Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BX0121

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
10/603057-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Dagvaarding partieel nietig. Vrijspraak van deelneming aan een criminele organisatie. In dit geval onvoldoende structurele en duurzame samenwerking. Bewezenverklaring mensenhandel (vijf slachtoffers), in bezit zijn van een vals reisdocument en – kort gezegd – mensensmokkel. Redelijke termijn voor berechting is in forse mate overschreden. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/603057-06

Datum uitspraak: 11 mei 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1967 te [plaats] (Roemenië),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres];

gemachtigd raadsman mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012 en 25 april 2012 en is op 27 april 2012 gesloten.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging van 20 augustus 2007, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van de Vliet heeft gerekwireerd tot:

-partiële nietigverklaring van de dagvaarding;

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde, een en ander zoals weergegeven in zijn schriftelijk requisitoir;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden, met aftrek van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding waar het betreft feit 1 partieel nietig is, omdat de verdenking terzake mensenhandel waar het [aangeefster 8] betreft, anders dan bij de andere betrokken vrouwen, onvoldoende feitelijk is uitgewerkt.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de dagvaarding in zoverre niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. Hetzelfde geldt voor wat betreft de na [aangeefster 8] opgenomen woorden “en/of een of meer anderen”. De dagvaarding zal daarom op deze punten nietig worden verklaard.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 4 ten laste gelegde (deelneming aan een criminele organisatie) is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Volgens vaste jurisprudentie moet onder een organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. De verdachte hield zich met anderen bezig met mensen¬handel en -smokkel ten behoeve van de prostitutie en had hierover met hen met enige regelmaat contacten. Onvoldoende is echter komen vast te staan dat de onderlinge contacten en door een ieder ontplooide activiteiten van dien aard waren dat kan worden gesproken van een structurele en duurzame samenwerking tussen de verdachte en andere personen, zodat om die reden de deelneming aan een criminele organisatie door verdachte niet kan worden bewezen.

BEWEZENVERKLARING

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 februari 2007, in Nederland en in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, anderen, te weten

-[aangeefster 1], geboren op [datum] 1987 te [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 2], geboren op [datum] 1982 in [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 3], geboren op [datum] 1979 te [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 4] (ook "[bijnaam]" en "[bijnaam]" genoemd), geboren op [datum] 1978 te [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 6], geboren op [datum] 1987 te [plaats](Roemenië)

heeft aangeworven en/of meegenomen met het oogmerk genoemde persoon/personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en/of

door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door fraude en/of afpersing en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de door die genoemde persoon/personen gepleegde seksuele handelingen met of voor een derde bestaande die dwang en/of dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid en/of die fraude en/of die afpersing en/of die misleiding en/of dat misbruik en/of die (ondernomen) handeling(en) hierin dat verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen, al dan niet met voormeld oogmerk

-voor wat betreft [aangeefster 1], voornoemd

die [aangeefster 1], in Roemenië heeft/hebben benaderd om in Nederland, (als hostess) in de horeca te gaan werken en genoemde [aangeefster 1] in de veronderstelling laten verkeren dat zij in Nederland of elders (als hostess) in de horeca zou gaan werken, en haar originele paspoort en haar originele geboorteakte heeft/hebben ingenomen en haar heeft/hebben voorzien van een (vals of vervalst) paspoort op naam [valse naam 1] en van een (vals of vervalst) paspoort op naam van [valse naam 2], en een (vals of vervalst) paspoort op naam van [valse naam 3], onder welke namen zij moest gaan werken en die [aangeefster 1] heeft/hebben verteld dat die [aangeefster 1] een contract had met verdachte aangezien die betalingen had gedaan voor (het verkrijgen van) die [aangeefster 1] en ingevolge dat (vermeend) contract een jaar lang, voor verdachte moest gaan werken in de prostitutie en dat die [aangeefster 1] de/een ontstane schuld moest aflossen en die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij 6 dagen per week moest werken en per dag 250 (uit de opbrengst van de prostitutie) aan verdachte moest afdragen endie [aangeefster 1] heeft/hebben verboden relaties aan te gaan en werkplekken en/of verblijfplaatsen voor die [aangeefster 1] heeft geregeld en haar heeft/hebben gedreigd terug te sturen naar Roemenië waardoor zij (mogelijk) een uitreisverbod uit Roemenië kon krijgen voor de duur van 5 jaar, en aldus die [aangeefster 1], die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was, onder druk heeft gezet en in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van verdachte heeft gebracht en gehouden een en ander zodanig dat die [aangeefster 1] daardoor werd gedwongen of bewogen zich te prostitueren en de opbrengst uit de door haar gepleegde prostitutie of een deel daarvan af te dragen aan verdachte en

