Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW9139

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
1343620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering vakbonden toegewezen. Het onderbrengen van 150 man personeel in flexibele arbeidspool in aparte B.V. met als doel dit over te dragen aan derde partij valt onder "plannen die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben" in de zin van artikel 9 van de CAO Technisch Installatiebedrijf. Vakbonden ten onrechte niet geraadpleegd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 15
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/177 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
AR-Updates.nl 2012-0608
JAR 2012/177 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Rv

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

1. FNV Bondgenoten,

gevestigd te Utrecht,

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

2. CNV Vakmensen,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

gemachtigde: mr. J.J.A. Janssen,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.M. Dammers.

Partijen worden hierna aangeduid als “FNV”,“CNV ” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

• het exploot van dagvaarding van 16 mei 2012;

• de door partijen in het geding gebrachte producties.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012 in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden. Beide partijen hebben hun standpunten laten bepleiten door hun gemachtigden. Door de gemachtigde van [gedaagde] zijn pleitnotities overgelegd.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1 FNV en CNV zijn beide partij bij de collectieve arbeidsovereenkomst Technisch Installatiebedrijf (hierna: de CAO). De CAO heeft een looptijd van 1 april 2011 tot en met 30 april 2013.

2.2 Vanwege haar lidmaatschap van werkgeversvereniging UNETO-VNI is [gedaagde] gehouden de CAO na te leven.

2.3 In artikel 9 van de CAO staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“FUSIE, SLUITING EN REORGANISATIE

Artikel 9

1. Hetgeen in de navolgende leden van dit artikel wordt bepaald, is van toepassing op de ondernemingen, waarin in de regel ten minste 20 personen werkzaam zijn.

2. De werkgever die fusiebesprekingen voert, dan wel het voornemen heeft het bedrijf geheel of gedeeltelijk te sluiten en/of het personeelsbestand ingrijpend te reorganiseren, dan wel andere plannen heeft die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben, stelt de w.v. en de v.v. daarvan in kennis. De werkgever zal er naar streven collectieve ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen.

3. De kennisgeving bedoeld in lid 2 van dit artikel dient plaats te vinden zodra verwacht kan worden dat de eventuele fusie, sluiting en/of reorganisatie wellicht doorgang kan vinden.

(...)”

2.4 In “Bijlage 2” wordt een toelichting gegeven op het hiervoor vermelde artikel. Deze toelichting luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“(...)

De grondgedachte van artikel 9 is deze dat, ingeval de werkgever voornemens is een fusie aan te gaan met een ander bedrijf, dan wel indien hij het voornemen heeft het bedrijf geheel of gedeeltelijk te sluiten of wel het personeelsbestand ingrijpend te reorganiseren, hij de werkgeversorganisatie waarbij hij is aangesloten, alsmede de vakverenigingen van dat

plan tijdig in kennis stelt.

De bedoeling van deze regeling is de mogelijkheid te scheppen voordat de eventuele fusie, sluiting en/of reorganisatie een feit is, de gevolgen daarvan voor de in het bedrijf werkzame personen in de besluitvorming te betrekken. Dit betekent dat de informatie aan de werkgevers- en werknemersorganisaties op een zodanig tijdstip dient te geschieden dat enerzijds te verwachten valt dat de plannen doorgang zullen vinden doch dat het anderzijds nog mogelijk is voor de w.v. en v.v. een reële inbreng te leveren, opdat eventuele nadelige gevolgen voor de werknemers zoveel mogelijk worden tegengegaan of verminderd.

(...)”

2.5 [gedaagde] heeft FNV en CNV per brief van 14 maart 2012 geïnformeerd over haar besluit om vanwege een sterke terugval van het markvolume in de nieuwbouwmarkt, 150 werknemers in een externe flexibele capaciteitspool te plaatsen, die is ondergebracht in de dochteronderneming “[A]. (hierna: [A]). In de brief wordt aangegeven dat gesprekken worden gevoerd met een aantal in technische detachering gespecialiseerde bedrijven om deze externe arbeidspool over te nemen.

