primaire besluit ten onrechte bevoegd heeft geacht om ten behoeve van het onderhavige bouwplan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling te verlenen, omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de vigerende provinciale vrijstellingenlijst van 9 oktober 2007. In die zin heeft verweerder bij het betreden besluit terecht besloten het advies van de commissie over te nemen. Dit betekent dat het primaire besluit in strijd met het recht is genomen.

De nadere overweging van verweerder bij het bestreden besluit om het bezwaar desalniettemin inhoudelijk te beoordelen acht de rechtbank opmerkelijk. Hoewel verweerder stelt de overige bezwaren inhoudelijk te bespreken, stelt de rechtbank vast dat verweerder dit niet doet en zich beperkt tot het over een andere juridische boeg gooien van de herroeping van het primaire besluit.

De rechtbank is zich ervan bewust dat verweerder in het kader van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO een discretionaire bevoegdheid toekomt en dat in beginsel de mogelijkheid bestaat om in het kader van een heroverweging de procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO te wijzigen in een procedure op grond van het eerste lid. Deze mogelijkheid kan hier om verschillende redenen evenwel niet aan de orde zijn. Allereerst staat vast de gemeenteraad aan verweerder niet zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO heeft gedelegeerd. Bovendien stond ook artikel 19, vierde lid, van de WRO in de weg aan het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, nu het vigerende bestemmingsplan in juni 1991 in werking is getreden, voor het gebied ten tijde van het bestreden besluit geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag en geen vrijstelling was verleend van de herzieningsplicht zoals die voortvloeide uit artikel 33 van de WRO.

Hoewel verweerder niet betwist dat hij niet bevoegd was het tweede lid van artikel 19 van de WRO toe te passen, en bovendien vast staat dat een vrijstelling op grond van het eerste lid, van artikel 19 van de WRO in het kader van de heroverweging ten tijde van het bestreden besluit voor verweerder (nog) niet openstond, heeft verweerder bij het bestreden besluit overwogen, de vrijstelling in het kader van de heroverweging te hebben afgewezen wegens gewijzigde inzichten en regelgeving. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Verweerder was ten tijde van het bestreden besluit immers onbevoegd om vrijstelling op basis van artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO te verlenen en kon dus geen inhoudelijke heroverweging aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Verweerders verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling kan hem evenmin baten nu die situaties niet vergelijkbaar zijn met de hier aan de orde zijnde situatie. Verweerder kon daarom het onrechtmatig genomen primaire besluit op deze wijze niet helen.

Dat, zoals verweerder stelt, er geen sprake is van een onrechtmatig (primair) besluit is gelet op het vorenstaande onjuist. Bovendien is de motivering van het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig aan het advies van de commissie, welk advies verweerder bij het bestreden besluit heeft overgenomen. Het betoog van eisers treft derhalve doel.

4.2 Op grond hiervan dient het beroep gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gelet op het gebrek en de aard van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Nu het bevoegdheidsgebrek ten aanzien van de procedure als bedoeld in het eerste lid, van artikel 19, van de WRO betrekkelijk eenvoudig door verweerder kan worden hersteld, zal de rechtbank, in het licht van de finale geschillenbeslechting, in het navolgende de overige door eisers aangevoerde beroepsgronden bespreken.

5. Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel en hebben verder aangevoerd dat verweerder bij hen jarenlang een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat vrijstelling binnen het planologisch kader kon worden verleend. Eisers menen dat het verweerder niet vrijstaat nu terug te komen op het eerder door hem gewekte vertouwen. Desnoods zal de vergunning contra legem verleend moeten worden.

