Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW9720

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De grondslag van de Regeling is terug te voeren op de Wft, zodat de rechtbank gelet op artikel 1:110 van de Wft in eerste aanleg exclusief bevoegd was kennis te nemen van het beroep tegen enige beslissing daaromtrent. Gelet hierop houdt de rechtbank het ervoor dat de rechtbank Haarlem op 30 juni 2011 onbevoegdelijk uitspraak heeft gedaan. De rechtbank is dan ook in beginsel bevoegd om thans kennis te nemen van een beroep tegen een (verondersteld) schadebesluit dat voortborduurt op de procedure bij de rechtbank Haarlem. Nu evenwel hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem is de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd is van het beroep tegen het bestreden besluit kennis te nemen. Gelet op de brief van het College van 7 februari 2012 doet de rechtbank niettemin uitspraak in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/40

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2012 in de zaak tussen

Instituut voor Toegepaste Beleggingswetenschappen B.V. (het Instituut), te Utrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Weldam,

en

de minister van Financiën (de Minister), verweerder,

gemachtigde: mr. drs. M.A.G. Stolker en mr. R. Zitouni.

Procesverloop

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 30 juni 2011 (zaaknummer AWB 10/4730) geoordeeld dat de brief van de Minister van 23 juli 2010 een beslissing behelst op het bezwaar van het Instituut tegen de Regeling vaststelling inhaalprogramma’s beleggen van 20 april 2007 (Stcrt. 2007, 83; de Regeling) voor zover in de Regeling niet het tiende inhaalprogramma van het Instituut is geaccrediteerd. De rechtbank heeft het beroep van het Instituut daartegen gegrond verklaard, het besluit van 23 juli 2010 vernietigd en de Minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De Minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De voorzitter van de Afdeling heeft de Minister bij brief van 7 november 2011 bericht dat niet zij, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) bevoegd is en heeft de stukken doorgezonden naar het College.

Bij besluit van 15 december 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van het Instituut tegen zijn brief van 25 augustus 2011, strekkende tot afwijzing van het op 13 juli 2010 ingediende verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure die heeft geleid tot bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Haarlem, ongegrond verklaard.

Het Instituut heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam (de rechtbank).

De griffier van de rechtbank heeft bij brief van 2 februari 2012 afschriften van het bestreden besluit, het beroepschrift en de uitspraak van de rechtbank Haarlem aan het College verzonden en het College verzocht mee te delen of het zich in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem tevens wenst uit te spreken over het bestreden besluit.

Bij brief van 7 februari 2012 heeft de griffier van het College de rechtbak bericht dat het bestreden besluit naar het oordeel van het College geen besluit behelst als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat in het hoger beroep kan worden meegenomen, zodat het College onbevoegd is daarvan kennis te nemen.

Partijen hebben de rechtbank, nadat zij zijn uitgenodigd voor een zitting, verzocht het beroep aan te houden omdat zij de mogelijkheid verkennen om onderling tot een oplossing te komen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2012. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde(n). Voorts is verschenen [A], senior partner bij het Instituut.

Overwegingen

1. Artikel 1:110 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) luidt:

“1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet of indien om een voorlopige voorziening wordt verzocht ingevolge deze wet is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

(…)”

De Regeling luidt:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder

diplomahouder: een houder van een diploma als bedoeld in artikel 171, eerste of tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, voor hypothecair krediet of

levensverzekering.

Artikel 2

1. Diplomahouders voldoen aan de eindtermen, opgenomen in de onderdelen 2.5 tot en met 2.7 onderscheidenlijk 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft door het afleggen van een van de inhaalprogramma’s

opgenomen in de bijlage bij deze regeling en aangeboden door de daarbij vermelde aanbieder.

2. De inhaalprogramma’s kunnen worden aangeduid met het desbetreffende nummer genoemd in de eerste kolom van de bijlage.

Artikel 3

1. De diplomahouder beschikt over een certificaat of andersoortig bewijsdocument waaruit blijkt dat het inhaalprogramma is afgelegd.