2.6 De werknemers die betrokken zijn bij de overplaatsing naar [A] hebben op 15 maart 2012 een brief ontvangen. Ook is door [gedaagde] met de betrokken werknemers een overplaatsinggesprek gevoerd waarbij de werknemers is medegedeeld dat de overplaatsing van “rechtswege” plaatsvindt, hetgeen ook is bevestigd in een dokument getiteld “Veel gestelde vragen rondom de overgang naar [A].”, versie 2, maart 2012.

2.7 Bij brieven van 23 maart 2012 hebben FNV en CNV op grond van artikel 9 CAO [gedaagde] verzocht haar plannen op te schorten en in overleg te treden. [gedaagde] heeft per brief van 29 maart 2012 gereageerd op de verzoeken van FNV en CNV en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zorgvuldig heeft gehandeld en heeft zich bereid verklaard een toelichting te geven op haar beweegredenen.

2.8 Per 1 april 2012 heeft [gedaagde] 150 van haar werknemers overgeplaatst naar [A].

2.9 Op 2 april 2012 heeft tussen partijen een overleg plaatsgevonden omtrent de oprichting van [A] en de overplaatsing van 150 werknemers, maar tussen partijen is geen overeenstemming bereikt

3. De stellingen van partijen

3.1 FNV en CNV hebben, na vermindering van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen, met buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.000,00) en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure:

a) tot intrekking van de overplaatsing van een deel van het werknemersbestand naar [A];

b) tot opschorting van de door [gedaagde] gestarte uitvoeringmaatregelen, waaronder, maar niet beperkt tot de overplaatsingsgesprekken;

c) tot betaling aan FNV en CNV van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis nalaat aan de daarin op te nemen veroordeling te voldoen;

d) tot betaling aan FNV en CNV elk afzonderlijk van een voorschot van € 10.000,00 zijnde € 20.000,00 in totaal, op de schadevergoeding van artikel 15 en 16 WCAO, wegens het niet naleven van artikel 9 CAO, dit binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.1.1 Aan haar vorderingen leggen FNV en CNV, naast de onder 2. genoemde feiten, - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] in strijd met artikel 9 lid 2 CAO heeft nagelaten de werkgevers- en werknemersverenigingen tijdig in kennis te stellen van haar voornemen om een flexibele capaciteitspool op te richten. [gedaagde] had FNV en CNV in een veel eerder stadium moeten informeren. Door oprichting van [A] en de overplaatsing van 150 van haar werknemers heeft [gedaagde] FNV en CNV voor een voldongen feit gesteld en is voorkomen dat zij invloed kunnen uitoefenen op de voorgenomen reorganisatie.

3.1.2 Vanwege het overtreden van de CAO is [gedaagde] op grond van artikel 15 en 16 WCAO schadeplichtig. FNV en CNV hebben schade geleden in de vorm van prestigeverlies naar de leden en verlies van wervingskracht naar de overige werknemers. Door overtreding van de CAO hebben FNV en CNV niet de gelegenheid gekregen zich te profileren en nieuwe leden te werven.

3.2 [gedaagde] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.2.1 Volgens [gedaagde] is zij vanwege slechte bedrijfseconomische omstandigheden genoodzaakt maatregelen te nemen. Door het werken met een flexibele capaciteitspool kan [gedaagde] een deel van haar werknemers op min of meer rendabele wijze aan het werk houden. De inrichting van de flexibele capaciteitspool kent volgens [gedaagde] twee verschillende fasen. De eerste fase is de interne herinrichting van de organisatie die bestaat uit het onderbrengen van de werknemers in [A] en de tweede fase betreft het vervreemden van [A].

3.2.2 [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij in de eerste fase geen overleg behoeft te voeren met de FNV en CNV, omdat deze fase geen negatieve invloed heeft op de werkgelegenheid. Elke baan blijft in de eerste fase behouden en ook de CAO blijft van toepassing. Er is alleen sprake van een verschuiving van werknemers tussen juridische entiteiten en daarvoor is alleen vereist dat de ondernemingsraad wordt geïnformeerd. Deze gelegenheid heeft de ondernemingsraad gekregen en zij heeft onder voorwaarden positief geadviseerd met betrekking tot de oprichting van de flexibele capaciteitspool. Volgens [gedaagde] berust het standpunt van FNV en CNV op een onjuiste uitleg van artikel 9 lid 2 CAO.

