Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX0978

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/4424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus. Geen procesbelang meer bij oorspronkelijk beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2012 in de zaak tussen

[naam], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel.

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2011 heeft verweerder de door eiser in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (de Wmo) ingediende aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding afgewezen.

Bij besluit van 27 juli 2011 (bestreden besluit I) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld en separaat de gronden daarvan ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en nog een nader stuk ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2011. Eiser, zijn tolk A.M. de Jong en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 8 maart 2012 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 19 april 2012 (bestreden besluit II) opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 april 2011 wederom ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit II beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is als volgt overwogen:

“Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 december 2011 (LJN: BU7263) overweegt de rechtbank dat artikel 4, tweede lid, van de Wmo daarin staat dat bij het bepalen van de voorzieningen verweerder ook rekening houdt met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien – moet worden geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 15 en 19 van de Wmo, die gaan over de eigen bijdrage onderscheidenlijk financiële tegemoetkomingen. Dat laatste is aan de orde bij de in geding zijnde verhuiskostenvergoeding. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad van Rotterdam bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 (hierna: de Verordening) geen concrete uitvoering heeft gegeven aan artikel 19 van de Wmo – in het eerste lid van dat artikel staat dat de hoogte van de financiële tegemoetkomingen voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend kan worden vastgesteld en mede afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot , in het bijzonder niet wat betreft de verhuiskostenvergoeding. Er is dan ook geen wettelijke grondslag om eiser tegen te werpen, zoals verweerder heeft gedaan, dat hij geen aanspraak kan maken op de verhuiskostenvergoeding omdat hij uit een oogpunt van kosten daarin zelf kon voorzien. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat uit de bij de ter nadere uitwerking van de Verordening op 13 september 2010 vastgestelde Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 ook niet volgt dat eisers reserveringscapaciteit over de laatste jaren wat daar verder ook van zij relevant is voor zijn aanspraak op de financiële tegemoetkoming voor de kosten van zijn verhuizing, zoals neergelegd in paragrafen 4.5 en 4.8.

In dit verband overweegt de rechtbank verder nog dat het standpunt van verweerder dat het een algemeen gebruikelijke verhuizing in verband met levensfase betreft ook niet zelfstandig de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding kan dragen. Gewezen wordt op wat dienaangaande door de Raad is overwogen in de uitspraak van 15 december 2010 (LJN: BO8856).

Ter zitting is door verweerder te kennen gegeven dat niet is onderzocht of de belemmeringen van eiser noopten tot verhuizing en of de nieuwe woning adequaat is voor eiser, gelet op die belemmeringen. Dit zal nader onderzocht moeten worden.”

2. Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak onderzoek verricht naar het wooncomplex voor Turkse ouderen Orkide (Orkide), waar eiser thans woonachtig is, en is tot de conclusie gekomen dat dit wooncomplex als adequaat voor eiser kan worden aangemerkt. Verweerder heeft aan de bij bestreden besluit II gehandhaafde afwijzing van de gevraagde verhuiskostenvergoeding artikel 4, aanhef en onder b, van de Verordening ten grondslag gelegd, waarbij is bepaald dat verweerder, onverlet bijzondere individuele omstandigheden, in ieder geval geen individuele voorziening toekent als de persoon de belemmeringen die hij ondervindt in voldoende mate kan compenseren door een voor de persoon algemeen gebruikelijke voorziening. In de situatie van eiser moeten volgens verweerder de kosten van de verhuizing als algemeen gebruikelijk worden gekwalificeerd.

Er is volgens verweerder sprake van een combinatie van factoren, die eiser tot het inzicht hebben gebracht dat verhuizing de meest doeltreffende oplossing is. Als factoren noemt verweerder de leeftijd van eiser, zijn medische aandoeningen, zijn gezinssituatie, de slijtageklachten aan de knieën van zijn echtgenote en de woonsituatie met de daarbij ervaren belemmeringen. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat de problemen met het traplopen zich al geruime tijd voordeden, in ieder geval vanaf het moment dat eiser zich heeft laten inschrijven bij Orkide, drie à vier jaar geleden.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, nu eiser in oktober 2011 is verhuisd naar Orkide, niet is gebleken dat eiser het woonprobleem niet zelf heeft kunnen oplossen en dat de kosten hiervan niet kunnen worden afgewenteld op de gemeenschap, nu eiser jaarlijks drie tot vier maanden naar Turkije gaat en hij een auto heeft aangeschaft.

3. De rechtbank overweegt dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, het beroep mede geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit II. Nu bestreden besluit II in de plaats is gekomen van bestreden besluit I heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van bestreden besluit I en wordt het beroep gericht tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.

4. Vaststaat nu dat eiser en zijn echtgenote in toenemende mate belemmeringen ondervonden bij het traplopen en dientengevolge bij het gebruik van de oude woning. Voorts staat nu vast dat zij in oktober 2011 zijn verhuisd naar een adequate woning.

5. Zoals de rechtbank reeds in de tussenuitspraak had overwogen bestaat er geen wettelijke grondslag om eiser tegen te werpen dat hij geen aanspraak kan maken op de verhuiskostenvergoeding omdat hij uit een oogpunt van kosten daarin zelf kan voorzien. De overweging van verweerder over de vakanties en de aanschaf van een auto betrekt wederom de financiële situatie van eiser bij de beoordeling en vormt daarom geen deugdelijke motivering van bestreden besluit II.

6. De rechtbank kan verweerder verder niet volgen in zijn redenering dat de genoemde samenloop van factoren tot de conclusie leidt dat de verhuizing dient te worden beschouwd als een algemeen gebruikelijke voorziening. De omstandigheid dat de slijtageklachten van eiser en zijn echtgenote al langere tijd bestonden, doet aan de noodzaak voor de verhuizing niet af. Dat de verhuizing voorzienbaar was, maakt die ook niet tot een algemeen gebruikelijke voorziening. Gewezen wordt hier nogmaals op de reeds in de tussenuitspraak vermelde uitspraak van de Raad van 15 december 2010 (LJN: BO8856).

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte en in strijd met de tussenuitspraak wederom de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding heeft afgewezen. Het beroep is gegrond en bestreden besluit II dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding thans zelf in de zaak te voorzien en zal bepalen dat verweerder aan eiser een verhuiskostenvergoeding dient toe te kennen van € 2.261,00. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde besluit.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk,

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond,

- vernietigt bestreden besluit II,

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat verweerder aan eiser een verhuiskostenvergoeding van € 2.261,-- toekent,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00 en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.