Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW8060

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
376329 / HA ZA 11-914
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot erkenning van Russisch vonnis en dienovereenkomstige veroordeling van aangesproken borg met veroordeling tot betaling van Nederlandse wettelijke rente op de voet van art. 431, 2 Rv. Maatstaf. gebrek aan toestemming ehtgenoot van aangesproken borg levert in dit geval geen strijd met openbare orde op. Geen grond om naast veroordeling overeenkomstig Russisch vonnis Nederlandse wettelijke rente toe te wijzen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 431
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/319
JOR 2012/337 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 376329 / HA ZA 11-914

Vonnis van 9 mei 2012

in de zaak van

de vennootschap naar Russisch recht

GAZPROMBANK OPEN JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

eiseres in conventie,

verweerster in het incident,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

eiser in het incident,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. B.T. Craemer.

Partijen worden hierna aangeduid als “Gazprombank” en “[gedaagde]”.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1. Voor het verloop van het geding verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 23 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast.

1.2. Die comparitie heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Van die terechtzitting is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank verwijst naar het proces-verbaal voor wat betreft de bij die gelegenheid in het geding gebrachte processtukken.

1.3. De datum voor uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De vorderingen in conventie en voorwaardelijke reconventie en het verweer

2.1.1 Gazprombank vordert – na vermindering van haar eis bij akte bij comparitie – dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zal veroordelen overeenkomstig diens veroordeling in het vonnis van de Rechtbank van het Tchérimouchki district te Moskou, Russische Federatie, van 6 december 2005 in de procedure met kenmerk 2-2905/05 (hierna: het Russische Vonnis), subsidiair tot betaling van het bedrag van RUB 87.090.552,72, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 10 april 2006, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, telkens met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten met inbegrip van nakosten.

Daartoe stelt Gazprombank – samengevat weergegeven – het volgende.

2.1.2 [gedaagde] is bij het Russische Vonnis veroordeeld tot betaling aan Gazprombank op grond van een overeenkomst van borgtocht tussen partijen van 5 december 2003 met kenmerk 163/03-B-II-1 Gazprombank heeft getracht die veroordeling elders op [gedaagde] ten uitvoer te leggen, maar heeft een bedrag van RUB 87.090.552,72 niet kunnen verhalen. [gedaagde] heeft vermogen in Nederland. Gazprombank heeft ten laste van [gedaagde] conservatoire beslagen laten leggen in Nederland.

2.1.3 Bij gebreke van een verdrag tussen Nederland en de Russische Federatie op grond waarvan het Russische Vonnis in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar kan worden verklaard, dient de Nederlandse rechter ingevolge artikel 431 lid 2 Rv [gedaagde] opnieuw te veroordelen overeenkomstig het Russische Vonnis, althans hem te veroordelen tot het onder het Russische Vonnis nog niet verhaalde bedrag van RUB 87.090.552,72.

2.1.4 Het Russische Vonnis dient om de volgende redenen door de Nederlandse rechter te worden erkend.

De akte van borgtocht bevat in clausule 5.1 een exclusief forumkeuzebeding voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district te Moskou.

Het Russische Vonnis heeft tussen partijen gezag van gewijsde. [gedaagde] is in de procedure voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district die leidde tot het Russische Vonnis verschenen bij zijn gemachtigde [X] en heeft in die procedure inhoudelijk verweer gevoerd, zoals ook is vermeld in het Russische Vonnis. [gedaagde] heeft een rechtsmiddel tegen het Russische Vonnis ingesteld bij het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou, maar dat gerecht heeft het Russische Vonnis in stand gelaten bij beslissing van 14 februari 2006 met kenmerk 33-2674. Andere rechtsmiddelen zijn niet ingesteld tegen het Russische Vonnis.

2.1.5 De echtgenote van [gedaagde], [Y], heeft bij de Rechtbank van het Dorogomilovsky district te Moskou een vordering ingesteld tot nietigverklaring van de borgtochtovereenkomst wegens gebrek aan haar toestemming daartoe. Gazprombank heeft in die procedure verweer gevoerd. [gedaagde], hoewel behoorlijk op de hoogte gesteld van die procedure, is daarin niet verschenen. Bij beslissing van 20 maart 2006 met kenmerk 2-174/06 heeft de Rechtbank van het Dorogomilovsky district te Moskou de vordering van [Y] afgewezen.

2.1.6 Over het ingevolge het Russische Vonnis verschuldigde c.q. over het bedrag van RUB 87.090.552,72 is [gedaagde] de Nederlandse wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd, omdat de erkenning van het Russische Vonnis en de veroordeling in Nederland geheel binnen de Nederlandse rechtssfeer liggen. Daaraan doet niet af de keuze voor Russisch recht in clausule 5.1 van de overeenkomst van borgtocht. In het Russische Vonnis is geen opmerking gemaakt over de verschuldigdheid van rente.

2.1.7. Gazprombank heeft alle bescheiden verband houdende met haar verminderde vordering en met door haar verkregen betalingen ter zake van de kredietovereenkomst van 5 december 2003 met kenmerk 163/03-B in het geding gebracht. [gedaagde] heeft niet gespecificeerd welke bescheiden hij nog behoeft. Daarom dient de op artikel 843a Rv gebaseerde vordering van [gedaagde] te worden afgewezen.

2.2.1 De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak, met veroordeling van Gazprombank in de proceskosten, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. [gedaagde] handhaaft zijn vordering in het incident ex artikel 843a Rv.

Daartoe voert [gedaagde] – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.2.2 Het Russische Vonnis behoort om de volgende redenen in Nederland niet erkend te worden.

(a) De Nederlandse rechter is in beginsel vrij in elk individueel geval te beoordelen of en in hoeverre aan een buitenlands vonnis waarvoor een erkennings- of tenuitvoerleggingsverdrag of -verordening niet van toepassing is gezag van gewijsde moet worden toegekend.

(b) Voor erkenning in Nederland is vereist dat het buitenlandse vonnis in het land van herkomst niet alleen kracht van gewijsde heeft, maar ook aldaar voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Het Russische Vonnis is in de Russische Federatie niet langer voor tenuitvoerlegging vatbaar. Naar Russisch recht geldt een termijn van drie jaar voor tenuitvoerlegging van een vonnis. Die termijn ging in op 10 april 2006 en was derhalve verlopen toen Gazprombank bij dagvaarding van 16 december 2010 de onderhavige procedure voor de rechtbank Rotterdam inleidde.

(c) Weliswaar bevat de borgtochtovereenkomst in clausule 5.1 een exclusief forumkeuzebeding voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district te Moskou, maar [gedaagde] is niet behoorlijk opgeroepen om te verschijnen in de procedure voor dat gerecht die leidde tot het Russische Vonnis. [gedaagde] woonde in 2005 in Frankrijk en had in ieder geval vanaf 6 juli 2005 geen verblijfadres meer in de Russische Federatie. Gazprombank had [gedaagde] daarom moeten oproepen met inachtneming van de voorschriften van het Haags Betekeningsverdrag, maar heeft dat nagelaten. [gedaagde] is niet in persoon in de procedure voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district verschenen. Door noch namens [gedaagde] is opdracht aan [X] gegeven om namens hem in die procedure te verschijnen of een rechtsmiddel tegen het Russische Vonnis in te stellen.

(d) De echtgenote van [gedaagde], [Y], heeft geen toestemming verleend tot het aangaan van de overeenkomst van borgtocht. Daarom is de borgtocht, die ten grondslag ligt aan het Russische Vonnis, in strijd met de Nederlandse openbare orde, neergelegd in artikel 1:88 BW. Derhalve komt erkenning van het Russische Vonnis ook in strijd met de Nederlandse openbare orde.

2.2.3 De vordering van Gazprombank is gedeeltelijk voldaan. Gazprombank heeft betaling ontvangen op het door haar aan ZAO Jean Lion verstrekte krediet waarvoor [gedaagde] de borgtocht heeft verstrekt, onder meer uit het faillissement van ZAO Jean Lion. Het Russische Vonnis kan slechts worden erkend voor zover de betreffende vordering van Gazprombank niet is voldaan.

2.2.4. [gedaagde] heeft zich borg gesteld voor een vordering in Amerikaanse dollars. Het Russische Vonnis behelst echter een betalingsverplichting in Russische Roebels.

2.2.5. In het Russische Vonnis is [gedaagde] niet veroordeeld tot betaling van enige rente. Er bestaat dus ook geen grond [gedaagde] in Nederland tot betaling van rente te veroordelen. In ieder geval is geen grond voor veroordeling tot betaling van Nederlandse wettelijke rente aanwezig, omdat Nederlands recht niet van toepassing is. Subsidiair, indien al tot een veroordeling van Nederlandse rente wordt geoordeeld, kan die Nederlandse wettelijke rente niet eerder verschuldigd worden dan bij het te wijzen Nederlandse vonnis waarin [gedaagde] tot betaling wordt veroordeeld.

Overigens omvat het bedrag waartoe [gedaagde] in het Russische Vonnis is veroordeeld reeds een bedrag aan rente.

2.3. Voor het geval dat de vorderingen in conventie worden afgewezen, vordert [gedaagde] in reconventie veroordeling van Gazprombank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis tot opheffing van de conservatoire beslagen die Gazprombank te zijnen laste in Nederland heeft laten leggen op straffe van een dwangsom, subsidiair opheffing van die beslagen door de rechtbank, met veroordeling van Gazprombank in de proceskosten.

Daartoe voert [gedaagde] aan dat bij gebreke van een in Nederland uitvoerbare titel de conservatoire beslagen niet executoriaal kunnen worden.

2.4. De conclusie van Gazprombank strekt tot afwijzing van de vorderingen. Gazprombank betoogt, onder verwijzing naar haar standpunt in conventie, dat het Russische Vonnis dient te worden erkend en [gedaagde] op basis daarvan dient te worden veroordeeld. Indien de rechtbank zodanige veroordeling niet mocht uitspreken, dienen de beslagen toch niet te worden opgeheven hangende beoordeling in hoger beroep. Pas wanneer de vorderingen van Gazprombank bij in kracht van gewijsde gegane beslissing zijn afgewezen komt opheffing van de beslagen aan de orde.

3. De verdere beoordeling

In het incident:

3.1. De rechtbank verwijst naar de tussenvonnissen van 19 oktober 2011, hersteld bij tussenvonnis van 2 november 2011, en van 23 november 2011.

Gazprombank heeft bij akte ter comparitie haar vorderingen in de hoofdzaak verminderd tot in feite een vordering op grond van de overeenkomst van borgtocht van 5 december 2003 met kenmerk 163/03-B-II-1, waaronder [gedaagde] zich tot borg stelde voor vorderingen onder de kredietovereenkomst van dezelfde datum met kenmerk 163/03-B.

[gedaagde] heeft na die vermindering van eis zijn op artikel 843a Rv gegronde vordering gehandhaafd, niet alleen ten aanzien van de op de genoemde borgtocht gegronde vorderingen van Gazprombank, maar ook ten aanzien van andere vorderingen van laatstgenoemde.

3.2. De grenzen van de rechtsstrijd, binnen welk kader de vordering van [gedaagde] dient te worden beoordeeld, worden getrokken in de hoofdzaak door enerzijds de verminderde vorderingen van Gazprombank en anderzijds het daartegen gevoerde verweer. Voor zover de vordering van [gedaagde] buiten die grenzen van de rechtsstrijd valt, komt deze daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Dit betreft onder meer de verlangde bescheiden met betrekking tot de borgtocht van 1 oktober 2003 met kenmerk 151/03-B-II-1 betreffende de kredietovereenkomst van dezelfde datum met kenmerk 151/03-B.

3.3. Voor zover de vordering van [gedaagde] binnen de grenzen van de rechtsstrijd valt, overweegt de rechtbank het volgende.

Gazprombank heeft, nadat [gedaagde] zijn incidentele vordering had ingesteld, diverse bescheiden betreffende haar vorderingen in de hoofdzaak en daarop door haar verkregen betalingen in het geding gebracht. [gedaagde] heeft daarna niet specifiek vermeld welke bescheiden hij verder verlangt. Mede gelet op zijn hierna onder 3.10 te bespreken proceshouding, heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat en waarom hij belang heeft bij afschriften van of inzage in verdere bescheiden, zoals bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv.

3.4. Op het vorenstaande stuit de vordering van [gedaagde] af.

De rechtbank zal [gedaagde] in de aan de zijde van Gazprombank gevallen proceskosten veroordelen. Het salaris voor de advocaat zal worden bepaald op basis van twee punten in Liquidatietarief II, derhalve op € 904,-.

In de hoofdzaak:

3.5. De primaire vordering van Gazprombank strekt tot erkenning van het Russische Vonnis en dienovereenkomstige veroordeling van [gedaagde] met veroordeling tot betaling van de Nederlandse wettelijke rente, op de voet van artikel 431 lid 2 Rv.

3.6. Tussen partijen staat vast dat de akte van borgtocht tussen hen (productie 3 zijdens Gazprombank) in clausule 5.1 een exclusief forumkeuzebeding bevat voor de Rechtbank van het Tchérimouchki, in de vertaling van productie 4 zijdens Gazprombank genoemd: Cheryomushkinski, district te Moskou, Russische Federatie.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat het Russische Vonnis – na de behandeling van het rechtsmiddel door het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou, waarbij het Russische Vonnis in stand is gelaten, zoals blijkt uit de beslissing van 14 februari 2006 met kenmerk 33-2674 – in de Russische Federatie kracht van gewijsde heeft gekregen.

3.7.1 De maatstaf voor beoordeling van een vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv heeft twee elementen.

In de eerste plaats dient aan de buitenlandse rechter op een internationaal aanvaardbare grond rechtsmacht te zijn toegekomen. In geval van een exclusief forumkeuzebeding voor de betreffende buitenlandse rechter is aan dat vereiste voldaan en dient de gebondenheid van partijen aan die buitenlandse beslissing tot uitgangspunt te worden genomen (zie HR 17 december 1993, rov. 3.3.6; LJN ZC1183, NJ 1994, 348 – [partijen]).

Ten tweede geldt het vereiste dat erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd mag zijn met de Nederlandse openbare orde. Deze voorwaarde houdt onder meer in dat sprake moet zijn geweest van een behoorlijke rechtspleging bij de buitenlandse rechter.

3.7.2 [gedaagde] gaat in punt 3.2 van zijn conclusie van antwoord – hierboven onder 2.2.2 onder (a) samengevat – kennelijk uit van de maatstaf genoemd in rov. 3.2 van het arrest HR 26 januari 1996, LJN AD2477, NJ 1997, 258 “Voorop moet worden gesteld dat de Nederlandse rechter niet ingevolge enig verdrag, noch ingevolge Nederlands internationaal privaatrecht gehouden is tot erkenning van uitspraken van de Franse rechter waarbij een vordering tot echtscheiding wordt ontzegd. Naar Nederlands internationaal privaatrecht staat het de Nederlandse rechter vrij om, wanneer een voor een buitenlandse rechter ingestelde vordering door deze is ontzegd, aan diens uitspraak, aangenomen dat zij aan de voorwaarden voor erkenning van een uitspraak van een buitenlandse rechter voldoet, het gezag toe te kennen, dat hem in het bijzondere geval geraden voorkomt.”. Echter, die maatstaf betreft slechts buitenlandse beslissingen waarin een vordering is ontzegd. In dit geval ligt met het Russische Vonnis een beslissing voor waarin de vordering is toegewezen.

3.7.3 Voor zover [gedaagde] betoogt dat voor erkenning van het Russische Vonnis in Nederland is vereist dat genoemd vonnis binnen de Russische Federatie nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is, ziet hij eraan voorbij dat zodanig vereiste niet geldt voor het antwoord op de vraag naar erkenning van een buitenlands vonnis (anders dan ten aanzien van de vraag of een buitenlands vonnis in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar is, maar die vraag ligt in dit geval niet voor). Voor zover [gedaagde] betoogt dat met een hernieuwde procedure op de voet van artikel 431 lid 2 Rv in feite het Russische Vonnis in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, ziet hij eraan voorbij dat niet het Russische Vonnis, maar het te wijzen Nederlandse vonnis kracht van uitvoerbaarheid hier te lande krijgt.