3.2.3 Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding heeft [gedaagde] aangevoerd, dat deze bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing dient te worden afgewezen.

3.3 De overige stellingen van partijen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd en voor zover nodig worden die stellingen in het kader van de beoordeling van de vordering besproken.

4. De beoordeling van de vordering

4.1 Vooropgesteld dient te worden dat voor de toewijzing van een voorlopige voorziening vast moet komen te staan dat sprake is van een spoedeisend belang. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang onweersproken gelaten en FNV en CNV hebben voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorziening.

4.2 In het kader van de onderhavige procedure dient beoordeeld te worden of de vorderingen van FNV en CNV in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door FNV en CNV gevorderde voorlopige voorziening geïndiceerd is.

4.3 Tussen partijen is in geschil of uit de tekst van artikel 9 lid 2 CAO voortvloeit dat [gedaagde] FNV en CNV omtrent haar voornemen tot oprichting van een flexibele capaciteitspool had moeten informeren of dat [gedaagde] daartoe pas moet overgaan op het moment dat zij [A] vervreemdt aan een derde partij.

4.4 Op grond van vaste jurisprudentie dient de betekenis van een (diagonale) CAO bepaling te worden vastgesteld aan de hand van objectieve maatstaven die volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. In beginsel is bij de uitleg van een CAO-bepaling niet van belang de bedoeling van de partijen die de CAO tot stand hebben gebracht, tenzij deze bedoeling uit de CAO-bepalingen en toelichting volgt.

4.5 Uit de tekst en toelichting van artikel 9 lid 2 CAO volgt dat de werkgever die plannen heeft voor het ingrijpend reorganiseren van het personeelsbestand dan wel andere plannen heeft die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben, de vakverenigingen op zodanig tijdstip hiervan op de hoogte dient te stellen dat te verwachten valt dat de plannen doorgang zullen vinden, maar de vakverenigingen nog wel de mogelijkheid hebben een reële inbreng te leveren. Uit het voorgaande volgt dat voor de verplichting van de werkgever om de vakverenigingen te informeren als vereiste geldt dat de plannen als ingrijpend voor het personeelsbestand kunnen worden bestempeld dan wel dat de plannen een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is deze CAO-verplichting niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

4.6 [gedaagde] heeft aangevoerd dat geen sprake is van ingrijpende maatregelen voor het personeelsbestand dan wel plannen die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben en heeft hiertoe gesteld dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de eerste fase, waarin de flexibele capaciteitspool wordt opgericht en de werknemers naar deze pool worden overgeplaatst en de vervolgfase, waarin de flexibele capaciteitspool wordt overgedragen aan een derde partij. Volgens [gedaagde] is in de eerste fase geen sprake van verlies aan werkgelegenheid, zodat de FNV en CNV in deze fase niet ingelicht behoeven te worden.

4.7 Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de door [gedaagde] onderscheiden fasen tussen (A) de oprichting en (B) de overdracht van de flexibele capaciteitspool niet los van elkaar kunnen worden gezien. Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken (waaronder de adviesaanvraag aan de ondernemingsraad) volgt immers dat [gedaagde] al bij de oprichting van de flexibele capaciteitspool het voornemen had om de pool over te dragen aan een derde, zodat op dat moment al vaststond dat het oprichten van de pool op termijn ten koste zou gaan van de werkgelegenheid binnen [gedaagde]. De eerste fase is derhalve onmiskenbaar ingezet met het oog op tweede fase; de overdracht van de flexibele capaciteitspool aan een derde partij. [gedaagde] had derhalve bij het oprichten van [A] al “plannen die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben” in de zin van artikel 9 van de CAO.

