Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW6301

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
377564 / HA ZA 11-1048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht.Schadeverzekering. Ipr. Toepasselijk recht. Rechtskeuze. Tweede richtlijn schadeverzekering. Overgangsrecht. Bewijs bestaan verzekeringsovereenkomst (art. 258 K). Vormvereisten (art. 257 lid 1 K).Verzwijging (art. 251 K). Belgisch verzekeringsrecht. Belgische Controlewet op de Verzekeringsondernemingen van 9 juli 1975. Precontractuele goede trouw. Ondertekening van processtuk door Belgische advocaat, niet zijnde de (proces)advocaat. Art. 83 lid 2 Rv. Art. 85 leden 1 en 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 377564 / HA ZA 11-1048

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van België

ALL CAR RENT N.V.,

gevestigd te Merksem, Antwerpen,

2. de rechtspersoon naar het recht van België

ALL CAR LEASE N.V.,

gevestigd te Merksem, Antwerpen,

eiseressen,

advocaat mr J.G.M. de Koning te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

de rechtsopvolger van voorheen N.V. Schadeverzekering Maatschappij UAP Nederland,

(thans) gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna AC Rent, AC Lease en Reaal genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 30 mei 1996 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de (nadere) conclusie na tussenvonnis van AC Rent en AC Lease, met producties (opgenomen in de zogenoemde 'bundel der producties');

- de antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis van Reaal, met producties.

De zaak, destijds bekend onder zaak-/rolnummer 16902 / HA ZA 94-39, is laatstelijk op de rol van 13 september 2001 doorgehaald. Bij B6-formulier van 21 april 2011 heeft Reaal de zaak opgebracht tegen de rol van 8 juni 2011 "teneinde op die roldatum verval van instantie te vragen". Op de rol van 8 juni 2011 heeft de rechtbank op verzoek van AC Rent en AC Lease en met instemming van Reaal een uitstel van vier weken verleend "met behoud van aan het hervattingsverzoek verbonden aanzeggingen". Voor de rol van 6 juli 2011 hebben AC Rent en AC Lease een conclusie na tussenvonnis ingediend.

Bij B15-formulieren van 4 en 5 juli 2011, alsmede bij faxbericht van 6 juli 2011 verzoekt Reaal de rechtbank - kort weergegeven - om de ingediende conclusie te weigeren en om een vonnis houdende verval van instantie te wijzen.

Bij brief van 8 juli 2011 heeft de rechtbank partijen - voor zover van belang - het volgende bericht:

"Inmiddels werd het uit het archief opgevraagde dossier ontvangen. Dit blijkt in verband met het tijdsverloop nog slechts te bestaan uit het placet, de dagvaarding en het vonnis van 30 mei 1996.

Uit voornoemd vonnis blijkt dat eiseressen zich op de rol dienden uit te laten als vermeld in dat vonnis onder 3.1, 3.3.4 en 3.4.2.

Bij de op de rol van 6 juli 2011 genomen conclusie hebben eiseressen dat gedaan, althans beoogd te doen. Gelet op het bepaalde in artikel 251 lid 4 aanhef en onder a Rv bestaat er geen grond voor toewijzing van een vordering tot verval van instantie.

Voornoemde conclusie is tevens te beschouwen als een nadere conclusie. Gelet op het tijdsverloop sedert de laatste proceshandeling bestond daar naar het oordeel van de rolrechter ook aanleiding toe. Die nadere conclusie wordt toegestaan. De zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 3 augustus 2011 voor een antwoord nadere conclusie aan de zijde van gedaagde."

Bij voormelde brief heeft de rechtbank AC Rent en AC Lease voorts verzocht om het procesdossier, behoudens de dagvaarding, het vonnis van 30 mei 1996 en de conclusie en antwoordconclusie na tussenvonnis, aan de rechtbank te doen toekomen.

