Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX1218

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
401821 / KG ZA 12-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldvordering. Eiseressen wensen met deze vordering in kort geding uitvoering te geven aan de in het voor hen toewijzende, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, bodemvonnis vastgestelde berekeningsmethodiek ter zake van de nabetaling van overloop DBC's, opdat door gedaagde tot betaling van het in de visie van eiseressen aan hen verschuldigde kan worden gekomen. Tussen partijen bestaat nog immer geschil over verschillende in de bodemprocedure reeds aan de orde gekomen punten. Geen sprake van "nova". Sprake is van het voeren van een verkapt appelprocedure (althans van een processueel bezien ongeoorloofde voortzetting van de bodemprocedure), waarvoor een kort gedingprocedure zich niet leent. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 401821 / KG ZA 12-406

Vonnis in kort geding van 4 juli 2012

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Langweer, gemeente Skarsterlan,

2. [eiser 2],

wonende te Tjerkwerd, gemeente Wonseradeel,

eiseressen,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING 1NP,

gevestigd te Hellevoetsluis,

gedaagde,

advocaat mr. D.J.G. Timmermans te Leiden.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als - in vrouwelijk enkelvoud - [eisers] en Stichting 1nP.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 30 mei 2012

- producties 1 tot en met 4 van [eisers]

- producties 1 en 2 van Stichting 1nP

- de mondelinge behandeling op 20 juni 2012

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota van Stichting 1nP.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen [eisers] als eiseres en Stichting 1nP als gedaagde is bij inleidende dagvaarding d.d. 16 november 2009 voor deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig geweest onder zaak-/rolnummer 343210 / HA ZA 09-3427. Deze procedure heeft geleid tot een tussenvonnis d.d. 15 juni 2011, waarin een comparitie van partijen is gelast, en een eindvonnis d.d. 1 februari 2012. Op 7 september 2011 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden.

2.2. In het vonnis d.d. 15 juni 2011 is, voor zover thans relevant, het volgende overwogen en beslist:

“3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) 1nP te bevelen binnen twee weken na het wijzen van vonnis aan [eisers] een mede door de accountant van 1nP ondertekende inzichtelijke eindafrekening te verstrekken waarin op inzichtelijke wijze per overloop DBC de nabetaling is vastgesteld, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 500,-- per dag of deel van een dag dat 1nP daarin tekort schiet;

b) 1nP te bevelen binnen twee weken na het wijzen van vonnis aan [eisers] een mede door haar accountant ondertekende en inzichtelijke berekening te overleggen, waaruit blijkt welk(e) verrekenpercentage(s) voor de overloop DBC's van [eisers] gelden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- per dag of deel van een dag dat 1nP daarin tekort schiet;

c) te bepalen dat 1nP per overloop DBC de nabetaling dient te berekenen op een wijze zoals in de dagvaarding is aangegeven, althans op een wijze zoals in de visie van de rechtbank dient te geschieden;

(…)

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

(…)

3.3 Nu 1nP bij de eindafrekening van de overloop DBC's rekenregels heeft gehanteerd die partijen niet zijn overeengekomen, heeft [eisers] er recht en belang bij dat de rechtbank bepaalt dat 1nP bij het opstellen van de eindafrekeningen van de overloop DBC's de nabetaling als volgt dient te berekenen:

+ het bedrag dat 1nP van de zorgverzekeraar in 2007 heeft ontvangen;

+ het bedrag dat 1nP van de zorgverzekeraar bij het sluiten van de overloop DBC heeft ontvangen, te weten DBC-prijs + verrekenpercentage;

- de door 1nP aan [eisers] uitgekeerde vergoedingen in 2007;

- de door 1nP aan [eisers] uitgekeerde vergoedingen in 2008;

- eventuele toetsingskosten

"resultaat" x 85% = nabetaling overloop DBC

(…)

5 De beoordeling

(…)

5.3 De rechtbank zal zich vervolgens buigen over de vraag wat als afspraak tussen [eisers] en 1nP heeft te gelden ten aanzien van de afrekening van overloop DBC's.

Tussen partijen is in dit kader niet in geschil dat de afrekening van overloop DBC's op gelijke wijze moet gebeuren als voor normale DBC's waarop de onder 2.5 vermelde tarieflijst en uitleg bij de tarieflijst zien. Tussen partijen staat voorts vast dat de afrekening moet plaatsvinden op basis van de navolgende in de uitleg bij de tarieflijst vermelde formule "Deze (afrekening, toevoeging rechtbank) bestaat uit de DBC opbrengst minus de al uitbetaalde voorschotten en minus de kosten voor de organisatie." Partijen zijn het erover eens dat de uitkomst van voormelde formule, door [eisers] als resultaat aangeduid en door 1nP als restbedrag of grondslag, vermenigvuldigd moet worden met het tussen partijen overeengekomen afrekenpercentage van 85%. Op de uitkomst van deze berekening heeft [eisers] recht bij het afsluiten van een overloop DBC.

5.4 Partijen zijn echter verdeeld over de vraag hoe de hiervoor aangehaalde formule uit de uitleg bij de tarieflijst moet worden uitgelegd, meer specifiek wat onder "DBC opbrengst" moet worden verstaan en wat onder "kosten voor de organisatie".

5.5 De rechtbank stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

(…)”.

2.3. In het vonnis d.d. 1 februari 2012 is, voor zover thans relevant, het volgende overwogen en beslist:

“2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank onder 5.3 overwogen dat de afreke¬ning van overloop DBC’s moet plaatsvinden op basis van de navolgende in de uitleg bij de tarieflijst vermelde formule “Deze (afrekening, toevoeging rechtbank) bestaat uit de DBC opbrengst minus de al uitbetaalde voorschotten en minus de kosten voor de organisatie.”, dat de uitkomst van deze formule vermenigvuldigd moet worden met het tussen partijen overeengekomen afrekenpercentage van 85% en dat op de uitkomst van deze berekening [eisers] recht heeft bij het afsluiten van een overloop DBC.

Voorts is in voormeld tussenvonnis (onder 5.4) overwogen dat partijen verdeeld zijn over de vraag hoe de hiervoor aangehaalde formule uit de uitleg bij de tarieflijst moet worden uitgelegd, meer specifiek wat onder "DBC opbrengst" moet worden verstaan en wat onder "kosten voor de organisatie". Teneinde vast te kunnen stellen hoe de verhouding tussen partijen is geregeld ten aanzien van de afrekening van overloop DBC’s heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis een comparitie van partij¬en gelast tot het geven van nadere inlichtingen.

(…)

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

Aan de orde is de vraag wat partijen in het kader van de afrekening van de overloop DBC’s precies zijn overeenge¬komen. Partijen verschillen immers van mening over de wijze waarop die afrekening moet plaatsvinden. Dit betreft een uitleg¬kwestie. Tegen de achtergrond van hetgeen in voormeld tussenvonnis onder 5.3 tot en met 5.5 is overwogen, oordeelt de rechtbank als volgt.

DBC opbrengst

2.5. Vaststaat dat bij overloop DBC’s geldt dat de verrich¬tingen die vóór 1 januari 2008 zijn verricht via de AWBZ zijn gedeclareerd terwijl in 2008 de DBC-prijs bij de zorgver¬zekeraar van de patiënt is gedeclareerd. Voorts staat vast dat het bedrag dat vóór 1 januari 2008 via de AWBZ is gedeclareerd door de zorgverzekeraar van de in 2008 uit te betalen DBC-prijs wordt afgetrokken om te voorko¬men dat er dubbel wordt uitbetaald.

Volgens de "Toelichting op DBC afrekenoverzicht blad "Dossiers" die hoort bij de afrekening van vier voorbeelddossiers praktijk Joure (productie 8, dagvaarding), naar welke stuk Stichting 1np in haar e-mailbericht d.d. 5 november 2008 heeft verwezen, is het bedrag dat van de verzeke¬raar ontvangen is, als volgt opgebouwd: maximale DBC-prijs, vermeerderd met het verrekenpercentage en verminderd met de overloopwaarde van de betreffende DBC. De overloopwaarde betreft volgens voormelde toelichting de waarde van het 2007-deel van het dossier, berekend op basis van de door NZa vastgestelde richtlijnen, waarbij de over 2007 geregistreerde verrichtingen worden verme¬nig¬vuldigd met de tarieven zoals deze zijn afgesproken met de verzekeraar. Deze waarde vertegenwoordigt dus het bedrag dat vóór 1 januari 2008 via de AWBZ is gedeclareerd.