Eisers merken in dit verband op dat de vrijstelling en bouwvergunning onherroepelijk zouden zijn geworden als direct de juiste procedure was gevolgd. Bij de eerste terinzagelegging van het bouwplan waren immers geen zienswijzen ingediend. Eerst na de tweede terinzagelegging zijn zienswijzen ingediend. De lange duur van de procedure, veroorzaakt door fouten van de zijde van verweerder, is er dus debet aan dat eisers nu niet beschikken over een onherroepelijke bouwvergunning, terwijl er op goed vertrouwen forse investeringen zijn gedaan in de aankoop van grond, het bouwplan en de procedure. Het is aan de onzorgvuldigheid van de verweerder te wijten dat pas zeven jaar na de eerste gesprekken duidelijk is geworden dat de beoogde ontwikkeling planologisch kennelijk ongewenst was.

5.1 De rechtbank merkt in dit kader allereerst op dat, los van de vraag of er aan eisers vergaande (ongeclausuleerde) toezeggingen zijn gedaan, verweerder kan worden gevolgd in zijn mening dat het voor de bescherming van het vertouwen in beginsel niet van belang is of eisers grond hebben aangekocht om het bouwplan te realiseren of kosten voor het aanvragen van een vergunning hebben gemaakt. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat het volgens de bestaande rechtspraak aan de aanvrager van een vergunning zelf is om te onderzoeken of er wettelijke beletselen zijn voor vergunningverlening van een bouwplan. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat eisers goed begrepen hebben dat zij een eigen verantwoordelijkheid hebben. Zij hebben vanaf 2005 met de gemeente overleg gevoerd, pas daarna een kavel naast hun bedrijf aangekocht en in overleg met de gemeente op 20 september 2006 een schetsplan met een uitvoerige ruimtelijke onderbouwing ingediend voor het oprichten van bedrijfsgebouwen. Eisers hebben tevens met de gemeente een akkoord bereikt over een exploitatieovereenkomst en een planschadeovereenkomst. Eisers kan naar het oordeel van de rechtbank in die zin dan ook moeilijk verweten worden zelf geen onderzoek te hebben uitgevoerd.

Uit het primaire besluit en de daarvan deeluitmakende Notitie zienswijze van 13 september 2010, blijkt op welke wijze verweerder het bouwplan heeft getoetst. Op grond van het ruimtelijk beleid, neergelegd in de gemeentelijke structuurvisie “Het Lint”, achtte verweerder het meewerken aan een artikel 19 WRO-vrijstelling voor het bouwplan in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid in beginsel aanvaardbaar. Nu partijen daarnaast een planschade- en een grondexploitatieovereenkomst hebben gesloten, gaat het niet zomaar om een enkele toezegging maar ook om overeenkomsten, op basis van dezelfde planologische beleidskaders die ten tijde van het primaire en het bestreden besluit golden, waaronder ook de gemeentelijke structuurvisie “Lansingerland”, die op 18 februari 2010 is vastgesteld.

De rechtbank stelt op grond van de brief van verweerder van 24 mei 2011 en het verhandelde ter zitting vast dat er geen sprake is van een wijziging van het gemeentelijke planologische toetsingskader, maar dat verweerder de beleidsuitgangspunten in de structuurvisie “Het Lint” thans strenger interpreteert dan hij deed ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Ditzelfde geldt voor de provinciale structuurvisie, die overigens niet een rechtstreekse verticale bindende werking heeft. Op goede gronden kan bovendien worden afgeweken van het (provinciaal) planologisch beleid, zolang dit geen concrete beleidsbeslissing bevat en aan de afwijking maar een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat aan verweerder niet de bevoegdheid toekomt om bij het volgen van de gefaseerde vrijstellingsprocedure terug te komen van zijn aanvankelijke bereidheid om met toepassing van artikel 19 van de WRO medewerking te verlenen aan de realisering van het bouwplan. Daarbij zal verweerder dan wel deugdelijk dienen te motiveren waarom hij van inzicht is veranderd en alsnog van oordeel is dat het bouwplan vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Daarbij zal verweerder voorts de gevolgen van het bij eisers gewekte vertrouwen dienen af te wegen tegen het met de weigering gediende algemene belang of belangen van derden, en onder ogen moeten zien of die afweging tot het verlenen van enige compensatie noopt.

