Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX1209

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
404092 / KG ZA 12-491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Gedaagde maakt geen misbruik van haar bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan op basis van een drie jaar oud vonnis. Belangenafweging leidt ook niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 404092 / KG ZA 12-491

Vonnis in kort geding van 26 juni 2012 te 14.15 uur

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.R. Samuel te Breda,

tegen

de stichting

STICHTING WOONBRON,

voorheen genaamd Stichting Volkshuisvestingsgroep Woonbron-Maasoevers,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Woonbron genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de concept dagvaarding, met één productie

- de vrijwillige verschijning van Woonbron

- producties 1 tot en met 13 van Woonbron

- de mondelinge behandeling op 26 juni 2012

- de pleitnota van Woonbron

- de ter zitting aan de voorzieningenrechter en de wederpartij overhandigde productie van Woonbron.

1.2. Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [eiser] bewoont de in eigendom aan Woonbron toebehorende woning aan [adres] (hierna: de woning).

2.2. In een tussen Woonbron als eiseres en [eiser] als gedaagde gewezen vonnis van 11 juni 2009 van de kantonrechter van deze rechtbank (zaaknummer 984227 \ CV EXPL 09-17182) is, voor zover thans relevant, het volgende overwogen en beslist:

“(…)

De beoordeling van de vordering

Gedaagde heeft de feiten waarop de vordering is gebaseerd niet betwist.

De vordering is op de wet gegrond en de hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.

De vordering wordt dan ook toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.

Voor het (eventueel) treffen van een betalingsregeling met eiseres wordt gedaagde verwezen naar de gemachtigde van eiseres.

De ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen € 3.556,93 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand april 2009 en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 3.021,43 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt gedaagde om binnen 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege gedaagde daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van eiseres te stellen;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen, voor iedere maand, te rekenen met ingang van de eerste mei 2009 tot het tijdstip van de gevorderde ontbinding ten titel van huur, en te rekenen sedert het tijdstip tot en met de maand waarin de ontruiming en lege oplevering van het gehuurde plaatsvindt ten titel van vergoeding voor het genot van het gehuurde, de huurbedragen waarop eiseres bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak gemaakt zou kunnen hebben, telkenmale te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover;

(…)

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

(…)”.

2.3. Het vonnis van 11 juni 2009 is bij exploot van 26 juni 2009 aan [eiser] betekend.

2.4. Na het vonnis van 11 juni 2009 heeft [eiser], in oktober 2010, een deel van de in het vonnis geconstateerde achterstand ingelopen.

2.5. [eiser] heeft (tot tweemaal toe) een schuldhulpverleningstraject doorlopen, laatstelijk beëindigd in april 2011. [eiser] is niet toegelaten tot de WNSP.

2.6. Bij exploot van 23 februari 2012 is namens Woonbron aan [eiser] op grond van het vonnis van 11 juni 2009 aangezegd dat zij binnen drie dagen na datum exploot diende te voldoen aan het vonnis, waarna, bij niet voldoening, ontruiming zou volgen. Bij exploot van 15 maart 2012 is vervolgens de ontruiming van de woning aangekondigd tegen 27 maart 2012. Partijen hebben vervolgens met ingang van 1 april 2012 een regeling getroffen teneinde [eiser] de gelegenheid te geven, naast de correcte voldoening van de lopende termijnen, de ontstane betalingsachterstand in te lopen met een bedrag van € 87,50 per maand. [eiser] heeft in dat kader circa € 1.600,00 ineens betaald op de achterstand. De tegen 27 maart 2012 aangekondigde ontruiming is daarom afgeblazen.

2.7. De onder 2.6 bedoelde betalingsregeling is [eiser] in elk geval in juni 2012 niet nagekomen. De lopende termijnen over mei en juni 2012 heeft [eiser] niet voldaan.

2.8. Na sommatie tot betaling d.d. 14 mei 2012, is bij exploot van 12 juni 2012 de ontruiming van de woning op grond van het vonnis van 11 juni 2009 jegens [eiser] aangezegd tegen 26 juni 2012. Het tijdstip waartegen de ontruiming is gepland is 15.00 uur. Schriftelijke vooraankondiging van de ontruiming heeft op 31 mei 2012 plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om Woonbron te veroordelen:

1. primair: de ontruiming van de woning op 26 juni 2012 te staken;

2. subsidiair: de ontruiming te schorsen voor een periode van acht weken;

3. Woonbron te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te bovengaande, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2. Woonbron voert verweer. Woonbron heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Nu de ontruiming van de woning is aangezegd tegen hedenmiddag te 15.00 uur, is het spoedeisend belang bij de vordering van [eiser] gegeven.

