Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX1407

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
379280 / HA ZA 11-1250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure. Stelplicht en bewijslast. Beslaglegger betwist primair dat derde-beslagene een verklaring in de zin van art. 476a Rv heeft afgelegd, subsidiair wordt de inhoud van die verklaring betwist. Derde-beslagene heeft rechtsgeldig een verklaring in die zin van art. 476a Rv afgelegd. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich nader over de vraagpunten van de rechtbank uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 379280 / HA ZA 11-1250

Vonnis van 4 juli 2012

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van Louisiana, Verenigde Staten

OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INCORPORATED,

gevestigd te Louisiana, Verenigde Staten,

eiseres,

advocaat mr. J. Kneppelhout te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “Offshore” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis d.d. 16 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 29 maart 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1. [gedaagde] is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [persoon 1] (hierna: [persoon 1]).

2.2. [persoon 1] heeft in 2007 aan [gedaagde] verkocht de onverdeelde helft van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de echtelijke woning). De akte van levering d.d. 9 maart 2007 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De comparanten verklaarden het navolgende:

(…)

KOOPPRIJS, SCHULDOVERNAME, SCHULDIGERKENNING EN KWIJTING

De koopprijs bedraagt tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00), van welke koopprijs een gedeelte ad:

a. éénhonderd zestigduizend euro (€ 160.000,00), is voldaan door overname door koper van de helft in na te melden hypothecaire schuld van verkoper aan de na te melden schuldeiser onder verlening van vrijwaring door koper aan verkoper voor elke aanmaning deswege;

b. negentigduizend euro (€ 90.000,00), door middel van schuldigerkenning.

Verkoper en koper zijn overeengekomen dat verkoper afstand zal doen van zijn hiervoor vermelde vorderingsrecht op koper tot betaling van gemeld gedeelte van de hiervoor genoemde koopprijs ad negentigduizend euro (€ 90.000,00), en wel onder de verplichting voor koper om aan verkoper uit hoofde van geldlening schuldig te erkennen een bedrag ter grootte van een bedrag groot negentigduizend euro (€ 90.000,00).

(…)

Leveringsverplichting, juridische en feitelijke staat

Artikel 2

1. Verkoper is verplicht aan koper eigendom te leveren die:

(…)

b. niet bezwaard is met beslagen en/of hypotheken of met inschrijvingen daarvan, behoudens een recht van hypotheek, ten behoeve van de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, totaal in hoofdsom groot driehonderd twintigduizend euro (€ 320.000,00), gevestigd door de inschrijving in de registers van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te [woonplaats] op tweeëntwintig juli tweeduizend vier in deel 30714 nummer 144, van een afschrift van de op diezelfde dag voor genoemde notaris Louwers verleden akte houdende hypotheek; ”

2.3. Bij notariële akte d.d. 9 maart 2007 heeft [gedaagde] ten behoeve van [persoon 1] een recht van hypotheek gevestigd op de woning [adres] te [woonplaats]. De hypotheekakte luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Partijen verklaarden als volgt:

OVEREENKOMST TOT VESTIGING VAN HYPOTHEEK EN PAND

De schuldenaar [[gedaagde]] en de schuldeiser [[persoon 1]] zijn overeengekomen dat ten behoeve van de schuldeiser het recht van hypotheek en pand zal worden verleend op de in deze akte vermelde goederen, tot zekerheid als in deze akte omschreven.

GELDLENING

De schuldenaar is op tweeëntwintig juli tweeduizend vier en op negen maart tweeduizend zeven wegens geleend geld schuldig aan de schuldeiser een bedrag groot éénhonderd negentigduizend euro (€ 190.000,00), hierna te noemen “de hoofdsom”.”

2.4. Bij vonnis d.d. 24 november 2010, uitvoerbaar bij voorraad, heeft de rechtbank Rotterdam [persoon 1] – in het kader van een gevorderde erkenning van een door het 32e Judicial District Court van Terrebonne Parish, Louisiana, VS d.d. 15 oktober 2007 gewezen vonnis tussen Offshore en [persoon 1] – veroordeeld om aan Offshore te betalen het bedrag van USD 950.000,=, vermeerderd met de rente volgens de wet van de Staat Louisiana (VS) vanaf 26 juli 2005, alsmede USD 50.000,=, vermeerderd met de rente volgens de wet van de Staat Louisiana (VS) vanaf 15 oktober 2007, telkens tot de dag van betaling, of de tegenwaarde van die bedragen in euro’s naar de koers van de dag van betaling, en in de buitengerechtelijke kosten ad € 4.000,= en de proceskosten ad € 10.029,44.