-voor wat betreft [aangeefster 2], voornoemd:

die [aangeefster 2], in Roemenië de indruk heeft/hebben gegeven dat zij in Nederland legaal zou gaan werken en die [aangeefster 2] van Roemenië naar Nederland heeft/hebben vervoerd of doen vervoeren en het originele paspoort heeft ingenomen en onder zich gehouden en die [aangeefster 2] een (vals of vervalst) paspoort (naar Hongaars model) gesteld op naam [valse naam 4], heeft verstrekt onder welke naam die [aangeefster 2] zou moeten gaan werken en die [aangeefster 2] heeft/hebben meegedeeld dat zij een jaar lang voor verdachte moest gaan werken in de prostitutie ingevolge een (vermeend) contract en om de/een ontstane schuld aan verdachte af te lossen en een of meer werkplekken en/of verblijfplaatsen voor die [aangeefster 2] heeft/ geregeld, en aldus die [aangeefster 2], die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was, onder druk heeft gezet en in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van verdachte heeft gebracht en gehouden een en ander zodanig dat die [aangeefster 2] daardoor werd gedwongen of bewogen zich te

prostitueren en de opbrengst uit de door haar gepleegde prostitutie of een deel daarvan af te dragen aan verdachte en

-voor wat betreft die [aangeefster 3], voornoemd:

genoemde [aangeefster 3], verteld dat zij (genoemde [aangeefster 3]) in Nederland in de horeca zou moeten gaan werken ) en het originele paspoort van genoemde [aangeefster 3] heeft/hebben ingenomen en onder zich

gehouden en die [aangeefster 3] een (vals of vervalst) paspoort (naar Hongaars model) gesteld op naam [valse naam 5], heeft/hebben verstrekt onder welke naam die [aangeefster 3] voor verdachte en/of verdachtes mededader(s) moest gaan werken in de prostitutie en dat die [aangeefster 3] een jaar lang, €600,- per maand voor (het gebruik van) dat paspoort en €200,- per dag, althans (telkens) enig geldbedrag, (uit de opbrengst van de prostitutie) diende te betalen aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) en die [aangeefster 3] heeft/hebben verteld dat deze nu twee identiteiten bezat waardoor ze niet terug kon keren naar Roemenië en een of meer werkplekken en/of verblijfplaatsen voor die [aangeefster 3] heeft/hebben geregeld, en aldus die [aangeefster 3], die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was, onder druk heeft/hebben gezet en in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben gebracht en gehouden een en ander zodanig dat die [aangeefster 3] daardoor werd gedwongen of bewogen zich te prostitueren en de opbrengst uit de door haar gepleegde prostitutie of een deel daarvan af te dragen aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), en

-voor wat betreft [aangeefster 4], voomoemd:

die [aangeefster 4] in Roemenië heeft/ verteld dat er veel geld te verdienen was in de prostitutie in Nederland en dat verdachte haar in Nederland wel wegwijs kon maken in de prostitutiebranche en die [aangeefster 4] (in Nederland aangekomen) geld heeft geleend voor levensonderhoud en de huur van woonruimte en kleding [waardoor een schuld ontstond van die [aangeefster 4] aan verdachte ] enwerkplekken en verblijfplaatsen voor die [aangeefster 4] heeft geregeld,

en aldus die [aangeefster 4], die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was, in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van verdachte heeft gebracht en gehouden , een en ander zodanig dat die [aangeefster 4] daardoor werd gedwongen of bewogen zich te prostitueren en de opbrengst uit de door haar gepleegde prostitutie