4.8 Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter kan de oprichting van [A] en de overdracht naar een derde partij als een ingrijpende reorganisatie van het personeelsbestand worden gekwalificeerd dan wel is in ieder geval sprake van plannen die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben. Het gaat om 150 van de circa 2.100 [gedaagde]-werknemers. Daarbij komt dat [gedaagde] de betrokken werknemers heeft geselecteerd in strijd met het Ontslagbesluit. De werknemers die zijn geplaatst in de flexibele capaciteitspool zijn geselecteerd omdat zij zich bezig houden met werkzaamheden ten behoeve van het lagere segment van de bouwmarkt en niet op basis van het afspiegelingsbeginsel. FNV en CNV hebben voorts onweersproken gesteld dat de overplaatsing van de werknemers ‘van rechtswege’ niet kan worden teruggevoerd op een bestaande rechtsfiguur, aangezien geen sprake is van overgang van onderneming. [gedaagde] heeft erkend dat inderdaad geen sprake is van overgang van onderneming. De kantonrechter is dan ook voorshands van oordeel dat het voornemen van [gedaagde] tot het oprichten van de flexibele capaciteitspool kan worden gekwalificeerd als een ingrijpende reorganisatie van het personeelsbestand. Voorzover zou worden geoordeeld dat daarvan geen sprake is, is in ieder geval sprake van plannen die een belangrijke negatieve invloed op de werkgelegenheid zullen hebben.

4.9 [gedaagde] heeft ter zitting feitelijk ook erkend dat hiervan sprake is. Immers, zij stelt zich op het standpunt dat voor de tweede fase, de overdracht van [A], de vakbonden wel op grond van artikel 9 van de CAO dienen te worden te worden geraadpleegd, vide punt 19 van de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde], die stelt “In de tweede fase komen de vakbonden met artikel 9 van de CAO in de hand wel in het vizier. Ook dat staat voor [gedaagde] vast”.

4.10 Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] conform het bepaalde in artikel 9 lid 2 CAO op het moment dat zij een concreet voornemen had tot oprichting van de flexibele capaciteitspool, FNV en CNV hiervan op de hoogte had moeten stellen. Nu uit de feiten volgt dat [gedaagde] dit heeft nagelaten, is het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] in strijd met artikel 9 CAO heeft gehandeld.

4.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het aannemelijk dat de vorderingen van FNV en CNV tot intrekking van de overplaatsing van een deel van het werknemersbestand naar [A] en opschorting van de door [gedaagde] gestarte uitvoeringmaatregelen, in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Vooruitlopend daarop zullen deze vorderingen daarom ook in kort geding toegewezen worden. De door FNV en CNV gevorderde dwangsommen worden beperkt tot een maximum van € 500.000,00.

4.12 Ten aanzien van het door FNV en CNV gevorderde voorschot op een schadevergoeding op grond van artikel 15 en 16 WCAO wordt als volgt overwogen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] met haar handelwijze FNV en CNV onvoldoende in staat gesteld hun vakbondsactiviteiten op deugdelijke wijze te verrichten. FNV en CNV hebben voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarnaast schade hebben geleden wegens prestigeverlies en verlies van wervingskracht, zodat het waarschijnlijk is dat (een deel van) de gevorderde schadevergoeding in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Derhalve zal [gedaagde] op grond van artikel 15 en 16 WCAO worden veroordeeld tot betaling van voorschot van € 5.000,00 aan zowel FNV als CNV.

4.13 De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

4.14 Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding,

veroordeelt [gedaagde]:

- tot intrekking van de overplaatsing van een deel van het werknemersbestand naar [A] en opschorting van de door [gedaagde] gestarte uitvoeringmaatregelen, waaronder, maar niet beperkt tot de overplaatsingsgesprekken, bij gebreke waarvan [gedaagde] een dwangsom verbeurt aan FNV en CNV van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat hieraan niet is voldaan, met een maximum van € 500.000,00;

- tot betaling aan FNV en CNV, elk afzonderlijk, van een voorschot van € 5.000,00, zijnde € 10.000,00 in totaal, op de schadevergoeding van artikel 15 en 16 WCAO, wegens het niet naleven van artikel 9 CAO, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis.

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan zijde van FNV en CNV vastgesteld op € 109,00 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting.