Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW9128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/1568
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ9056, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2002 en 2006. Eiseres is er met hetgeen zij naar voren heeft gebracht niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de kandidatenlijsten uit 2006 niettemin onder verweerder berusten. Ten aanzien van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2010, waarop de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat adresgegevens en geboortedata in onderlinge samenhang bezien betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaten zwaarder weegt dan het belang van de openbaarheid. Bij deze beoordeling dient betrokken te worden het andere door verweerder ingeroepen belang, namelijk die van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen dan wel van derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkiezingen 2013/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1568

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2012 in de zaak tussen

[Eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. H. van Drunen,

en

de burgemeester van de gemeente Albrandswaard, verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Heinrich.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2011, verzonden op 3 maart 2011, heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres om openbaarmaking van de kandidatenlijsten (model H1) ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van de jaren 2002, 2006 en 2010.

Tegen dit besluit (het bestreden besluit) heeft eiseres, na instemming van verweerder als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede door [namen personen door wie de gemachtigde is bijgestaan].

De rechtbank heeft bij beslissing van 22 juni 2011 het onderzoek heropend in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 25 november 2010 (AWB 10/1412 WOB-T1).

Partijen hebben na de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011 (zaaknummer 201012459/1/H3) desgevraagd reacties ingezonden.

Partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel H1, eerste lid, van de Kieswet, worden - voor zover van belang - op de dag van de kandidaatstelling de kandidatenlijsten bij de voorzitter van het hoofdstembureau ingeleverd.

Op grond van artikel H2 van het Kiesbesluit, wordt een kandidaat op de kandidatenlijsten vermeld met naam, voorletters, geboortedatum en woonplaats en kan tevens het adres van de kandidaat worden vermeld.

Op grond van artikel I 3, eerste lid, van de Kieswet worden onmiddellijk nadat de lijsten door het hoofdstembureau zijn onderzocht, de kandidatenlijsten door het hoofdstembureau, en indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, door de voorzitter ter secretarie van de gemeente waar het hoofdstembureau is gevestigd, voor een ieder ter inzage gelegd.

Op grond van artikel I 17, tweede lid, van de Kieswet worden de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen nadat over de geldigheid daarvan onherroepelijk is beslist, voor een ieder ter inzage gelegd ter secretarie van de gemeente. Van die terinzagelegging geschiedt tegelijk openbare kennisgeving door de voorzitter van het centraal stembureau.

Op grond van artikel J9 van de Kieswet juncto artikel J1 van het Kiesbesluit worden de kandidatenlijsten door de burgemeester ter kennis van de kiezers gebracht. Op de lijsten worden de kandidaten vermeld zoals ze op de kandidatenlijst voorkomen met weglating van het adres en de geboortedatum.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Op grond van artikel 10, derde lid, van de Wob is het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

2. Bij brief van 19 juni 2010 heeft eiseres bij de gemeente van verweerder verzocht om afschriften van de kandidatenlijsten (model H1) van alle partijen ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van 2002, 2006 en 2010, “ met daarop ook de adressen en de geboortedata van de kandidaten”.

Bij besluit van 2 september 2010, onder intrekking van een besluit van 16 augustus 2010, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard (het college) het verzoek gedeeltelijk toegewezen door verstrekking van de kandidatenlijsten van de gemeenteraadsverkiezingen van 2010, evenwel, met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, zonder adresgegevens en geboortedata van de kandidaten. De kandidatenlijsten van de verkiezingen van 2002 en 2006 waren volgens het college niet meer beschikbaar.

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het besluit van 2 september 2010 herroepen en, zich onbevoegd achtend op het verzoek te beslissen, het verzoek ter behandeling doorgezonden aan verweerder.

3. Bij het bestreden besluit zijn de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen van het jaar 2010 verstrekt, echter, met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, onder weglating van de adresgegevens en de geboortedata van de kandidaten. Verweerder heeft daartoe overwogen dat een meerderheid van de kandidaat-gemeenteraadsleden op retour ontvangen inventarisatieformu¬lieren heeft aangegeven verstrekking van adresgegevens en geboortedata na afloop van de verkiezingen bezwaarlijk te achten. Daarnaast acht verweerder het niet uitgesloten dat de adresgegevens en de geboortedata voor oneigenlijke doeleinden zullen worden gebruikt. Mogelijk misbruik van de gegevens is evenmin uitgesloten doordat de gegevens kunnen worden aangewend om persoonlijke informatie bij instanties op te vragen of registratie van de gegevens door extreme groeperingen kan plaatsvinden. Daarbij heeft verweerder gewezen op een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 februari 210, dat een verwijzing naar een schrijven van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) over de werkwijze van de Antifascistische Actie (AFA) bevat. Verder heeft verweerder in zijn overwegingen betrokken de wijziging van de Kieswet per 1 januari 2010 op grond waarvan vermelding van adresgegevens op de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen niet langer verplicht is, doch volstaan kan worden met vermelding van de woonplaats van de kandidaat.

Voor wat betreft de kandidatenlijsten van de verkiezingen van 2002 en 2006 heeft verweerder overwogen, dat uit onderzoek in het archief (de afdeling Documentaire Informatie Voorziening) en bij navraag bij de medewerkers die zijn belast met de coördinatie van de verkiezingen is gebleken dat deze kandidatenlijsten niet meer beschikbaar zijn.

4. In beroep stelt eiseres - kort en zakelijk weergegeven - dat verweerders beroep op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet opgaat voor de bijlagen bij de kandidatenlijsten, omdat de bijlagen geen persoonsgegevens bevatten en dat, nu de gegevens van de kandidaten, inleveraars en gemachtigden op grond van de Kieswet voor een ieder ter inzage hebben gelegen, deze openbaar zijn geweest, zodat geen beroep meer kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Wat betreft de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 acht eiseres het ongeloofwaardig dat deze niet meer beschikbaar zouden zijn.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. Voor zover partijen van mening verschillen over een door verweerder verschuldigde dwangsom wegens niet tijdig beslissen, hebben partijen ter zitting verklaard dat daartoe een separate bezwaarschriftprocedure wordt gevolgd. Zij verlangen van de rechtbank in deze beroepsprocedure daarom geen uitspraak over een eventueel door verweerder verschuldigde dwangsom. De rechtbank zal, gelet op deze mededeling van partijen, de eventuele verschuldigdheid van een dwangsom in deze uitspraak niet in de beoordeling betrekken.

5.2. Ten aanzien van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2002 en 2006.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2010, LJN: BN2667 -, is het, wanneer een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan diegene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van verweerders mededeling dat uit onderzoek in het archief en bij de medewerkers die met de coördinatie van de verkiezingen zijn belast, is gebleken dat de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsver¬kie¬zingen van 2002 en 2006 zich niet meer onder hem bevinden. De rechtbank acht het niet ongeloofwaardig dat, zoals verweerder stelt, de kandidatenlijsten uit 2002 en 2006 niet meer beschikbaar waren omdat in die tijd binnen de gemeente de werkwijze gold dat de kandidatenlijsten tezamen met de verkiezingsbescheiden kort na de verkiezingen vernietigd werden. Voor wat betreft de kandidatenlijsten uit 2002 geldt dat de krachtens de Archiefwet voorgeschreven (minimale) bewaartermijn van vijf jaar ten tijde hier van belang reeds was verstreken.

De omstandigheid dat verweerder mogelijk niet heeft voldaan aan de formele vereisten voor vernietiging, doordat geen processen-verbaal van vernietiging zijn opgemaakt, maakt het voorgaande niet anders. De mededeling van het college in het besluit van 16 augustus 2010 dat de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2010 niet meer beschikbaar zijn is hersteld met het besluit van 2 september 2010, terwijl uit deze achteraf onjuist gebleken mededeling niet volgt dat verweerders mededeling dat de kandidatenlijsten uit 2006 niet meer beschikbaar zijn, ongeloofwaardig moet worden geacht.

5.3. In het licht van hetgeen onder 5.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres met hetgeen zij naar voren heeft gebracht er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de kandidatenlijsten uit 2006 niettemin onder verweerder berusten.

