Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW6787

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
401958 / HA RK 12-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld wegens moord op echtgenote; geschil tussen man en moeder van de echtgenote over de bestemming van de as van het gecremeerde lichaam van de echtgenote; ambtshalve benoeming bijzonder curator ex artikel 1:250 BW teneinde kennis te kunnen nemen van de belangen van de minderjarige (klein)kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaak- / rekestnummer: 401958 / HA RK 12-342

Datum: 30 mei 2012

Beschikking benoeming bijzonder curator ex artikel 1:250 BW

op verzoek van

[Persoon 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam,

en

[persoon 2],

thans gedetineerd in de [locatie],

advocaat mr. M.C. Houwing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [Persoon 1] en [persoon 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak bekend onder

zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187, waaronder:

- de dagvaarding van 5 december 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- het vonnis van 4 april 2012, waarbij een comparitie is gelast;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie;

- de brief van mr. Houwing van 11 mei 2012, met bijlage;

- het proces-verbaal van de op 21 mei 2012 gehouden comparitie.

1.2. Ter comparitie zijn verschenen:

- [Persoon 1], bijgestaan door mr. Arema;

- [persoon 2], bijgestaan door mr. Houwing.

2. De feiten

2.1. [persoon 2] is gehuwd geweest met de dochter van [Persoon 1], [Persoon 3] (hierna: [persoon 3]). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten, [kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen).

2.2. Op 24 augustus 2003 is [persoon 3] levenloos aangetroffen in de [locatie] te [plaats]. Zij bleek door een misdrijf om het leven te zijn gekomen.

2.3. Het stoffelijk overschot van [persoon 3] is op 1 september 2003 in opdracht van [persoon 2] gecremeerd. De urn met de as van [persoon 3] bevindt zich thans bij het crematorium, [crematorium] gevestigd aan de [adres] te [plaats] (hierna: [crematorium]).

2.4. De rechtbank Rotterdam heeft [persoon 2] bij vonnis van 8 juni 2004 voor de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. [persoon 2] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

2.5. Bij arrest van 7 december 2004 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage [persoon 2] wegens de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. [persoon 2] heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

2.6. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 november 2006 het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam verwezen teneinde deze opnieuw af te doen.

2.7. Bij arrest van 19 januari 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam [persoon 2] voor de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

2.8. [persoon 2] heeft vervolgens beroep aangetekend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De verwachting is dat eind 2012 uitspraak zal worden gedaan.

2.9. Op verzoek van [Persoon 1] is op 21 november 2011 conservatoir beslag gelegd onder [crematorium] op de urn met de as van [persoon 3].

2.10. Bij beschikking van 21 juni 2011 van de rechtbank Rotterdam is [persoon 2] ontzet van het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft deze beslissing van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 december 2011 bekrachtigd.

2.11. Sinds de detentie van [persoon 2] verblijven de minderjarigen in het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij (het gezin van) de zus van [persoon 2], [persoon 4].

3. De beoordeling

3.1. In de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 is tussen partijen in geschil welke bestemming aan de as van het gecremeerde lichaam van [persoon 3] moet worden gegeven.

3.2. Artikel 59 Wet op de Lijkbezorging geeft als algemene regel voor de asbestemming na crematie dat de “asbus ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven”.

Daarmee is de wens van [persoon 2] ten aanzien van de asbestemming in beginsel relevant, te meer nu gesteld noch gebleken is dat [persoon 3] haar eigen wens daarover heeft kenbaar gemaakt en evenmin is gebleken van vermoedens daaromtrent. Uit ethisch oogpunt moet van dit beginsel evenwel worden afgeweken, indien onomstotelijk vast staat dat [persoon 2] [persoon 3] om het leven zou hebben gebracht. Nu [persoon 2] beroep heeft aangetekend bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens en de rechtbank geen prognose kan geven over de uitkomst van dat beroep, staat zulks thans niet onomstotelijk vast.

3.3. Echter, los van de regel van artikel 59 Wet op de Lijkbezorging heeft naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de asbestemming te gelden dat als niet vast te stellen is wat de wens van de overledene was of geweest zou zijn, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is een bestemming gekozen moet worden in overeenstemming met de wensen van de nabestaanden, rekening houdend met hun gevoelens.

3.4. De rechtbank stelt vast dat derhalve de gevoelens en belangen niet enkel van [Persoon 1] maar tevens van de niet in het geding betrokken minderjarigen in aanmerking dienen te worden genomen. Ter gelegenheid van de comparitie is gebleken dat partijen onderschrijven dat de belangen van de minderjarigen in de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 door de rechtbank moeten worden meegewogen.

Verder is op genoemde comparitie duidelijk geworden dat de belangen van de minderjarigen ondanks verzoeken om informatie daartoe aan Bureau Jeugdzorg thans niet, althans onvoldoende kenbaar zijn en dat partijen die belangen op verschillende wijze invulling wensen te geven. Mitsdien hebben partijen de rechtbank verzocht een bijzonder curator te benoemen en daarbij de voorkeur uitgesproken voor benoeming van [persoon 5] te [plaats].

3.5. De rechtbank stelt vast dat de belangen van de minderjarigen in het kader van het geschil tussen partijen omtrent de asbestemming van hun moeder, [persoon 3], zwaar wegen en dat zij daarvan kennis moet kunnen nemen alvorens zij in dat geschil een -wellicht onomkeerbare- beslissing neemt. De rechtbank acht het daarom -met partijen- in het belang van de minderjarigen noodzakelijk een bijzonder curator te benoemen om de minderjarigen ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.

3.6. De rechtbank zal als bijzonder curator benoemen [persoon 5] te [plaats], die zich bereid heeft verklaard als zodanig voor de minderjarigen op te treden. De taak van de bijzondere curator is vooreerst -waar mogelijk, via gesprekken met de minderjarigen en/of overige betrokkenen- te onderzoeken of de minderjarigen de wens hebben om (mettertijd) zelf over de as van hun moeder, [persoon 3], te beschikken en/of welke bestemming er aan die as moet worden gegeven. Voorts dient de bijzonder curator te bezien of en in hoeverre de wensen van [Persoon 1] met betrekking tot de asbestemming van haar dochter, [persoon 3], parallel zouden kunnen lopen met die van de minderjarigen.

3.7. Met betrekking tot de kosten overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1:250 BW is niet in een bijzondere regeling voor de financiering van de bijzonder curator voorzien. Wel is de wet op de rechtsbijstand van toepassing. Aan de minderjarigen wordt geen eigen bijdrage opgelegd. Om in aanmerking te komen voor toevoeging dient de bijzondere curator ingeschreven te zijn in het register van de Raad voor rechtsbijstand en dient hij vervolgens zelf een toevoeging aan te vragen.

3.8. In de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 is de comparitie aangehouden tot 1 september 2012 pro forma. Op die pro forma zittingsdatum kan mr. Van der Pols schriftelijk verslag uitbrengen. Hij dient aan de rechtbank en (de respectieve advocaten van) [Persoon 1] en [persoon 2] uiterlijk twee weken voor die datum de rapportage te verstrekken, zodat partijen zo nodig op dezelfde pro forma datum tevens schriftelijk hun reactie aan de rechtbank kenbaar kunnen maken.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. benoemt [persoon 5] te [plaats] tot bijzonder curator over:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats];

- [kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] te [geboorteplaats].

4.2. draagt de griffier op het procesdossier in de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 in afschrift aan de deskundige te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012.?