4.2. De vordering van [eiser] strekt er in feite toe de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2009 (zie 2.2) voor wat betreft de daarin uitgesproken veroordeling tot ontruiming te schorsen (al dan niet voor een beperkte periode). In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan.

4.3. Woonbron baseert haar bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan op een drie jaar oud vonnis van 11 juni 2009. Het door Woonbron ter zitting overgelegde overzicht betreffende de huurachterstand van [eiser] in aanmerking nemende, is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van een betalingsachterstand van (€ 1.654,24 -/- € 567,03 =)

€ 1.087,21. Weliswaar stelt [eiser] dat het overzicht kostenposten omvat die exorbitant hoog zijn, maar nu op het eerste gezicht aannemelijk is dat, zoals ook door Woonbron betoogd, dat kosten zijn die voortvloeien uit (de executie van) het vonnis van 11 juni 2009 en derhalve toe te rekenen zijn aan [eiser], passeert de voorzieningenrechter deze stelling. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de overgelegde stukken blijkt voorts dat Woonbron na het vonnis van 11 juni 2009 verschillende malen uit coulance regelingen met [eiser] heeft getroffen die [eiser] vervolgens niet (correct) nakwam. Gebleken is dat Woonbron zelfs eind maart 2012 nog een betalingsregeling met [eiser] had afgesproken ter aflossing van de in het geding zijnde huurschuld/gebruiksvergoeding (zie 2.6). [eiser] heeft erkend dat zij die regeling in elk geval in juni 2012 niet is nagekomen. Voorts is niet in geschil tussen partijen dat [eiser] de lopende termijnen over de maanden mei en juni 2012 niet heeft betaald. [eiser] stelt dat dit te wijten is aan één (of meerdere) beslag(en) die ten laste van haar is/zijn gelegd. Evenwel heeft zij niet inzichtelijk gemaakt noch met stukken onderbouwd dat sprake is van beslag, met ingang van wanneer beslag is gelegd en wat de aard en de omvang van het gelegde beslag/de gelegde beslagen is/zijn, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbij gaat.

4.4. Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu niet is gebleken, althans niet met

stukken onderbouwd aannemelijk is gemaakt, dat [eiser] in de komende periode wel ruimte heeft om de in het geding zijnde betalingsachterstand met rente en kosten onmiddellijk op correcte wijze te voldoen, heeft Woonbron een gerechtvaardigd belang bij haar bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel voor [eiser] pleit dat zij in april 2012 een bedrag van € 1.600,01 aan Woonbron heeft betaald en dat zij kennelijk (volgens eigen zeggen) sinds de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject (voor 7,5 uur per dag) over vast werk beschikt, waarvoor zij € 1.200,00 per maand betaald krijgt, staat daartegenover dat zij niet kenbaar (schriftelijk) en tijdig contact met Woonbron heeft gezocht over de oorzaak van het niet voldoen aan de betalingsregeling en de lopende termijnen. [eiser] heeft nog gesteld dat zij inzicht wil krijgen in de verrekening van door Woonbron ten behoeve van haar ontvangen huurtoeslagen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen enkele concrete aanleiding om aan te nemen dat de verrekening bij een professionele instantie als Woonbron is misgegaan, terwijl [eiser] ook niet inzichtelijk heeft gemaakt tot welke (nadelige) gevolgen dit mogelijk voor haar zou kunnen leiden, nu ook volgens [eiser] tot dusver in 2012 geen recht op huurtoeslag bestaat. Voorshands is derhalve niet aannemelijk geworden dat sprake is van bijzondere (bijkomende) persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [eiser], op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het belang van [eiser] bij staking van de executie zwaarder weegt dan het belang van Woonbron bij handhaving daarvan. Nu [eiser] over vast werk beschikt zal het voor haar ook gemakkelijker zijn om over vervangende woonruimte de beschikking te krijgen dan dat in het verleden het geval was.

4.5. Gelet op het vorenstaande maakt Woonbron naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen misbruik van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2009 over te gaan. De vordering van [eiser] zal mitsdien worden afgewezen.

4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Woonbron worden, conform het gebruikelijke liquidatietarief, begroot op:

- vast recht 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering (in al haar onderdelen) af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Woonbron tot op heden begroot op € 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.C.M. van Rheeden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.

1734/106