3.8. Nu vast staat dat de Rechtbank van het Tchérimouchki district te Moskou exclusief bevoegd was ingevolge het forumkeuzebeding in de akte van borgtocht, leidt het vorenstaande tot de conclusie dat de Nederlandse rechter het Russische Vonnis dient te erkennen, tenzij erkenning in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde.

3.9. [gedaagde] voert diverse omstandigheden aan op grond waarvan het Russische Vonnis niet dient te worden erkend wegens strijd met de openbare orde.

3.9.1 Ten aanzien van het betoog dat [gedaagde] niet behoorlijk is opgeroepen om te verschijnen voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district, overweegt de rechtbank het volgende.

Indien de verwerende partij in de buitenlandse procedure (zo tijdig) in het geding is verschenen (als met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist), behoeft de Nederlandse rechter bij de vraag naar erkenning van die buitenlandse beslissing niet te onderzoeken of de verweerder daartoe behoorlijk is opgeroepen.

Gesteld noch gebleken is dat naar Russisch recht vereist is dat de verweerder in persoon voor het gerecht verschijnt.

Partijen verschillen niet van mening dat [gedaagde] niet in persoon in het geding voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district is verschenen, evenmin dat [X] namens hem in die procedure is verschenen en daarin namens hem verweer heeft gevoerd. Gazprombank heeft onbetwist aangevoerd dat [X] een advocaat is. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat hij tevoren aan [X] een volmacht had verleend die, naar hij achteraf heeft vastgesteld, ruimte bood om namens hem te verschijnen in de procedure die tot het Russische Vonnis heeft geleid en om een rechtsmiddel daartegen in te stellen. Uit het verschijnen van [X] namens [gedaagde] in het geding voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district blijkt dat deze tijdig op de hoogte is gesteld van dat geding. Voorts heeft [gedaagde] ter comparitie verklaard dat hij op de hoogte was van de omstandigheid dat een rechtsmiddel tegen het Russische Vonnis aanhangig was en dat hij in dat kader aan zijn echtgenote [Y] heeft gevraagd om een brief te schrijven over de ongeldigheid van de borgtocht wegens gebrek aan haar toestemming. Onder deze omstandigheden rekent de rechtbank in de verhouding tussen [gedaagde] en Gazprombank het optreden van [X] in de procedure die tot het Russische Vonnis heeft geleid toe aan [gedaagde].

Gesteld noch gebleken is dat [X] niet de gelegenheid heeft gekregen om in het geding voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district namens [gedaagde] behoorlijk verweer te voeren. Uit het Russische Vonnis en de beslissing, op het kennelijk door [X] namens [gedaagde] ingestelde rechtsmiddel, van het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou van 14 februari 2006 met kenmerk 33-2674 (productie 5 zijdens Gazprombank) blijkt veeleer het tegendeel, nu daarin door [X] aangevoerde verweren tegen veroordeling van [gedaagde] worden behandeld.

Op vorenstaande gronden concludeert de rechtbank dat geen fundamentele beginselen zijn geschonden ten aanzien van de oproeping van [gedaagde] voor de Rechtbank van het Tchérimouchki district, dan wel ten aanzien van zijn verschijning in het geding voor die Rechtbank of de daarop gevolgde rechtsmiddelprocedure.

3.9.2 Ten aanzien van het betoog dat erkenning van het Russische Vonnis in strijd is met de openbare orde, omdat de echtgenote van [gedaagde], [Y], geen toestemming heeft verleend tot het aangaan van de overeenkomst van borgtocht die ten grondslag ligt aan het Russische Vonnis, overweegt de rechtbank het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst van borgtocht tussen hen ingevolge de rechtskeuze in clausule 5.1 van akte van borgtocht wordt beheerst door Russisch recht.