2.6. Partijen zijn het erover eens dat het verreken¬per¬cen¬tage, het bedrag dat de zorgverzekeraar bovenop de DBC-prijs uitkeert, is bedoeld om de verschillen tussen de opbrengsten van beide declaratie¬stelsels te harmoni¬seren. Zowel in de tarieflijst als in de uitleg bij de tarief¬lijst is niet vermeld dat het verrekenpercen¬tage niet onder de "DBC-opbrengst" valt. Dit ligt ook niet voor de hand aangezien het verrekenpercentage, zoals in voormelde toelichting van Stichting 1np is aangegeven, is inbegrepen in het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd op de afgesloten DBC. Indien het de bedoeling van partijen zou zijn geweest om het verreken¬percentage buiten de DBC opbrengst te houden, dan had het, in het licht van voor¬noemde feiten en omstandigheden, voor de hand gelegen dat zulks expliciet zou zijn overeengekomen en in de contractuele stukken zou zijn opgenomen. Dit is niet gebeurd.

2.7. Stichting 1np heeft nog aangevoerd dat zij ervoor heeft gekozen om het door haar - op de overloop DBC’s - ontvan¬gen verreken¬percen¬tage (4,71 %) buiten de rekenregels met de professionals te houden en dat dat verrekenpercentage door haar is gebruikt om een groot deel van de overhead¬kosten van haar organisatie te betalen, hetgeen zij, aldus Stichting 1np, in haar nieuwsbericht van 18 juli 2008 heeft vermeld. Gesteld noch gebleken is echter dat [eisers] hiermee heeft ingestemd. Voorts is in de tarieflijst en de uitleg bij de tarieflijst niet bepaald dat het verrekenpercentage, het bedrag dat door de zorgverzekeraar bovenop de maximale DBC prijs wordt vergoed, door Stichting 1np mag worden gebruikt om een deel van haar organi¬satie¬kosten te dekken. Stichting 1np heeft ook niet gesteld op grond waarvan zij meent daartoe gerechtigd te zijn. Het enkele feit dat uit de tarieflijst en de uitleg daarbij geen verplich¬ting voor Stichting 1np volgt om het verrekenpercentage anders door haar in te zetten, dan thans door haar gedaan, betekent nog niet dat zij het verrekenpercentage mag gebruiken om haar organi¬satie¬kosten te dekken.

2.8 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in het kader van de afrekening van overloop DBC’s onder de in de formule genoemde "DBC-opbrengst" moet worden verstaan het totale bedrag dat Stichting 1np van de zorgverzeke¬raar voor de betreffende DBC behandeling heeft ontvangen en dat dit bedrag bestaat uit de maximale DBC-prijs, vermeerderd met het verrekenpercentage en verminderd met de overloopwaarde van de betreffende DBC, zijnde het bedrag dat vóór 1 januari 2008 via de AWBZ is gedeclareerd.

Inkomsten 2007

2.9. [eisers] stelt dat uit de door Stichting 1np verstrekte gegevens blijkt dat Stichting 1np verzuimd heeft de verrichtingen die zij krachtens de AWBZ vergoed had gekregen, dus de inkomsten over 2007, bij het resultaat te tellen. Stichting 1np betwist die stelling en voert aan dat de inkomsten over 2007 niet bij het resultaat van 2008 moeten worden opgeteld en dat die bedoeld zijn voor de dekking van haar kosten in 2007.