of een deel daarvan af te dragen aan verdachte,en

- voor wat betreft [aangeefster 6], voornoemd:

die [aangeefster 6], in Roemenië heeft/hebben voorgesteld in Nederland in de horeca te gaan werken en die [aangeefster 6] heeft/hebben meegedeeld dat de onkosten voor het paspoort en het vervoer en het onderdak en het eten voor rekening van verdachte en/of verdachtes mededader(s) kwamen en die [aangeefster 6] heeft/hebben ondergebracht in een perceel aan de [straat] te Amsterdam en het originele paspoort heefthebben ingenomen en onder zich gehouden en die [aangeefster 6] een (vals of vervalst) paspoort (naar Hongaars model) gesteld op naam [valse naam 7], heeft verstrekt, onder welke naam die [aangeefster 6] zou moeten gaan werken en die [aangeefster 6] heeft meegedeeld dat zij een jaar lang, voor verdachte moest gaan werken in de prostitutie ingevolge een (vermeend) contract en om de/een ontstane schuld aan verdachte af te lossen en dat die [aangeefster 6] (gedurende een jaar ) € 500,- per maand voor (het gebruik van) het (valse of vervalste) paspoort en € 250,- per dag (uit de opbrengst van de prostitutie), diende te betalen aan verdachte en werkplekken en/of verblijfplaatsen voor die [aangeefster 6] heeft geregeld en die [aangeefster 6] heeft gedreigd te slaan wanneer deze niet aan het werk zou gaan en (ook feitelijk) heeft/hebben geslagen, en aldus die [aangeefster 6], die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was, onder druk heeft/hebben gezet en in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van verdachte heeft/hebben gebracht en/of gehouden een en ander zodanig dat die [aangeefster 6] daardoor werd gedwongen of bewogen zich te prostitueren en de opbrengst uit de door haar gepleegde prostitutie of een deel daarvan af te dragen aan verdachte

2.

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 13 februari 2007, in Nederland, in het bezit is geweest van een reisdocument, te weten een paspoort op naam van [valse naam 2], geboren in [plaats] (Polen) op [datum] 1986 waarvan zij, verdachte wist dat dit document vals of vervalst was, bestaande die valsheid hierin dat het paspoort was voorzien van een foto van [aangeefster 1], geboren op [datum] 1987 te [plaats]

3

zij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006, in Nederland

anderen, te weten

-[aangeefster 1], geboren op [datum] 1987 te [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 2], geboren op [datum] 1982 in [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 3], geboren op [datum] 1979 te [plaats] (Roemenië) en

-[aangeefster 6], geboren op [datum] 1987 te [plaats] (Roemenië)

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en die personen daartoe gelegenheid en/of middelen heeft verschaft terwijl verdachte wist dat dit verblijf wederrechtelijk was

immers heeft verdachte toen daar uit winstbejag genoemde personen voorzien of doen of laten voorzien van valse paspoorten en die personen onderdak heeft verschaft en/ die personen werk heeft verschaft,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de als

bijlage II bij dit vonnis gevoegde inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe

redengevende feiten en omstandigheden. Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGING FEIT 1

De aangeefsters zijn afkomstig uit Roemenie. Ze zijn in Nederland met gebruikmaking van een tolk gehoord. Gelet op deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, wordt bewezen geacht dat de aangeefsters de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

2.

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet dat het vals of vervalst is;

3.