2.5. Op 16/17 december 2010 heeft [persoon 1] een ‘Verklaring ex artikel 3:274 lid 1 BW’ ondertekend. Deze Verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“[persoon 1] (…)

Verklaart als volgt: (…)

2. dat [gedaagde] als schuldenaar op tweeëntwintig juli tweeduizend vier en op negen maart tweeduizend zeven wegens geleend geld schuldig was aan [persoon 1] als schuldeiser een bedrag groot éénhonderd negentigduizend euro (€ 190.000,--), hierna te noemen “de hoofdsom”;

3. dat [persoon 1] als schuldeiser met [gedaagde] als schuldenaar is overeengekomen dat ten behoeve van de schuldeiser het recht van tweede hypotheek en pand, tot zekerheid, is verleend op het volgende goed:

- het woonhuis (…) [adres];

4. dat [gedaagde] als schuldenaar de hoofdsom aan [persoon 1] heeft terugbetaald;

5. dat hiermee het recht van tweede hypotheek, als gevestigd op negen maart tweeduizend zeven, teniet is gegaan en daarmee is komen te vervallen;”

2.6. Bij deurwaardersexploit d.d. 31 december 2010 heeft Offshore executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] voor een bedrag van € 1.145.590,58, te vermeerderen met rente en kosten vanaf de datum van betekening. Het beslagexploit is op 31 december 2010 overbetekend aan [persoon 1].

2.7. Bij deurwaardersexploit d.d. 16 februari 2011 is [gedaagde] bevel gedaan alsnog binnen vijf dagen een verklaring ex artikel 476a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) af te leggen.

2.8. Bij brief d.d. 25 februari 2011 heeft mr. Bol aan de deurwaarder belast met de executie, voor zover van belang, als volgt bericht:

“Namens [gedaagde] bericht ik u dat ten tijde van de beslaglegging d.d. 31 december 2010 in opdracht van Offshore Specialty Fabricators Incorporated, ten laste van [persoon 1], tussen [gedaagde] en de heer [persoon 1] geen rechtsverhouding bestond op grond waarvan [gedaagde] enige betalingsverplichting aan de heer [persoon 1] had. Aldus treft het gelegde beslag geen doel.

Voor de volledigheid informeer ik u dat de heer [persoon 1] blijkens het hypotheekregister een hypothecaire inschrijving had op de aan [gedaagde] toebehorende woning aan de [adres] [woonplaats], doch de daarmee verband houdende schuld was op de datum van beslaglegging reeds gelenigd, terwijl aan de notaris reeds opdracht was verstrekt de betreffende hypothecaire inschrijving door te halen. Dit laatste heeft intussen ook plaatsgevonden.

Deze verklaring heeft te gelden als een verklaring zoals bedoeld in artikel 476a BRv.”

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Offshore van een bedrag van € 1.145.590,58, te vermeerderen met de rente en kosten vanaf 31 december 2010;

subsidiair:

- te bepalen, nadat [gedaagde] een gerechtelijke verklaring heeft afgelegd, of de reeds afgelegde verklaring geacht wordt aan de wettelijke eisen te voldoen, hetgeen [gedaagde] onder zich heeft van [persoon 1] en/of aan [persoon 1] verschuldigd is en [gedaagde] te veroordelen tot het, ter tenuitvoerlegging van het onder haar gelegde executoriale derdenbeslag, aan Offshore af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen tot het bedrag dat Offshore uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 24 november 2010 van [persoon 1] te vorderen heeft, dan wel [gedaagde], bij gebreke van het doen van een verklaring te veroordelen tot betaling aan Offshore van een bedrag van

€ 1.145.590,58, te vermeerderen met de rente en kosten vanaf 31 december 2010;

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Offshore de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd:

3.1. [gedaagde] is in gebreke gebleven een verklaring in de zin van artikel 476a Rv te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen, zodat zij op grond van artikel 477a lid 1 Rv dient te worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar.