2. De aanbieder van het inhaalprogramma verstrekt een opgave van deelnemers aan de Autoriteit Financiële Markten, waaruit blijkt dat de betreffende diplomahouder het inhaalprogramma heeft afgelegd.

3. De opgave, bedoeld in het tweede lid wordt elektronisch aan de Autoriteit Financiële Markten verstrekt en vermeldt, indien mogelijk, het vergunningnummer van de financiëledienstverlener waar de diplomahouder werkzaam is.

(…)”

2. De rechtbank stelt voorop dat de (via bezwaar getrapte) toegang tot de bestuursrechter een kwestie van openbare orde behelst die door de bestuursrechter ambtshalve aan de orde dient te worden gesteld. De rechtbank komt dienaangaande tot de volgende beoordeling.

3. Het is vaste jurisprudentie dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding (dat niet is gebaseerd op een wettelijke of in een beleidsregel voorziene schadevergoedingsregeling), indien de gestelde schadeoorzaak een besluit is waartegen bij die rechter beroep kan worden ingesteld (vgl. ABRvS 27 juli 2011, LJN BR3204; CRvB 16 september 2003, LJN AM2447 en CBb 29 september 2011, LJN BT7612). Deze bevoegdheidsvraag ligt in de vorm van een ontvankelijkheidsbeslissing evenzeer voor in de bezwaarfase (vgl. ABRvS 27 juli 2011, LJN BR3204).

4. De grondslag van de Regeling is terug te voeren op de Wft, zodat de rechtbank gelet op artikel 1:110 van de Wft in eerste aanleg exclusief bevoegd was kennis te nemen van het beroep tegen enige beslissing daaromtrent. Gelet hierop houdt de rechtbank het ervoor dat de rechtbank Haarlem op 30 juni 2011 onbevoegdelijk uitspraak heeft gedaan. De rechtbank is dan ook in beginsel bevoegd om thans kennis te nemen van een beroep tegen een (verondersteld) schadebesluit dat voortborduurt op de procedure bij de rechtbank Haarlem. Nu evenwel hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem is de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd is van het beroep tegen het bestreden besluit kennis te nemen. Gelet op de brief van het College van 7 februari 2012 doet de rechtbank niettemin uitspraak in deze zaak.

5. De Regeling alsmede de daarbij behorende bijlage, die haar grondslag vindt in artikel 171 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo), is naar het oordeel van de rechtbank (onderdeel van) een algemeen verbindend voorschrift, zodat daartegen gelet op artikel 8:2 van de Awb geen beroep openstaat. De Regeling en de daarbij behorende bijlage kan immers niet los worden gezien van de in artikel 4:9, tweede lid, van de Wft voortvloeiende verplichting van financiëledienstverleners om te voldoen aan de bij en krachtens het BGfo vastgelegde diploma-eisen.

6. De rechtbank Haarlem heeft dit niet onderkend en heeft naar het oordeel van de rechtbank in de briefwisseling tussen het Instituut en het College deskundigheid financiële dienstverlening (CDFD) ten onrechte een bezwaarschrift ontwaard tegen de Regeling. Gelet hierop behelst de brief van de Minister van 23 juli 2010, die een weergave en duiding bevat van de voorgaande correspondentie tussen het Instituut, het CDFD en de Minister, naar het oordeel van de rechtbank niet een beslissing op bezwaar in de zin van artikel 7:1, tweede lid, van de Awb.

7. Nu met de brief van de Minister van 23 juli 2010 geen voor beroep vatbaar (schadetoebrengend) besluit voorligt kon het Instituut niet bij de Minister een schadebesluit uitlokken ter zake van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Hieruit volgt dat de brief van de Minister van 25 augustus 2011 geen besluit is, zodat het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De Minister heeft dit laatste met het bestreden besluit miskend, zodat het niet in stand kan blijven. Het beroep is deswege gegrond. Doende hetgeen de Minister had behoren te doen zal de rechtbank alsnog het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de Minister aan het Instituut het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt de Minister in de door het Instituut gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk,

- bepaalt dat de Minister aan het Instituut het betaalde griffierecht van € 302,00 vergoedt,

- veroordeelt de Minister in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan het Instituut.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.