2.10. De rechtbank overweegt het volgende.

Hierboven is reeds overwogen dat bij de afrekening van overloop DBC’s onder DBC opbrengst moet worden verstaan het bedrag dat ontvangen is van de verzeke¬raar en dat dit bedrag bestaat uit de maximale DBC-prijs, vermeerderd met het verrekenpercentage en verminderd met de overloopwaarde van de betreffende DBC (het bedrag dat vóór 1 januari 2008 via de AWBZ is gedeclareerd). Daarmee verschilt de DBC opbrengst van overloop DBC’s van de DBC opbrengst van niet overloop DBC’s. Immers, bij overloop DBC’s wordt door de zorgverzekeraar op de maximale DBC-prijs het in 2007 via de AWBZ gedeclareerde bedrag ingehouden. Logischerwijze vloeit hieruit voort dat de afrekening van overloop DBC’s moet plaatsvinden door op de DBC-opbrengst, naast de kosten voor de organisatie, waarop hierna nog zal worden ingegaan, enkel de aan [eisers] in 2008 betaalde voorschotten in mindering te brengen. Een dergelijke afrekening komt ook overeen met de in de uitleg bij de tarieflijst vermelde formule (DBC opbrengst minus de al uitbetaalde voorschotten en minus de kosten voor de organisatie) en de daarin onder het kopje "Fictieve praktijksituatie" uitgewerkte scenario’s waarin wordt uitgelegd op welke wijze de eindafreke¬ning volgens die formule in een bepaalde praktijksituatie tot stand komt.

De bedragen die als AWBZ verrichtingen in 2007 aan [eisers] zijn betaald, worden volgens die formule niet op de DBC opbrengst in mindering gebracht. Dit is ook logisch nu de in 2007 genoten inkomsten krachtens de AWBZ geen onderdeel uitma¬ken van de DBC opbrengst. Uit de stukken afkomstig van Stichting 1np blijkt echter dat zij naast de in 2008 aan [eisers] betaalde voorschotten ook de in 2007 aan [eisers] betaalde bedragen van de DBC opbrengst heeft afgetrokken. In het geval dat Stichting 1np de door haar krachtens de AWBZ in 2007 ontvangen bedragen zou hebben opgeteld bij het bedrag dat zij van de zorgverzeke¬raar bij het afsluiten van de overloop DBC heeft ontvangen, dan had zij zowel de aan [eisers] in 2007 uitgekeerde vergoedingen als de aan [eisers] uitgekeerde voorschotten in 2008 daarop in mindering kunnen brengen. Vaststaat echter dat Stichting 1np dit niet heeft gedaan.

2.11. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Stichting 1np bij de afrekening van de overloop DBC’s ten onrechte de bedragen die zij als AWBZ verrich¬tingen in 2007 aan [eisers] heeft betaald op de DBC opbrengst in mindering heeft gebracht, althans dat zij heeft verzuimd om de door haar krachtens de AWBZ in 2007 ontvangen bedragen in de eindafrekening mee te nemen door die bedragen bij de DBC opbrengst op te tellen.

Kosten voor de organisatie

2.12. Met betrekking tot de vraag wat onder "kosten voor de organisatie" moet worden verstaan, overweegt de rechtbank het volgende.

In de tekst van de tarieflijst en de uitleg bij tarieflijst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de door Stichting 1np voorgestane uitleg, te weten dat de "kosten voor de organisatie" alle kosten zijn van Stichting 1np die ten laste komen van de netto resultaten van haar organi¬satie. In de uitleg bij tarieflijst zijn onder het kopje "Fictieve praktijksituatie" twee scenario’s uitgewerkt aan de hand waarvan wordt uitgelegd op welke wijze de eindafreke¬ning in een bepaalde praktijksituatie volgens de daarin vermelde formule (DBC opbrengst minus de al uitbetaalde voorschotten en minus de kosten voor de organisatie) tot stand komt en hoe het eindbedrag voor de (demo-)professional wordt berekend (productie 6, CvA). In beide scenario’s worden uitsluitend toetsingskosten, zijnde de kosten die door Stichting 1np in het kader van een DBC-behandeling aan andere professionals zijn betaald, als kosten voor de organisatie in mindering op de DBC opbrengst gebracht. Kosten die verband houden met de bedrijfsvoering van Stichting 1np worden in die voorbeelden niet op de DBC opbrengst in mindering gebracht. Voorts kan uit de tarieflijst en de uitleg bij de tarieflijst niet worden afgeleid dat Stichting 1np naar eigen inzicht een kosten¬per¬cen¬tage kan vaststellen en dat percentage ter gedeeltelijke dekking van haar overhead¬kosten in mindering kan brengen op de DBC opbrengst, zoals zij heeft betoogd. Het kosten¬percen¬tage van 7% dat in de als "Stap 1" gehanteerde rekenregel wordt genoemd en dat door Stichting 1np kennelijk op het resultaat in mindering wordt gebracht, wordt in die stukken niet genoemd.

2.13. Stichting 1np heeft haar stelling dat het haar contractueel vrijstaat om kosten voor de organisatie in rekening te brengen geconcretiseerd noch onderbouwd. Nog daargelaten dat zij daarvoor geen grondslag heeft genoemd, heeft zij niet gespecificeerd op welke wijze dat gebeurt en deze kosten ook niet gekwanti¬ficeerd. Voorts merkt de rechtbank op dat in de hiervoor genoemde "Toelichting op DBC afrekenoverzicht blad "Dossiers" van Stichting 1np onder "Deel 1nP" wordt verstaan: "Het deel van het afrekenbedrag DBC totaal dat voor Stichting 1np overblijft (Afrekenbedrag DBC totaal -/- Deel professional) wordt gebruikt om een deel van onze organisatiekosten te dekken." Gelet hierop is Stichting 1np kennelijk zelf ook van mening dat het deel dat voor haar na afrekening overblijft (in het geval van [eisers] 15%) bedoeld is om haar eigen organisatie¬kosten te dekken.

2.14. De rechtbank is voorts van oordeel dat indien het al de bedoeling van partijen zou zijn geweest dat de kosten verbonden aan de bedrijfsvoering van Stichting 1np in mindering zouden strekken op de DBC opbrengst, het voor de hand had gelegen zulks expliciet in de contractuele stukken op te nemen. Zulks is evenwel niet gebeurd.

2.15. Uit het vorenoverwogene volgt dat Stichting 1np niet kan worden gevolgd in de door haar voorgestane uitleg van het begrip "kosten voor de organisatie". Dit betekent dat bij de eindafrekening van overloop DBC’s de kosten verbonden aan de bedrijfsvoering van Stichting 1np niet op de DBC opbrengst in mindering mogen worden gebracht.

2.16. De vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, sluiten naar het oordeel van de rechtbank aan bij de door [eisers] voorgestane uitleg van de wijze waarop de overloop DBC’s moeten worden afgerekend, te weten de wijze zoals die is weergegeven onder 1.13 van de dagvaarding en onder 3.3 van voormeld tussenvonnis.

2.17. Stichting 1np heeft nog aangevoerd dat vanwege de wijziging van het finan¬cierings¬systeem sprake was van gewijzigde omstandigheden en dat zij gelet daarop (eenzijdig) de tariefafspraken mocht wijzigen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Om te beginnen had het dan minst genomen op de weg van Stichting 1np gelegen [eisers] (en andere bij Stichting 1np aangesloten zorgverleners) er duidelijk op te wijzen dat en op welke wijze eenzijdig tot aanpassing van de tariefaanspraken wordt overgegaan. Daarbij komt dat partijen niet zijn overeengekomen dat Stichting 1np over de bevoegdheid beschikt eenzijdig de tariefafspraken te wijzigen. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de vergoeding aan [eisers] is uitgedrukt in een percentage van het resultaat hetgeen impliceert dat de verhouding tussen het deel dat [eisers] (85%) en het deel dat Stichting 1np (15%) van het resultaat onder het DBC stelsel ontvangt, gelijk blijft.

2.18. Voorts verwerpt de rechtbank het door Stichting 1np gedane beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ingevolge artikel 6:248 BW. Hetgeen Stichting 1np in dat verband heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de door partijen overeengekomen wijze van afrekening van overloop DBC’s geen toepassing vindt omdat dit in de gegeven omstandig¬heden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Nog daargelaten dat Stichting 1np haar stelling dat toepassing van de door [eisers] voorgestane berekeningswijze tot haar faillissement zou leiden, niet geconcretiseerd en/of onderbouwd heeft, kan die omstandigheid niet een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. Voorts valt niet in te zien dat de bepalingen zoals vermeld in artikel 3.5 en 3.6 van de raamovereen¬komst een beroep daarop kunnen rechtvaardigen.

2.19. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vordering zoals weergegeven onder 3 sub c) van voormeld tussenvonnis toewijsbaar is.

2.20. Met betrekking tot de vordering zoals die is weergegeven onder 3 sub a) van voormeld tussenvonnis overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens Stichting 1np blijkt uit de bijlage bij de brief d.d. 22 juli 2009 van haar accountant (productie 11, dagvaarding) op welke wijze zij de nabetaling per overloop DBC heeft vastgesteld. [eisers] heeft in antwoord hierop haar stelling dat Stichting 1np geen inzage heeft gegeven in de eindafrekeningen enkel herhaald. Naar het oordeel van de rechtbank kon [eisers] hiermee niet volstaan. Gelet op het verweer van Stichting 1np had het op de weg van [eisers] gelegen om concreet aan te geven dat en in welk opzicht met de door Stichting 1np in voornoemde bijlage verstrekte gegevens niet kan worden vastgesteld op welke wijze de nabetaling per overloop DBC door Stichting 1np is vastgesteld. Nu [eisers] dit niet heeft gedaan, dient dit onderdeel van haar vordering te worden afgewezen.

2.21. Met betrekking tot de vordering zoals weergegeven onder 3 sub b) van voormeld tussenvonnis overweegt de rechtbank het volgende.

Hiervoor is onder 2.7 en 2.8 overwogen dat het door Stichting 1np ontvangen verreken¬per¬cen¬tage tot de DBC opbrengst behoort en niet bedoeld is om een deel van de organisatie¬kosten van Stichting 1np te dekken. Dit betekent dat het verrekenper¬centage in de eind¬afre¬kening en dus bij de vaststelling van de nabetaling moet worden meegenomen. In dat verband is van belang welk(e) verrekenpercen¬tage(s) voor de diverse overloop DBC’s van [eisers] gelden.

2.22. [eisers] betwist dat Stichting 1np voor de door haar gedeclareerde overloop DBC’s slechts een verrekenpercen¬tage in rekening mocht brengen van 4,75% (bedoeld is kennelijk 4,71%). Dit percentage stemt volgens [eisers] niet overeen met de stelling van Stichting 1np dat de verreken¬percentages sterk fluctueren. Volgens [eisers] dient Stichting 1np inzage te verstrekken in alle directe en indirecte (na) betalingen die zij van de zorgverzekeraar heeft ontvangen en in de eindafrekeningen.

Stichting 1np voert onder verwijzing naar de Regeling GG/NR-100.066 van de NZa aan dat overloop DBC’s maar één verrekenpercentage, te weten het percentage dat op 1 januari 2008 gold. Het verrekenpercentage blijkt onder andere uit de accountantsverklaring d.d. 22 juli 2009 en de daarbij behorende bijlagen. Fluctuatie is derhalve niet aan de orde.

De drie verschillende percentages waarnaar door [eisers] is verwezen, hebben geen betrek¬king op overloop DBC’s, aldus nog steeds Stichting 1np.

2.23. De rechtbank leidt uit paragraaf 5.2 van de Regeling GG/NR-100.066 van de NZa (productie 3, pagina’s 4 en 5, CvA) af dat voor de verrekening van opbrengstverschillen een per zorgaanbieder (instelling) variërende procentuele opslag of aftrek (verrekenpercentage) op de DBC-tarieven geldt. Op pagina 5 bovenaan is aangegeven dat als verrekenpercentage wordt toegepast het percentage dat gold op de dag waarop de DBC werd geopend en dat in afwijking hiervan voor overloop DBC’s die worden afgesloten in 2008 als verreken¬percentage geldt het percentage dat geldt op 1 januari 2008. In de bijlagen bij de brief d.d. 22 juli 2009 van de accountant (producties 11, dagvaarding) is onder het kopje "Totale vergoeding 1nP" voor alle overloop DBC’s van [eisers] een verrekenpercentage van 4,71% vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Stichting 1np aan de hand van voornoem¬de stukken voldoende onderbouwd dat voor alle overloop DBC’s hetzelfde verrekenpercen¬tage geldt en dat dit verrekenpercentage 4,71% bedraagt. Hierbij betrekt de rechtbank mede het feit dat [eisers] niet heeft aangegeven welke verrekenpercentages volgens haar voor de overloop DBC’s zouden gelden.

2.24. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering zoals weergegeven onder 3 sub b) van voormeld tussenvonnis niet toewijsbaar is.

(…)

3. De beslissing

De rechtbank,

bepaalt dat Stichting 1np per overloop DBC de nabetaling dient te berekenen op de wijze zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.3 van het tussenvonnis van 15 juni 2011;

bepaalt dat voor zover de nabetaling, berekend op de wijze zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.3 van voormeld tussenvonnis, ertoe leidt dat Stichting 1np een (aanvul¬lende) vergoeding aan [eisers] dient te betalen, daarover wettelijke rente is verschuldigd over de periode vanaf het moment dat Stichting 1np de eerdere (onjuiste) nabetaling heeft verricht;

(…)

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af (…)”.

2.4. Het vonnis van 1 februari 2012 is niet aan Stichting 1nP betekend. Stichting 1nP heeft vrijwillig aan de jegens haar in dat vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling voldaan.

2.5. [eisers] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 1 februari 2012. De appeldagvaarding is op 27 april 2012 uitgebracht tegen 14 augustus 2012.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Stichting 1nP te veroordelen:

a) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen het bedrag van

€ 75.445,67, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanig voorschot als de rechtbank meent te behoren;

b) met veroordeling van Stichting 1nP in de kosten van dit kort geding.

3.2. Stichting 1nP voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2. Het spoedeisend belang van [eisers] bij haar vordering is daarin gelegen dat zij recht en (proces)belang heeft om op korte termijn te weten waartoe de in het eindvonnis van 1 februari 2012 vastgestelde berekeningsmethodiek strekt. Bovendien heeft Stichting 1nP de spoedeisendheid niet betwist.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.4. Vooropgesteld zij dat [eisers] de in dit kort geding ingestelde concrete geldvordering als zodanig niet eerder in een gerechtelijke procedure heeft ingesteld. In feite is dus sprake van een “nieuwe” vordering, waarover geen eerder rechterlijk oordeel is geveld en waarover in beginsel dan ook geen executiegeschil kan bestaan. Van belang daarbij is voorts dat tussen partijen vaststaat dat het vonnis van 1 februari 2012 niet aan Stichting 1nP (als de partij ten laste van wie de executie dient plaats te vinden) is betekend.

4.5. [eisers] wenst met haar vordering uitvoering te geven aan de in het voor haar toewijzende, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, vonnis van 1 februari 2012 vastgestelde berekeningsmethodiek ter zake van de nabetaling van overloop DBC’s, opdat door Stichting 1nP tot betaling van het - in de visie van [eisers] - aan haar verschuldigde kan worden gekomen.

4.6. Tegelijkertijd is in dit kort geding duidelijk dat tussen partijen (nog immer) verschil van mening bestaat over het antwoord op de vraag of de door [eisers] gehanteerde berekeningsmethodiek die heeft geleid tot de door haar in dit kort geding ingestelde geldvordering (1) (in het vonnis van 1 februari 2012) juist is (uitgelegd) en (2), als dat zo zou zijn, of deze op correcte wijze aan de hand van correcte gegevens door [eisers] is toegepast. Meer in het bijzonder verschillen partijen van mening over de uitleg van de zinsnede in overweging 3.3 van het vonnis van 15 juni 2011 (zie hiervoor onder 2.2), luidende “+ het bedrag dat 1nP van de zorgverzekeraar in 2007 heeft ontvangen;”, naar welke overweging in het dictum van het vonnis van 1 februari 2012 is verwezen (zie hiervoor onder 2.3). Discussie bestaat verder over de vraag of sprake is van een kennelijke verschrijving in het vonnis van 15 juni 2011 (of in het vonnis van 1 februari 2012), nu in de hiervoor geciteerde zinsnede staat “zorgverzekeraar” in plaats van zorgkantoor/AWBZ. Tussen partijen bestaat nog immer discussie over (de wijze van toepassing van) de (interne) rekenregels voor overloop DBC’s en de parameter kosten voor de organisatie. Kort gezegd is Stichting 1nP, anders dan [eisers], van mening dat niet [eisers] op haar, maar zij op [eisers] een vorderingsrecht heeft (zie punt 16 van de pleitnota van Stichting 1nP).

Gemelde geschilpunten zijn alle (in meer of minder uitgebreide mate) eerder aan de orde geweest in de bodemprocedure.