Voor zover [gedaagde] betoogt dat naar Nederlandse maatstaven een overeenkomst van borgtocht die zonder toestemming van de andere echtgenoot is gesloten nietig is wegens strijd met de openbare orde, ziet hij eraan voorbij dat uit de artikelen 1:88 en 1:89 BW in onderling verband volgt dat zodanige overeenkomst in beginsel geldig is, maar dat de andere echtgenoot een beroep op vernietiging daarvan kan doen.

Kennelijk heeft de echtgenote van [gedaagde] bij de Rechtbank van het Dorogomilovsky district te Moskou een vordering ingesteld tot nietigverklaring van de overeenkomst van borgtocht en heeft dat gerecht bij beslissing van 20 maart 2006 gegeven onder kenmerk 2-174/06 (productie G-25) die vordering afgewezen.

In zowel het Russische Vonnis als de beslissing op het rechtsmiddel van het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou van 14 februari 2006 met kenmerk 33-2674 zijn overwegingen opgenomen met betrekking tot het standpunt van de echtgenote van [gedaagde] dat de overeenkomst van borgtocht niet geldig is. Daarbij is in beide beslissingen vermeld dat de echtgenote van [gedaagde] een procedure tot nietigverklaring van de overeenkomst van borgtocht aanhangig had gemaakt en dat namens [gedaagde] is betoogd dat wegens de ongeldigheid van de borgtocht de vordering van Gazprombank diende te worden afgewezen, dan wel de uitkomst van de procedure tot nietigverklaring diende te worden afgewacht. Die standpunten zijn in die beslissingen verworpen als niet gegrond op het tussen partijen toepasselijke Russische recht.

3.9.3 Het vorenstaande voert de rechtbank tot de conclusie dat erkenning van het Russische Vonnis niet in strijd met de Nederlandse openbare orde komt.

3.10. De omstandigheid dat Gazprombank op de vordering waarvoor [gedaagde] zich borg had gesteld betalingen heeft verkregen, al dan niet door middel van verhaalsacties, vormt op zichzelf geen grond om het Russische Vonnis niet te erkennen.

Het zou onrechtmatig jegens [gedaagde] kunnen zijn indien Gazprombank het Russische Vonnis, dan wel een daarop gebaseerd Nederlands vonnis, jegens hem ten uitvoer zou leggen nadat zij volledige betaling van haar vordering met nevenvorderingen zou hebben verkregen. Dat dit laatste zich voordoet is, echter, gesteld noch gebleken.

Gazprombank heeft naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] dat zij een of meer betalingen op haar betreffende vordering had ontvangen, bij akte bij comparitie vermeld welke betalingen zij op die vordering heeft ontvangen en desbetreffende betalingsbewijzen overgelegd. [gedaagde] is op die betalingsgegevens niet inhoudelijk ingegaan, hetgeen wel op zijn weg lag nu hij zich te zijner bevrijding erop beroept dat Gazprombank betaald heeft gekregen wat haar bij het Russische Vonnis is toegewezen. De enige inhoudelijke opmerking van [gedaagde] betreft de door de curator in het faillissement van ZAO Jean Lion toegezegde uitkering van 19,03% op de vordering onder de kredietovereenkomst van 5 december 2003 met kenmerk 163/03-B. Echter, Gazprombank heeft in haar genoemde akte, onder overlegging van bewijsstukken, twee specifieke betalingen uit het faillissement van ZAO Jean Lion vermeld, waarvan het totaalbedrag min of meer overeenkomt met de door [gedaagde] genoemde toegezegde uitkering. Ook op die vermeldingen en bewijsstukken van Gazprombank is [gedaagde] niet ingegaan. Uit de door Gazprombank verschafte betalingsgegevens volgt – aldus onvoldoende betwist – dat op het bij het Russische Vonnis toegewezen bedrag van RUB 110.436,181,91 nog RUB 87.090.552,72 onbetaald is gebleven.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat om het Russische Vonnis niet te erkennen wegens inmiddels door Gazprombank verkregen betaling van hetgeen daarbij is toegewezen.