Aan de voornoemde zware motiveringsplicht, welk vereiste tevens volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 7 september 2011, LJN: BR6924, 15 juni 2011, LJN: BQ7946, en

1 maart 2006, LJN: AV2974, die in de onderhavige situatie zondermeer van toepassing is, nu verweerder terug komt op een eerder voornemen medewerking aan een bouwplan te verlenen waarmee gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd, waarom hij van inzicht is veranderd en alsnog, zonder enige vorm van (financiële) compensatie, heeft geweigerd medewerking aan het bouwplan te verlenen. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient verweerder het beroep van eisers op het vertrouwenbeginsel nader te motiveren. Ook voor het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel dient verweerder een toereikende nadere onderbouwing te geven en in te gaan op de door eisers in beroep aangehaalde voorbeelden, waarvan het planologische en juridische kader identiek zijn aan de aanvraag van eisers.

5.2 Een vergunningverlening contra legem, zoals door eisers is aangegeven, is in dit geval overigens geenszins noodzakelijk. In het geval verweerder zich immers in het licht van het vertrouwensbeginsel gehouden acht toch vrijstelling te verlenen, zal verweerder het bouwplan aan de gemeenteraad kunnen voorleggen en zodanige maatregelen kunnen nemen dat er alsnog met toepassing van het eerste lid, van artikel 19 van de WRO vrijstelling kan worden verleend. In dat geval kan, wellicht met enige aanpassingen aan het bouwplan, op betrekkelijk eenvoudige wijze legaal conform het limitatief imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet alsnog een bouwvergunning worden verleend.

5.3 De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep van eisers gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:4 van de Awb. De rechtbank ziet af van toepassing van de bestuurlijke lus en zal verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet hierop acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met het beroep tegen het bestreden besluit hebben moeten maken, zoals nader uitgewerkt onder randnummer 8 van deze uitspraak. Bovendien zal het door eisers betaalde griffierecht aan hen moeten worden vergoed.

6. Eiser heeft in zijn beroep aangevoerd het bestreden besluit niet te kunnen volgen voorzover daarbij het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in de kosten voor juridische bijstand is afgewezen. Er is immers sprake geweest van een aan het bevoegd gezag toe te rekenen onrechtmatigheid. Dit alleen al omdat het primaire besluit is genomen met inachtneming van het verkeerde artikel in de WRO en dat daarom ook de verkeerde procedure is gevoerd. Bovendien wordt er ook nog eens inhoudelijk teruggekomen op het primaire besluit.

6.1 De rechtbank overweegt dat van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, sprake is indien naar aanleiding van de heroverweging waartoe artikel 7:11 van de Awb verplicht, het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder terecht dat niet iedere herroeping van een primair besluit tot aanspraak op kostenvergoeding leidt. Het moet gaan om een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. In het licht van hetgeen onder randnummer 4 van deze uitspraak is overwogen is dit in dit geval aan de orde.

Aangezien aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, heeft verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte geweigerd om eiser op zijn verzoek een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toe te kennen. Het bestreden besluit dient ook ten aanzien van dit onderdeel te worden vernietigd.

Nu met inachtneming van deze uitspraak, anders dan bij eisers, ten aanzien van eiser rechtens nog maar één uitspraak mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepalen dat verweerder aan eiser, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), een vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar toekent ten bedrage van

€ 874,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

7. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Met inachtneming van het Bpb begroot de rechtbank deze kosten op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1) .

7.1 Omdat de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank acht op basis van het bepaalde onder randnummer 5.3 voorts termen aanwezig om verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser in zaak 11/4716 gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het niet toekennen van de proceskosten in bezwaar,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van in totaal € 1748,--, te betalen aan eiser.

- verklaart het beroep van eisers in zaak 11/4753 gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met in achtneming van de overwegingen van deze uitspraak,

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 302,-- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en

mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.