Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW8335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/4530
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoeken om vergoeding van materiële en immateriële schade. Aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, in het bijzonder met betrekking tot onrechtmatige overheidsbesluiten Met het toekennen van de verschuldigde (wettelijke) rente heeft verweerder naar de huidige stand van de jurisprudentie voldaan aan zijn verplichting de materiële schade te vergoeden die ontstaan is door de te laat uitbetaalde bijstand. Eiser kan evenmin aanspraak maken op een vergoeding wegens een schending van artikel 6 EVRM en/of artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4530

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2012 in de zaak tussen

[naam], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. W.G. Fischer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Çevik.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van eisers verzoeken om schadevergoeding aan hem een bedrag van € 1.443,15 toegekend wegens verschuldigde rente, een bedrag van € 1.260,00 aan verschuldigde dwangsommen en de verzoeken voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 31 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 6 januari 2012 heeft verweerder op verzoek van de rechtbank een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Çakici-Reinders, kantoorgenote van mr. W.G. Fischer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Na verkregen toestemming van partijen om uitspraak te doen zonder nadere zitting heeft de rechtbank op 13 maart 2012 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 27 oktober 2006 heeft eiser een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) ingediend, welke aanvraag verweerder bij besluit van 19 februari 2007 heeft afgewezen. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft verweerder eisers bezwaar van

28 mei 2007 tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 juli 2008 heeft de rechtbank Rotterdam het hiertegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 20 september 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser neemt. Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit 19 februari 2007 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan eiser alsnog een uitkering toegekend over de periode van

16 oktober 2006 tot 17 april 2007.

2. Bij brieven van 17 maart 2011 en 4 april 2011 heeft eiser verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade en toekenning van dwangsommen.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een bedrag van € 2.703,15 (€ 1.443,15 aan rente en € 1.260,00 aan dwangsommen) toegekend en voor het overige de verzoeken afgewezen. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.

4. Eiser voert aan dat hij door het onrechtmatige handelen van verweerder lange tijd geen inkomsten heeft gehad, waardoor hij geen woonruimte heeft kunnen huren, geen eten heeft kunnen kopen en zijn ziektekostenpremie niet heeft kunnen voldoen. Eiser is van mening dat verweerder de materiële schade (€ 833,60), bestaande uit de kosten van beslag wegens het niet kunnen betalen van de ziektekostenverzekering, dient te vergoeden. Volgens eiser is voorts sprake van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en moet deze schending gecompenseerd worden door het toekennen van een bedrag van

€ 500,00. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 mei 2011, LJN: BR3175 en de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 augustus 2010, LJN: BN4040. Eiser stelt verder dat verweerder de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft geschonden aangezien de uitkering waarop hij recht had pas na vier en een half jaar is uitbetaald. Eiser meent dat hij wegens overschrijding van de redelijke termijn aanspraak heeft op een schadevergoeding van

€ 500,00.

5. Verweerder is van mening dat er geen grond is voor de toekenning van de gestelde materiële schade, nu deze schade dient geacht vergoed te zijn met de rentevergoeding in verband met de te laat betaalde bijstandsuitkering. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat artikel 6 van het EVRM niet is geschonden, omdat de maximale termijn van vier jaar die in dit geval geldt, niet is overschreden. Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 8 van het EVRM stelt verweerder zich op het standpunt dat de onderhavige situatie niet vergelijkbaar is met de situatie als beschreven in de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Haarlem, nu het in die zaak ging om een persoon met psychiatrische problemen en verslavingsproblematiek. Volgens verweerder is in de onderhavige situatie geen sprake geweest van een ernstige inbreuk op eisers privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zodat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een vergoeding wegens immateriële schade op deze grond.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in beginsel aanspraak kan maken op schadevergoeding als gevolg van het besluit van 27 oktober 2006 waarbij verweerder eisers aanvraag om een bijstandsuitkering ten onrechte heeft afgewezen.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten.

Materiële schadevergoeding

8.1 Het verzoek van eiser om materiële schadevergoeding bestaat uit kosten die zijn ontstaan door het niet tijdig uitbetalen van de bijstand over de periode 16 oktober 2006 tot en met 16 april 2007. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2011, LJN: BP2317, normeert artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.

8.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder over de te laat betaalde bijstand rente heeft vergoed en dat eiser de hoogte van de vergoede rente niet heeft betwist. Met het vergoeden van de rente heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank en naar de huidige stand van de jurisprudentie voldaan aan zijn verplichting de materiële schade die eiser heeft geleden ten gevolge van het niet tijdig uitbetalen van de bijstand te vergoeden. Dit brengt mee dat geen plaats is voor het zelfstandig vergoeden van beslagkosten die eiser heeft opgevoerd als gevolg van het niet tijdig uitbetalen van de bijstandsuitkering.

Immateriële schadevergoeding

9.1 In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is vastgelegd dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid van dit artikel is vastgelegd dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

9.2 Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN: BG8776) heeft overwogen, merkt het EHRM respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the ‘very essence’ van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen.

9.3 Eiser heeft gesteld dat hij als gevolg van het feit dat hij over de periode van

16 oktober 2006 tot 17 april 2007 ten onrechte geen bijstand heeft ontvangen geen woonruimte kon betalen en een zwervend bestaan heeft gehad. Volgens eiser is er sprake van een ernstige niet gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser aldus dat met een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht sprake is van aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Zonder de gevolgen daarvan voor eiser te miskennen, ziet de rechtbank evenwel in de niet tijdige uitbetaling van de bijstand over de periode van 16 oktober 2006 tot 17 april 2007 geen dermate ernstige inbreuk op eisers privéleven, dat gesproken zou moeten worden van een aantasting in de persoon als vorenbedoeld. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Raad van

27 september 2011, LJN: BT7159.

Redelijke termijn (artikel 6 EVRM)

10.1. Volgens de vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2009 van de Raad, LJN: BI8665) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale duur langer dan vier jaar geduurd dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep ten twee jaar mag duren. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (zie uitspraak van de Raad van 12 november 2008, LJN: BG5163). Voorts moet volgens de vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2009, LJN: BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend.

10.2 De rechtbank stelt vast dat na ontvangst van eisers bezwaar van 28 mei 2007 tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag tot aan het moment dat definitief op het geschil is beslist met het nieuwe besluit op bezwaar van 29 november 2010 de totale behandelings-duur in drie instanties niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Dat verweerder eerst op een later tijdstip tot daadwerkelijke uitbetaling is overgegaan, maakt niet dat de bestuurlijke procedure is blijven doorlopen waardoor alsnog sprake zou kunnen zijn van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

11. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en

mr. D. Haan, leden, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.