Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW9828

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/1333
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA2083, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzoeken om planschadevergoeding terecht afgewezen. Verweerder heeft de adviezen van de SAOZ aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen. De SAOZ adviezen bieden naar het oordeel van de rechtbank inzicht in de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de conclusie dat eisers als gevolg van de vrijstellingsbesluiten niet in een nadeliger planologischer positie zijn komen te verkeren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend is geen sprake. Dat de waarde van de woningen van eisers ingevolge de Wet WOZ voor het jaar 2005 € 60.000,- lager is vastgesteld kan eisers evenmin baten. De WOZ-waarde van de woningen kan eerst aan de orde komen bij het bepalen van de omvang van de planschade, nadat is vastgesteld dat een planologische maatregel daadwerkelijk tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor geldende planologische regime.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1333

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2012 in de zaak tussen

[Eiser], te [woonplaats],

[Eiser], te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse, verweerder,

gemachtigde: mr. L.L. Scheppink.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen zijn twee besluiten van 1 maart 2010 (de primaire besluiten) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2012. Eiser [naam] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door H.F.J. Noppen.

Overwegingen

1. [Eiser] is sinds 7 juni 1991 eigenaar van de woning, plaatselijk bekend [adresgegevens]. [Eiser] is sinds 14 mei 1976 eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend [adresgegevens]. Rond 1987 heeft [eiser] op dit perceel een woning gerealiseerd.

2. Bij besluiten van 4 juli 2005 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling (en bouwvergunning) verleend aan Planoform Vastgoedontwikkeling te Arnhem voor het realiseren van een zorgcentrum, 3 koopappartementengebouwen, 30 huurappartementen en bijbehorende (parkeer)voorzieningen op het perceel, kadastraal bekend Gemeente Spijkenisse, sectie F, nummers 05720 en 06936, plaatselijk bekend als Maaswijkweg te Spijkenisse. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden.

3. Bij brieven ontvangen op 27 maart 2009 en 31 maart 2009 hebben [eiser] respectievelijk [eiser] verzocht om planschadevergoeding. Eisers stellen dat zij schade lijden in de vorm van een waardevermindering van hun woningen als gevolg van de vrijstellingsbesluiten.

4. Verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) om advies gevraagd. De SAOZ heeft in adviezen van januari 2010 de vrijstellingsbesluiten vergeleken met het bestemmingsplan “Hekelingen, Plan in hoofdzaak” en geconcludeerd dat de vrijstellingsbesluiten niet leiden tot een nadeliger planologische situatie voor eisers. Volgens de SAOZ zijn de bebouwingsmogelijkheden niet in relevante mate toegenomen. Daartoe wordt overwogen dat ingevolge het bestemmingsplan op de gronden ten westen van de percelen van eisers (woon)bebouwing kan worden gerealiseerd van een onbeperkte omvang en met een hoogte van maximaal 15 meter. Door deze mogelijke bebouwing worden het zorgcomplex en de lagere woontorens geheel aan het zicht van eisers onttrokken. De woontoren met een hoogte van 49 meter is slechts vanaf de bovenverdieping van de woningen van eisers zichtbaar. Volgens de SAOZ is er geen sprake van een toename van de gebruiksintensiteit, nu reeds van de op grond van het bestemmingsplan mogelijke bebouwing een aanzienlijke mate van hinder uitgaat. In dit verband wijst de SAOZ ook op de afstand van de nieuwbouw tot de woningen van eisers.

5. Bij de primaire besluiten, gehandhaafd in bezwaar, heeft verweerder de verzoeken om planschadevergoeding afgewezen.

6. In beroep stellen eisers, onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar hebben gesteld, dat de SAOZ niet kan worden aangemerkt als een onpartijdige instantie. In dit verband wijzen eisers er op dat de SAOZ voor haar werkzaamheden wordt betaald door de gemeente. Daarnaast voeren eisers aan dat de adviezen van de SAOZ inhoudelijk onjuist zijn. Volgens eisers is sprake van een planologische verslechtering, omdat met de nieuwbouw de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan ruimschoots worden overschreden. Eisers wijzen er op dat de woontoren van 49 meter dusdanig hoog is dat deze voor hen goed zichtbaar is. Eisers stellen schade te hebben geleden omdat de vrijstellingsbesluiten hebben geleid tot een verslechtering van hun uitzicht en een toename van de verkeersintensiteit. Ter zitting stellen eisers dat in de praktijk het zorgcomplex geluids- en lichtoverlast veroorzaakt. Eisers betogen verder dat de voormalige wethouder De Jong aan hen de toezegging heeft gedaan dat de nieuwbouw een beperktere omvang zou hebben dan de thans gerealiseerde bebouwing. Ten slotte wijzen eisers er op dat de waarde van hun woningen ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) over het jaar 2005 in verband met de vrijstellingsbesluiten is verlaagd met € 60.000,-.

7. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

Op grond van artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedings-overeenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Op grond van artikel II, tweede lid, van de op 1 september 2005 in werking getreden wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f, voor zover de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip worden ingediend.

De rechtbank overweegt dat op de aanvragen van eisers artikel 49 van de WRO van toepassing is, nu de aanvragen betrekking hebben op planologische maatregelen die onherroepelijk zijn geworden vóór 1 september 2005. Als peildatum geldt 4 juli 2005, de datum waarop de vrijstellingsbesluiten in werking zijn getreden.

8. Op grond van artikel 49 van de WRO, voor zover thans van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 schade lijdt welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

9. Voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Bij de vergelijking is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Niet in geschil is dat de vrijstellingsbesluiten dienen te worden vergeleken met het bestemmingsplan "Hekelingen, Plan in hoofdzaak", dat in 1963 is vastgesteld.

10. De rechtbank stelt voorop dat de SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat een bestuursorgaan in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – ABRS – van 4 april 2012, LJN: BW0802).

11. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten en omstandigheden aangedragen die het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen.

Dat de SAOZ voor het opstellen van de adviezen een financiële vergoeding van de gemeente heeft ontvangen, brengt niet met zich dat de adviezen van januari 2010 niet op een onpartijdige en objectieve wijze informatie verschaffen, dan wel dat concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen bestaan. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de adviezen niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen om de reden dat de SAOZ niet onpartijdig is.

12. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan een besluit op een verzoek om planschadevergoeding baseren op een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie van dat advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie bijvoorbeeld de voormelde uitspraak van de ABRS van 4 april 2012).

13. De rechtbank is van oordeel dat de adviezen van de SAOZ inzicht bieden in de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de conclusie dat eisers als gevolg van de vrijstellingsbesluiten niet in een nadeliger planologischer positie zijn komen te verkeren. De rechtbank acht deze conclusie voorts niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van de SAOZ, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4, blijkt dat de SAOZ een planologische vergelijking heeft verricht tussen de vrijstellingsbesluiten en het bestemmingsplan "Hekelingen, Plan in hoofdzaak" en dat de SAOZ alle door eisers gestelde schadefactoren, waaronder de ter zitting gestelde schadefactoren, bij de planvergelijking heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat de adviezen onjuist of onvolledig zijn. Daarbij is van belang dat eisers hun stelling dat sprake is van een relevante planologische verslechtering op geen enkele wijze met objectieve gegevens hebben onderbouwd. Tevens is van belang dat zij de aannames van de SAOZ met betrekking tot de omvang en hoogte van de nieuwbouw en de ingevolge het bestemmingsplan bestaande mogelijkheid van ontwikkeling van (woon)bebouwing op het tussenliggende terrein niet hebben weersproken. Voorts merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers stellen, uit de adviezen blijkt dat de SAOZ bij de planvergelijking wel degelijk rekening heeft gehouden met het feit dat de woontoren van 49 meter hoog zichtbaar is vanuit de woningen van eisers.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de adviezen van de SAOZ aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

14. De beroepsgrond dat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat de nieuwbouw een beperktere omvang zou krijgen dan de bebouwing waarop de vrijstellingsbesluiten zien, kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de ABRS van 20 juli 2011, LJN: BR2292). Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is niet aannemelijk geworden dat de toenmalige wethouder toezeggingen heeft gedaan in vorenbedoelde zin, een en ander nog los van de vraag wat de relevantie daarvan zou zijn voor de beoordeling van het planschadeverzoek.

15. Dat de waarde van de woningen van eisers ingevolge de Wet WOZ voor het jaar 2005 [bedrag] lager is vastgesteld, kan hen evenmin baten. Van belang daarbij is dat de WOZ-waarde van de woningen eerst aan de orde kan komen bij het bepalen van de omvang van de planschade, nadat is vastgesteld dat een planologische maatregel daadwerkelijk tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor geldende planologische regime (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS van 16 juni 2010, LJN: BU8101). Omdat in dit geval geen sprake is van een planologische verslechtering, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

16. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. F.A. Mulder en

mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.