3.11. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op ontoelaatbare wijze in zijn rechten is bekort doordat in het Russische Vonnis een veroordeling in Russische roebels is uitgesproken, vormt de omstandigheid dat het Russische Vonnis een veroordeling van [gedaagde] tot betaling in Russische roebels bevat, maar [gedaagde] zich in de overeenkomst van borgtocht voor een vordering in Amerikaanse dollars tot borg had gesteld, geen grond om het Russische Vonnis niet te erkennen.

Zoals is overwogen onder 3.9.1 heeft [gedaagde] gelegenheid gehad om zich in de procedure die leidde tot het Russische Vonnis, dan wel in de daarop gevolgde rechtsmiddelprocedure te (doen) verweren. In dat kader had [gedaagde] zich ook kunnen (doen) verweren tegen een betalingsverplichting in Russische roebels.

3.12. Gazprombank vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling overeenkomstig het Russische Vonnis en tevens tot betaling van Nederlandse wettelijke rente over hetgeen waartoe hij in het Russische Vonnis is veroordeeld.

Met [gedaagde] stelt de rechtbank vast dat hij in het Russische Vonnis niet is veroordeeld tot betaling van rente over het daarbij toegewezen bedrag. Veroordeling van [gedaagde] op de voet van artikel 431 lid 2 Rv tot betaling van datgene waartoe hij bij het Russische Vonnis is veroordeeld, leidt dus niet tot veroordeling tot betaling van Nederlandse wettelijke rente.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun rechtsverhouding ingevolge de rechtskeuze in clausule 5.1 van de akte van borgtocht wordt beheerst door Russisch recht. Anders dan Gazprombank betoogt, brengt de enkele omstandigheid dat op de voet van artikel 431 lid 2 Rv het Russische Vonnis wordt erkend niet mee dat daarom (vanaf het vonnis houdende die erkenning) Nederlands recht van toepassing wordt. Evenmin brengt de omstandigheid dat Gazprombank voor haar vordering op [gedaagde] verhaal zoekt in Nederland mee dat daardoor de Nederlandse rechtssfeer (zozeer) betrokken wordt dat daarom het Nederlandse recht (naast het Russische recht) tussen partijen van toepassing wordt.

De conclusie is dat er in het kader van de beoordeling op grond van artikel 431 lid 2 Rv in dit geval geen plaats is voor aanvullende toewijzing van Nederlandse wettelijke rente.

Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van de subsidiaire vordering van Gazprombank.

3.13. De slotsom is dat de primaire vordering tot veroordeling van [gedaagde] overeenkomstig het Russische Vonnis dient te worden toegewezen, maar zonder aanvullende veroordeling tot betaling van Nederlandse wettelijke rente.

3.14. De rechtbank zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Gazprombank gevallen proceskosten veroordelen. Het griffierecht zal wegens de eisvermindering worden gebaseerd op een vordering tot betaling van in feite omstreeks RUB 87.090.552,72. Het salaris voor de advocaat zal worden gebaseerd op drie en een halve punt in het desbetreffende Liquidatietarief VIII, derhalve € 11.238,50. Voorts zullen griffierecht, beslagkosten en nakosten worden toegewezen.

3.15. Het vonnis zal – als gevorderd en niet voldoende bestreden – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.16. Uit het vorenstaande volgt dat de voorwaarde waaronder [gedaagde] zijn vordering in reconventie heeft ingesteld niet is vervuld. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de reconventie.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Gazprombank gevallen proceskosten, hierbij bepaald op nihil aan verschotten en € 904,- aan salaris voor de advocaat;

in de hoofdzaak:

veroordeelt [gedaagde] overeenkomstig het vonnis van de Rechtbank van het Tchérimouchki (in de vertaling van productie 4 zijdens Gazprombank genoemd: Cheryomushkinski) district te Moskou, Russische Federatie, van 6 december 2005 in de procedure met kenmerk 2-2905/05 tot betaling aan Gazprombank van hetgeen waartoe [gedaagde] bij dat vonnis is veroordeeld;

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Gazprombank gevallen proceskosten, tot dit vonnis bepaald op € 3.537,- aan griffierecht, € 2.036,99 aan andere verschotten en op € 11.238,50 aan salaris voor de advocaat, met veroordeling van [gedaagde] in de na deze uitspraak vallende kosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012. 1928/901