5.4. Ten aanzien van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2010.

Voor zover eiseres betoogt dat verweerder haar ten onrechte niet de bijlagen bij model H1 (oud) van de kandidatenlijsten heeft verstrekt, slaagt dit niet. Eiseres heeft in haar brief van 19 juni 2010 verzocht om afschriften van de kandidatenlijsten (model H1) “met daarop ook de adressen en de geboortedata van de kandidaten”. Om bijlagen wordt in de brief niet verzocht, zodat niet geoordeeld kan worden dat verweerder ten onrechte verstrekking van de bijlagen achterwege heeft gelaten.

5.5. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011(zaaknummer 201012459/1/H30 vloeit uit het systeem van de Kieswet voort dat gedurende de verkiezingsperiode de Wob niet van toepassing is op de kandidatenlijsten, omdat de Kieswet uitputtend de voor de verkiezingen noodzakelijke openbaarmaking van kandidatenlijsten regelt en dat na afloop van de verkiezingsperiode de Kieswet niet in de weg staat aan toepassing van de Wob.

De rechtbank stelt vast dat de kandidatenlijsten, met vermelding van de adressen en geboortedata van de kandidaten, van 22 januari 2010 tot 4 maart 2010 ter inzage hebben gelegen. Nu het verzoek dateert van 19 juni 2010 is de Wob daarop van toepassing. Verweerder diende het verzoek daarom te toetsen aan de Wob. De vraag is of verweerder bij deze toetsing voorrang heeft mogen geven aan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder en en g, van de Wob genoemde belangen ten aanzien van de adresgegevens en geboortedata van de kandidaten.

5.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat adresgegevens en geboortedata in onderlinge samenhang betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaten zwaarder weegt dan het belang van de openbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat bij deze beoordeling dient te worden betrokken het andere door verweerder ingeroepen belang, namelijk die van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen dan wel van derden.

5.7. Met ingang van 1 januari 2010 is artikel H2 van het Kiesbesluit gewijzigd. In de toelichting op het besluit van 29 oktober 2009 (Staatsblad 2009, 453, blz. 4) is daartoe onder meer overwogen: “Het kabinet grijpt deze wijziging van het Kiesbesluit aan om het mogelijk te maken dat kandidaten op de kandidatenlijst niet met hun adres vermeld worden. Van sommige kandidaten is het immers om veiligheidsredenen onwenselijk dat hun adresgegevens gepubliceerd worden. Hiervoor zijn in het verleden ad hoc voorzieningen getroffen, doch het kabinet acht het wenselijk hiervoor een structurele voorziening te treffen.”

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder vanwege de minister van Binnenlandse Zaken, onder meer met een brief van 5 februari 2010 en een Nieuwsbrief van 11 februari 2010, waarbij mede is verwezen naar informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, is geïnformeerd over de risico’s van verstrekking van adresgegevens, ook in het kader van Wob-verzoeken, in verband met mogelijke acties vanuit politiek extremistische groeperingen. Daarbij is geadviseerd deze gegevens bij verstrekking van kandidatenlijsten in het kader van een Wob-verzoek weg te lakken. Deze risico’s heeft verweerder bij zijn besluitvorming mogen meewegen. Gelet op de aard van de gegevens, in onderling verband bezien, en gelet op de aard van de mogelijke risico’s (de veiligheid van personen) heeft verweerder tot het oordeel mogen komen dat aan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob genoemde belangen een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van de openbaarheid.

5.8. Het betoog van eiseres dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet dient mee te wegen, omdat kandidaten met vermelding van hun adresgegevens en geboortedata hebben ingestemd met openbaarmaking ervan, zoals bedoeld in artkel 10, derde lid, van de Wob, slaagt niet. Mede in het licht van de onder 5.7 genoemde wijziging van het Kiesbesluit, is de rechtbank van oordeel dat van een feitelijke en op geïnformeerde wijze betuigen van instemming van de kandidaat-gemeenteraadsleden met openbaarmaking van hun adresgegevens en geboortedata ook na de op grond van de Kieswet bepaalde periode van terinzagelegging geen sprake is geweest.

5.9. Het beroep slaagt niet en moet daarom ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. P. Putters en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.