4.7. Vooralsnog heeft als uitgangspunt in dit kort geding te gelden het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 1 februari 2012 (en het tussenvonnis van 15 juni 2011). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat [eisers] tegen het vonnis van

1 februari 2012 hoger beroep (op termijn) heeft ingesteld.

4.8. Zoals door [eisers] voorgestaan heeft zij de berekening van de thans door haar ingestelde geldvordering gebaseerd op de methodiek als vastgesteld in het vonnis van 1 februari 2012. Hiervoor onder 4.6 is weergegeven over welke in de bodemprocedure reeds aan de orde gekomen punten tussen partijen (nog immer) debat bestaat.

In voldoende mate onderbouwd gesteld noch gebleken is dat sprake is van feiten en/of omstandigheden die in de tot het eindvonnis van 1 februari 2012 leidende bodemprocedure niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de behandeling van de zaak hebben voorgedaan, zogenaamde “nova”. Indien en voor zover [eisers] ter terechtzitting (overigens pas in tweede termijn) als nova heeft willen aanvoeren (naar de voorzieningenrechter begrijpt) dat het [eisers] niet aangaat en zij dus niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor aspecten die betrekking hebben op de door Stichting 1nP gehanteerde (gewijzigde) financieringsstructuur en de bewaking van budgetoverschrijding, heeft zij deze stelling onvoldoende geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat hieraan dan ook voorbij.

4.9. Beslechting van de discussie tussen partijen vraagt derhalve een inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter over de juistheid van het vonnis van 1 februari 2012 (en feitelijk ook van dat van 15 juni 2011). Immers, gelet op de tegenstrijdige, door elk van partijen in voldoende mate gefundeerde, standpunten die in het huidige debat bestaan, kan niet zonder meer evident geacht worden op welke wijze het vonnis van 1 februari 2012 moet worden verstaan, wat de consequenties daarvan zijn en of daaruit een zekere vaststaande betalingsverplichting voortvloeit (en voor welke partij). Dat er een mogelijkheid bestaat dat Stichting 1nP een vordering op [eisers] heeft in plaats van andersom, blijkt op het eerste gezicht al uit het dictum van het vonnis van 1 februari 2012, waarin is opgenomen “(…) dat voor zover [onderstreping en arcering vzr] de nabetaling (…) ertoe leidt dat Stichting 1np een (aanvul¬lende) vergoeding aan [eisers] dient te betalen (…)”. Wat daarvan verder ook zij, de voorzieningenrechter dient zich te onthouden van het geven van een dergelijk inhoudelijk oordeel (dan wel van het geven van een prognose van de uitkomst van de reeds door [eisers] aangebrachte hoger beroepprocedure). Nu de voorzieningenrechter in feite gevraagd wordt opnieuw te oordelen over het in de bodemprocedure reeds besliste geschil teneinde te kunnen beslissen over de toewijsbaarheid van de thans ingestelde vordering, moet het ervoor worden gehouden dat, zoals ook door Stichting 1nP is betoogd, sprake is van het voeren van een verkapt appelprocedure (althans van een processueel bezien ongeoorloofde voortzetting van de bodemprocedure), waarvoor een kort gedingprocedure zich niet leent. In feite onderschrijft [eisers] dit ook wel met de door haar ter zitting geponeerde stelling dat als haar geldvordering in kort geding wordt toegewezen, zij het hoger beroep intrekt.

4.10. Zoals onder 4.6 al aangegeven geldt dat, zelfs als al uitgegaan zou worden van de door [eisers] gevolgde berekeningsmethodiek, onvoldoende duidelijk is waartoe die berekening uiteindelijk zou moeten leiden. De gedetailleerdheid van de berekeningen in relatie met de daaraan ten grondslag liggende cijfermatige uitgangspunten leveren een dermate complex geheel op dat toetsing daarvan in kort geding niet in de rede ligt.

4.11. De geldvordering van [eisers] (te vermeerderen met wettelijke rente) is mitsdien op dit moment niet aannemelijk kunnen worden en zal reeds daarom worden afgewezen.

4.12. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting 1nP worden begroot op:

- griffierecht € 1.789,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.605,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting 1nP tot op heden begroot op € 2.605,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.C.M. van Rheeden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.

1734/676