Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW9475

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/3977
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De minister van SZW heeft niet ingestemd met de plaatsing van een lift op de voet van de Beleidsregel Warenwetbesluit liften. Door geen instemming te verlenen doet zich de situatie voor dat de oude lift, die evenmin voldoet aan de vigerende regelgeving en waarvan onbestreden is aangevoerd dat die niet meer goed functioneert, nog wel gebruikt mag worden en nimmer kan worden vervangen door een nieuwe lift, tenzij de Stichting ervoor kiest de nieuwe lift – zoals van de zijde van de Minister ter zitting is geopperd – niet te laten eindigen op de hoogste etage.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister hiermee geen blijk gegeven van een redelijke belangenafweging, terwijl artikel 4:84 van Awb hem wel de mogelijkheid tot die belangenafweging biedt. Evenmin staat het slotgedeelte van eis 2.2. van Bijlage I bij de Richtlijn 95/16/EG er aan in de weg dat in onderhavig geval toestemming wordt verleend gelet op het zinsgedeelte ‘met name wanneer bovengenoemde oplossing in bestaande gebouwen niet uitvoerbaar is’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3977

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2012 in de zaak tussen

Stichting Volkshuisvesting Arnhem (de Stichting), te Arnhem, eiseres,

gemachtigde: [A],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister), verweerder,

gemachtigde: mr. I.E. van Heijningen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van de Stichting tegen het besluit van 4 april 2011 strekkende tot het niet in stemmen met het gebruik van de middelen bedoeld in artikel 1 van de Beleidsregel Warenwetbesluit liften (Stcrt. 2010, 11770: de Beleidsregel) ongegrond verklaard.

De Stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2012. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen [B] en [C], beiden werkzaam bij de Stichting, alsmede een medewerker van de Arbeidsinspectie.

Overwegingen

1. Artikel 3 van de Richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende liften luidt:

“De liften waarop deze richtlijn van toepassing is, moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

De veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van toepassing is, moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen essentiële veiligheidsen gezondheidseisen of zodanig zijn dat de liften waarop zij zijn aangebracht, aan dezelfde essentiële eisen voldoen.”

Eis 2.2. van Bijlage I luidt:

“De lift moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat er geen gevaar van verplettering bestaat, wanneer de kooi zich in één van de uiterste standen bevindt.

Dit is het geval, wanneer er een vrije ruimte of schuilruimte voorbij de uiterste standen aanwezig is.

In uitzonderlijke gevallen evenwel, met name wanneer bovengenoemde oplossing in bestaande gebouwen niet uitvoerbaar is en mits de Lid-Staten in de gelegenheid worden gesteld hiermee vooraf in te stemmen, kunnen andere passende middelen worden gebruikt om dit risico te voorkomen.”

In artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften is bepaald dat liften voldoen aan de in bijlage I van de Richtlijn 95/16/EG opgenomen essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

De Minister heeft met betrekking tot artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften de Beleidsregel vastgesteld. Die luidt:

“(…)

Als in uitzonderlijke gevallen ter voorkoming van het risico van verplettering andere middelen dan een vrije ruimte of schuilruimte voorbij de uiterste standen van de liftkooi worden gebruikt, dan worden deze als passend beschouwd als aan de volgende voorwaarden is voldaan.

A. Uitzonderlijke gevallen

Als uitzonderlijke gevallen worden beschouwd die gevallen waarin voldoende vrije ruimte onder of boven in de liftschacht in bestaande gebouwen niet uitvoerbaar is. Dit betreft onder meer liften die niet op een andere plaats geïnstalleerd kunnen worden en waarbij obstakels zoals hoofdfundatiebalken moeten worden doorbroken of hoofdriolen met een doorsnede groter dan 1,5 m moeten worden omgelegd.

B. Vrije ruimte boven de kooi

Te bepalen overeenkomstig de hoofdstukken 5.5, 5.6, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009, Veiligheidsregels voor de vervaardiging en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personen-, goederen-liften in bestaande gebouwen.

(…)

Verzoeken om instemming met het gebruik van andere passende middelen kunnen vooraf worden ingediend bij de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.”

2. De Stichting is eigenaar van drie aaneengesloten kantoorpanden aan de Eusebiussingel te Arnhem die als Rijksmonumenten zijn aangewezen. De lift in pand nummer 9, die in 1980 is gemonteerd, dient volgens de Stichting na 30 jaar vervangen te worden omdat deze niet meer naar behoren functioneert. Regelmatig zou de lift dienst weigeren en stoppen op ongewenste plekken. Teneinde een lift te kunnen plaatsen die voldoet aan artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften in verbinding met eis 2.2. van Bijlage I van de Richtlijn 95/16/EG zal de liftschacht met circa 60 cm verhoogd moeten worden. De gemeentelijke commissie voor Welstand en Monumenten, de afdeling Erfgoed van de gemeente Arnhem en de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed hebben ter zake van een aanvraag tot vooroverleg inzake het verhogen van de liftschacht eind 2010 een negatief advies uitgebracht. Bij brief van 14 juni 2011 hebben burgemeester en wethouders van Arnhem de Stichting in dit verband afgeraden een omgevingsvergunning aan te vragen omdat daarop zonder meer afwijzend zal worden beslist.

3. De Stichting heeft de Arbeidsinspectie verzocht in te stemmen met een alternatieve lift, waarbij op andere wijze een vrije ruimte boven de liftkooi wordt gecreëerd, welke ontstaat na een aanpassing door de monteur, zodat sprake is van een tijdelijke en niet permanente vrije ruimte. De Minister heeft de gevraagde instemming niet verleend omdat hij van mening is dat zich niet een uitzonderingssituatie als bedoeld in de Beleidsregel voordoet.

4. In beroep heeft de Stichting gesteld dat uitsluitend een lift die voldoet aan artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften in verbinding met eis 2.2. van Bijlage I bij de Richtlijn 95/16/EG kan worden gemonteerd indien de liftschacht met circa 60 cm wordt verhoogd, met als gevolg dat deze de beeldbepalende daklijn gaat doorkruisen en tevens de constructieve dakopbouw doorsnijdt. Zij heeft dienaangaande het volgende aangevoerd

“[De Stichting] verzoekt de rechtbank uitspraak te doen inzake het ontstane dilemma. Enerzijds verleent de welstandscommissie en de afdeling erfgoed van de gemeente Arnhem geen medewerking voor de opbouw van de liftschacht, en anderzijds blokkeert de arbeidsinspectie met in navolging het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid de toepassing van een alternatieve lift die voldoet aan alle veiligheidvoorschriften volgens de Europese norm 81-21. Ergo de verouderde en steeds minder goed functionerende lift in het pand Eusebiussingel nummer 9 willen wij in het belang van onze huurders vervangen, maar door de besluiten van drietal overheidsinstanties wordt ons de mogelijkheid ontnomen.”

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Niet in geschil is dat de eisen die volgen uit artikel 5 van het Warenwetbesluit liften, gelet op het overgangsrecht dat is neergelegd in artikel 15, tweede lid, van de Richtlijn 95/16/EG en in artikel 28d van het Warenwetbesluit liften, niet van toepassing zijn op de huidige verouderde lift, die de Stichting wenst te vervangen door een nieuwe lift waarop het verzoek om instemming met het gebruik van andere passende middelen als bedoeld in de Beleidsregel ziet. Onweersproken heeft de Stichting gesteld dat de oude lift niet meer naar behoren functioneert. In confesso is verder dat geen omgevingsvergunning zal worden verleend voor het verhogen van de liftschacht vanwege welstandseisen en uit een oogpunt van monumentenzorg. Voorts is door de Stichting onweersproken aangevoerd dat de liftschans niet op een andere plaats geïnstalleerd kan worden. Ten slotte is door de Stichting ter zitting onweersproken gesteld dat de door haar beoogde lift voldoet aan de NEN 81-norm, en dat met die lift de veiligheid van de monteur niet afhankelijk is van zijn eigen oplettendheid omdat het niet mogelijk is de lift bovenop de liftkooi te bedienen zonder eerst de tijdelijke vrije ruimte vast te zetten.

5.2. Niettemin meent de Minister dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval in de zin van de Beleidsregel omdat de aanpassing technisch wel mogelijk is. De Minister is in het bestreden besluit voorbij gegaan aan de brief van 14 juni 2011 van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem – die door de Stichting in bezwaar is overgelegd – waarin is opgemerkt dat de verhoging van de liftschacht bouwkundig gezien ongewenst is, omdat de aansluitingen met bijvoorbeeld de hoekkeper en het deel met het hoger gelegen platte dak nooit kunnen voldoen aan echte goede uitvoeringsvoorwaarden voor waterdichte constructies. De rechtbank zal op grond van het hiernavolgende in het midden laten of het betoog van de Minister ter zitting, dat ertoe strekt dat deze onwenselijkheid geen uitzondering vormt als bedoeld in de Beleidsregel, kan worden gevolgd.

5.3. Door geen instemming te verlenen doet zich de situatie voor dat de oude lift, die evenmin voldoet aan de vigerende regelgeving en waarvan onbestreden is aangevoerd dat die niet meer goed functioneert, nog wel gebruikt mag worden en nimmer kan worden vervangen door een nieuwe lift, tenzij de Stichting ervoor kiest de nieuwe lift – zoals van de zijde van de Minister ter zitting is geopperd – niet te laten eindigen op de hoogste etage.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister hiermee geen blijk gegeven van een redelijke belangenafweging, terwijl artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem wel de mogelijkheid tot die belangenafweging biedt. Evenmin staat het slotgedeelte van eis 2.2. van Bijlage I bij de Richtlijn 95/16/EG er aan in de weg dat in onderhavig geval toestemming wordt verleend gelet op het zinsgedeelte ‘met name wanneer bovengenoemde oplossing in bestaande gebouwen niet uitvoerbaar is’.

6. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb niet in stand blijven en is het beroep gegrond. De rechtbank ziet met het oog op een finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorziening door – doende hetgeen de Minister had behoren te doen – het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat toestemming is verleend voor de in geding zijnde aanpassingen overeenkomstig de Beleidsregel.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de Minister aan de Stichting het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt de Minister in de door de Stichting gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de gemaakte reiskosten op € 91,60.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het besluit van 4 april 2011 en geeft alsnog toestemming voor het gebruik van andere passende middelen overeenkomstig de Beleidsregel,

- bepaalt dat de Minister aan de Stichting het betaalde griffierecht van € 302,00 vergoedt,

- veroordeelt de Minister in de proceskosten tot een bedrag van € 91,60 te betalen aan de Stichting.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.