3.2. Voor zover de rechtbank de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 aanmerkt als een verklaring in de zin van artikel 476a Rv, betwist Offshore de inhoud daarvan.

4. Het verweer

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van Offshore in de kosten van het geding. [gedaagde] heeft daartoe - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1. [gedaagde] heeft in de vorm van de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 een deugdelijke verklaring in zin van artikel 476a Rv afgelegd.

4.2. Offshore betwist de inhoud van de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 (verklaring ex artikel 476a Rv) ten onrechte.

5. De beoordeling

5.1. Het debat van partijen over de vraag of [gedaagde] een verklaring in de zin van artikel 476a Rv (hierna kortweg: 476a-verklaring) heeft afgelegd, komt in de kern neer op de vraag of de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 beschouwd dient te worden als een zodanige verklaring. Offshore stelt zich op het standpunt dat zulks niet het geval is om de volgende redenen:

a) Er is geen sprake van ondertekening door de derde-beslagene zelf, maar door de advocaat van [gedaagde];

b) Een met redenen omklede opgave van hetgeen [gedaagde] aan [persoon 1] verschuldigd is ontbreekt;

c) Er is geen sprake van een 476a-verklaring conform het bij AMvB (Besluit van 22 augustus 1991, Stb. 436) vastgestelde model;

d) Er is geen sprake van een 476a-verklaring die vergezeld gaat van bescheiden die de inhoud van die verklaring kunnen staven.

5.2. [gedaagde] voert hiertegen het volgende aan:

a) De brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 is ondertekend door de raadsman van [gedaagde]. De raadsman is hiertoe bepaaldelijk gevolmachtigd;

b) Er is sprake van een met redenen omklede 476a-verklaring. De brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 houdt de mededeling in dat er tussen [gedaagde] en [persoon 1] geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan [gedaagde] enige betalingsverplichting aan [persoon 1] heeft. Het (nader) met redenen omkleden van die mededeling is feitelijk niet mogelijk;

c) Het besluit van 22 augustus 1991, Stb. 436, laat het afleggen van een 476a-verklaring anders dan via het model toe;

d) De wet vereist niet dat een 476a-verklaring vergezeld gaat van bescheiden, doch slechts dat dit zo veel mogelijk geschiedt. In het onderhavige geval waren er geen bescheiden ter ondersteuning van de verklaring.

5.3. Naar het oordeel van de rechtbank dient de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 beschouwd te worden als een 476a-verklaring. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Offshore erkend dat mr. Bol de brief d.d. 25 februari 2011 heeft geschreven als gevolmachtigde van [gedaagde]. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat als ondertekening van de 476a-verklaring door de derde-beslagene ook geldt de ondertekening daarvan door degene die daartoe door de derde-beslagene is gevolmachtigd.

De wetgever heeft niet bedoeld te regelen dat de derde-beslagene de 476a-verklaring uitsluitend conform het bij besluit van 22 augustus 1991, Stb. 436, vastgestelde model kan doen. Artikel 475 lid 2 Rv bepaalt immers dat de deurwaarder aan de derde-beslagene een formulier in tweevoud volgens een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen model laat, waarop de verklaring bedoeld in artikel 476b Rv (dat ook ziet op de 476a-verklaring) kan worden gedaan. Dit volgt ook uit artikel 2 lid 1 sub d van het besluit van 22 augustus 1991, Stb. 436, dat bepaalt dat de 476a-verklaring aan deurwaarder (of advocaat) kan worden afgegeven in de vorm van – behalve de modelverklaring – een door die deurwaarder (of advocaat) als verklaring aanvaard geschrift.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat in beginsel de mededeling dat er tussen de derde-beslagene en de schuldenaar geen rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan de derde-beslagene een schuld aan de schuldenaar heeft, niet nader met redenen omkleed behoeft te worden en/of met bescheiden behoeft te worden onderbouwd. De rechtbank wijst erop dat ook de modelverklaring de mogelijkheid biedt enkel aan te kruisen dat er geen sprake is van een rechtsverhouding uit hoofde waarvan de derde-beslagene een schuld aan de schuldenaar heeft. Voor zover Offshore aan [gedaagde] verwijt dat zij gelet op de in de dagvaarding geschetste omstandigheden met de brief van mr. Bol d.d. 25 februari 2011 onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven, geldt dat de rechtbank van oordeel is dat dit gebrek in ieder geval middels de (uitvoerige) conclusie van antwoord voorshands is hersteld.