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij en gelegenheid en/of middelen verschaffen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan mensenhandel van een vijftal jonge vrouwen. Deze jonge vrouwen werden vanuit Roemenië - in het merendeel van de gevallen onder valse voorwendselen (zij zouden bijvoorbeeld in de horeca gaan werken) - naar Nederland vervoerd. In Nederland aangekomen werden zij overgehaald en/of gedwongen de prostitutie in te gaan. De vrouwen, die in een slechte sociaaleconomische positie verkeerden, de Nederlandse taal niet machtig waren, niet legaal werkzaamheden mochten verrichten en veelal geen woonruimte hadden in Nederland, waren als gevolg van deze omstandigheden zeer kwetsbaar. De slachtoffers werden in verregaande mate afhankelijk gemaakt van de verdachte, ook omdat in het merendeel van de gevallen de paspoorten van de slachtoffers werden ingenomen en omdat zij grote bedragen aan de verdachte moesten afstaan ter aflossing van een beweerdelijk ontstane geldschuld. De slachtoffers moesten in de meeste gevallen bijvoorbeeld forse (maandelijkse) bedragen betalen als vergoeding voor door of namens de verdachte verstrekte valse paspoorten. De slachtoffers hebben aldus verkeerd in een situatie waarin zij niet in vrijheid konden beslissen om door te gaan met het verrichten van de werkzaamheden of daarmee te stoppen, zoals een legale, mondige prostituee dat over het algemeen wel kan. De verdachte heeft aan het begaan van deze feiten actief meegewerkt door de slachtoffers in Roemenië aan te spreken en vervoer en onderdak voor de slachtoffers te regelen. Verder is bewezen verklaard dat de verdachte uit winstbejag vier vrouwen in Nederland heeft laten verblijven, terwijl zij wist dat dit verblijf onrechtmatig was. De verdachte had die vrouwen immers voorzien van een vals of vervalst paspoort. Ook is de verdachte in het bezit geweest van een vals of vervalst paspoort.

Door zich in te laten met mensenhandel heeft de verdachte de slachtoffers ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit toegebracht. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten het moeilijk vinden om nieuwe vriendschappen en relaties aan te gaan. Door het in bezit hebben en laten gebruiken van valse of vervalste paspoorten heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat in het algemeen in identiteitspapieren wordt gesteld. Door verschillende vrouwen, tegen betaling van grof geld, onderdak en middelen te verschaffen terwijl zij wist dat deze illegaal in Nederland verbleven, heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit en daarmee het beleid van de Nederlandse overheid om een gereguleerd migratiebeleid te voeren ondermijnd.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2012 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De op te leggen straf valt fors lager uit dan de door de officier van justitie voorgestane straf. Dit is voor een deel gelegen in de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in forse mate is overschreden. Hiermee is in de strafoplegging rekening gehouden. Ook is rekening gehouden met de gegeven (gedeeltelijke) vrijspraken en verder is aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten en de hoeveelheid slachtoffers dusdanig zijn, dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf, gelijk aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de voorwerpen genummerd 18, 20, 21, 23 en 25 te onttrekken aan het verkeer en de voorwerpen genummerd 2, 3, 4 en 5 terug te geven aan de rechthebbende. De voorwerpen 19 en 22 vallen naar het oordeel van de officier van justitie buiten het bestek van de onderhavige strafzaak. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de beslissing over de overige voorwerpen aan te houden, omdat deze tijdens de ontnemingsprocedure een rol kunnen gaan spelen. De lijst van inbeslaggenomen voorwerpen is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

Aangenomen wordt dat de voorwerpen op genoemde lijst in beslag zijn genomen met toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 353 van die wet dient de rechtbank daarover een beslissing te nemen en is er geen mogelijkheid om een beslissing op dit punt aan te houden.

Over de voorwerpen genummerd 19 en 22 zal de rechtbank echter geen beslissing nemen, nu dit voorwerpen betreffen die volgens opgave van de officier van justitie geen betrekking hebben op de onderhavige strafzaak.

De voorwerpen 20 en 21 (A-05-01-01 kopieën valse Hong.pasprt.div.meisjes en A-05-01-01 kopieen verstrekking SoFi [valse naam 3]) zullen worden onttrokken aan het verkeer. De bewezen verklaarde feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien de overige in beslag genomen voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan degene bij wie zij in beslag zijn genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 57, 197a, 231, 273a(oud) en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding voor feit 1 nietig voor zover het betreft het onderdeel “[aangeefster 8], geboren op [datum] 1981 en/of een of meer anderen”;

verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genummerd 20 en 21;

- gelast de teruggave van de voorwerpen 2 tot en met 18 en 23 tot en met 31 aan degene bij wie zijn in beslag zijn genomen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Van den Bos en Stalenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 mei 2012.