5.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] rechtsgeldig een 476a-verklaring aan Offshore heeft gedaan. De primaire vordering van Offshore komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

5.5. Subsidiair betwist Offshore dat er geen rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [persoon 1] bestaat uit hoofde waarvan [persoon 1] een vordering op [gedaagde] heeft. Hiertoe stelt Offshore het volgende:

a) [gedaagde] toont niet aan dat de lening van € 90.000,= is terugbetaald door [gedaagde] en/of dat überhaupt betalingen uit hoofde van rente en aflossing onder die lening zijn geschied;

b) [gedaagde] toont niet aan dat de hypothecaire geldlening van de ABN Amro Bank ad

€ 320.000,= thans alleen op naam van [gedaagde] staat waardoor het totaal aan verplichtingen uit hoofde van die lening uitsluitend ten laste van [gedaagde] komt. Evenmin toont [gedaagde] aan hoe groot de uitstaande verplichtingen aan de bank waren ten tijde van de overname van die verplichtingen;

c) [gedaagde] toont niet aan dat de lening ad € 190.000,= is terugbetaald door [gedaagde] en/of dat überhaupt betalingen onder die lening zijn geschied.

5.6. [gedaagde] voert hiertegen het volgende aan:

a) De lening van € 90.000,= is aan [persoon 1] terugbetaald;

b) ABN Amro Bank heeft zoals te doen gebruikelijk voor een bank geen afstand gedaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [persoon 1] voor de hypothecaire schuld met betrekking tot de echtelijke woning;

c) Gelet op de Verklaring ex artikel 3:274 lid 1 BW d.d. 16/17 december 2010 is de lening ad € 190.000,= voor de beslaglegging reeds afbetaald.

5.7. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een vordering van [persoon 1] op [gedaagde] op Offshore rust. Nu [gedaagde] haar verklaring ingevolge artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv dient te specificeren en met bescheiden dient te onderbouwen rust op haar wel een verzwaarde motiverings- en onderbouwingsplicht ten aanzien van haar verweer.

5.8. De rechtsverhoudingen waarvan Offshore stelt dat [persoon 1] uit hoofde daarvan een vordering op [gedaagde] heeft, zien alle op de koop/verkoop van de echtelijke woning in 2007. Gelet op de in het geding gebrachte bescheiden en de stellingen van partijen over en weer begrijpt de rechtbank de gang van zaken rond die koop/verkoop als volgt. Op de echtelijke woning is in 2004 een hypotheek gevestigd voor een bedrag van

€ 320.000,=. De aan [persoon 1] toebehorende onverdeelde helft in de echtelijke woning is in 2007 door [persoon 1] aan [gedaagde] verkocht voor een bedrag van € 250.000,=. De koopprijs is voldaan enerzijds door overname van de helft van de – door een hypotheek gedekte – lening van de ABN Amro Bank (€ 160.000,=) door [gedaagde] en anderzijds door schuldigerkenning door [gedaagde] van een bedrag van € 90.000,=. Nu de ABN Amro Bank (kennelijk) niet haar medewerking heeft willen verlenen aan het ontslaan van [persoon 1] als (hoofdelijk) schuldenaar van de totale lening (ad € 320.000,=), heeft [persoon 1] een recht van hypotheek op de echtelijke woning bedongen voor een vordering van € 190.000,=, ter verzekering van verhaal op [gedaagde] voor het geval hij door ABN Amro Bank tot betaling van de lening wordt aangesproken (te weten indien [gedaagde] tekortschiet in haar verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening van de ABN Amro Bank).

5.9. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt over de door Offshore gestelde rechtsverhoudingen.

a) De lening van € 90.000,=.

Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Offshore kan de rechtbank er thans niet van uitgaan dat deze lening is afgelost. Daarbij komt nog dat [gedaagde] in dit geding twee verschillende stellingen inneemt ten aanzien van de vraag hoe de lening is afbetaald. Bij conclusie van antwoord (onder 17) stelt zij dat in 1997 een lening is afbetaald. Daarvan resteerde, aldus [gedaagde], nog een bedrag van € 90.000,= en rente en kosten, welk bedrag [gedaagde] van OOC Offshore Services B.V. heeft geleend en waarmee [persoon 1] is terugbetaald. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [gedaagde] daarentegen verklaard dat de lening ad € 90.000,= aan [persoon 1] is terugbetaald doordat zij kost en inwoning voor [persoon 1] heeft betaald.

- Het ligt op de weg van [gedaagde] om toe te lichten hoe deze stellingen zich tot elkaar verhouden.

Bovendien rijzen bij de rechtbank in verband met de door [gedaagde] gestelde aflossing de volgende vragen:

- Wat is de verklaring voor de stelling dat de schuld in 1997 is afgelost, terwijl pas in 2007 sprake is van schulderkenning door [gedaagde]?

- Wat is de verklaring voor het feit dat de gestelde lening van OOC Offshore Services B.V., waarmee [gedaagde] [persoon 1] zou hebben terugbetaald, niet in de jaarrekeningen van 2007, 2008 of 2009 is terug te vinden? [gedaagde] wordt verzocht met bescheiden te onderbouwen dat zij het bedrag van € 90.000,= heeft geleend van OOC Offshore Services B.V. dan wel – zoals ter comparitie van partijen gesteld – van [persoon 1] Holding B.V.

- Wat is de verklaring voor het feit dat de door [gedaagde] als productie 5 overgelegde bankafschriften, waarmee zij kennelijk wil onderbouwen dat zij (een equivalent van)

€ 90.000,= ter leen heeft ontvangen, niet sluiten op een bedrag van € 90.000,=?

b) De geldlening bij ABN Amro Bank.

Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon 1] door ABN Amro Bank tot op heden nog steeds als schuldenaar van de geldlening wordt aangemerkt.

- Partijen hebben nog onvoldoende aangegeven welk belang dit heeft voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

- Dit geldt eveneens voor de vraag of, en zo ja, welk bedrag van deze geldlening is afgelost.

c) De lening van € 190.000,=.

Het gaat hierbij, zoals onder 5.8 overwogen, niet om een lening van [persoon 1] aan [gedaagde], maar om een zekerheid voor [persoon 1] indien [gedaagde] de geldlening met betrekking tot de echtelijke woning niet aflost.

- Tegen deze achtergrond heeft [gedaagde] nog onvoldoende onderbouwd hoe het bedrag van € 190.000,= tot stand is gekomen. Nu het gaat om de helft van een hypotheekschuld van

€ 320.000,= komt het de rechtbank thans voor dat een zekerheid van € 160.000,= voldoende was geweest. Voor het verschil van € 30.000,= is tot op heden onvoldoende verklaring gegeven.

- Ook is het de rechtbank niet duidelijk, nu sprake is van een zekerheid, om welke reden [persoon 1] op 16/17 december 2010 een ‘Verklaring ex artikel 3:274 lid 1 BW’ heeft ondertekend.

- [gedaagde] wordt voorts verzocht, zo mogelijk met bescheiden onderbouwd, aan te geven wanneer en om welke reden de gestelde zekerheid van € 190.000,= is opgeheven.

5.10. De rechtbank acht zich derhalve thans onvoldoende voorgelicht om een eindoordeel in dit geschil te kunnen geven. De rechtbank zal daarom partijen, eerst [gedaagde], in de gelegenheid stellen zich gemotiveerd, en zo mogelijk met bescheiden onderbouwd, uit te laten over de door de rechtbank in overweging 5.9 omschreven onduidelijkheden en vraagpunten.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 augustus 2012 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij conclusie na tussenvonnis uit te laten als bedoeld onder 5.9 en 5.10, waarna Offshore een antwoordconclusie na tussenvonnis kan nemen.

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. F. Aukema-Hartog en mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.?

2011/1694/548/2148