Aan dit verzoek is door AC Rent en AC Lease voldaan en de rechtbank beschikt inmiddels dan ook weer over een compleet procesdossier dat bestaat uit:

- de dagvaarding van 22 december 1993;

- de conclusie van eis van 19 januari 1994, met producties;

- de conclusie van antwoord van 22 april 1994, met producties;

- de conclusie van repliek van 3 maart 1995, met producties;

- de conclusie van dupliek van 28 september 1995, met producties;

- de akte houdende overlegging producties van 24 januari 2006 van Reaal;

- de bij gelegenheid van het pleidooi op 24 januari 1996 overgelegde pleitaantekeningen;

- het vonnis van 30 mei 1996;

- de (nadere) conclusie na tussenvonnis van 4 juli 2011 van AC Rent en AC Lease, met producties (opgenomen in de zogenoemde 'bundel der producties');

- de antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis van 3 augustus 2011 van Reaal, met producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Het geschil

De (vermeerderde) vordering van AC Rent en AC Lease, zoals gesteld in de inleidende dagvaarding van 22 december 1993, strekt ertoe -samengevat en zakelijk weergegeven- Reaal te veroordelen om te betalen de som van 11.651.757 BEF

(€ 288.839,51), vermeerderd met rente en kosten.

Bij (nadere) conclusie na tussenvonnis stellen AC Rent en AC Lease dat hun totale vordering -na eisvermindering- thans bedraagt 7.841.673 BEF (€ 194.390,00) in hoofdsom, opgesplitst over AC Rent en AC Lease in respectievelijk 3.269.233 BEF (€ 81.042,17) en 4.572.440 BEF (€ 113.347,83), vermeerderd met rente en kosten.

De door AC Rent en AC Lease gepretendeerde vordering is gegrond op -kort gezegd- twee verzekeringsovereenkomsten ter dekking van het risico van schade ingaande 1 juli 1991 en eindigend 30 september 1992. De eerste polis, met contractnummer 1100, op naam van AC Lease, had betrekking op auto's die gedurende lange termijn werden verhuurd (verder: lange-termijn-polis). De tweede polis, met contractnummer 1200, op naam van AC Rent, had betrekking op auto's die gedurende korte termijn werden verhuurd (verder: korte-termijn-polis).

AC Rent en AC Lease hebben zich bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten en de verdere behandeling daarvan doen bijstaan door de verzekeringsmakelaar Belgibo te Antwerpen. Reaal heeft het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten doen geschieden door middel van het Zeeuws Assurantie Bedrijf (ZAB) te Vlissingen, aan wie Reaal een volmacht had verleend. Alle feitelijke onderhandelingen voorafgaand aan het tot stand komen van beide polissen zijn gevoerd door (vertegenwoordigers van) Belgibo en ZAB.

Ten verwere tegen de vordering heeft Reaal aangevoerd -kort gezegd- dat er tussen partijen geen rechtsgeldige verzekeringsovereenkomsten zijn tot stand gekomen (ZAB is de grenzen van de haar gegeven volmacht te buiten gegaan en de polisdocumenten zijn niet ondertekend/geparafeerd door [personen die in dienst zijn of zijn geweest van] Reaal), dat haar een beroep toekomt op verzwijging als bedoeld in artikel 251 K (AC Rent en AC Lease hebben hun [zeer slechte] schadeverleden bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomsten niet althans onvoldoende medegedeeld), dat de overeenkomsten nietig zijn vanwege strijd met het bepaalde in de Belgische Controlewet op de Verzekeringsondernemingen van 9 juli 1975 (de verzekeringsovereenkomsten zijn gesloten met een niet toegelaten en niet van toelating vrijgestelde onderneming) en dat op haar een beperkte dekkingsplicht rust op grond van de precontractuele goede trouw (Belgibo en AC Rent en AC Lease hebben zich bij hun handelen in het geheel niet laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van Reaal, terwijl zij wisten dan wel hadden moeten begrijpen dat die belangen ernstig werden geschaad door Reaal niet op de hoogte te brengen van het slechte risico, door niet na te gaan of ZAB wel voldoende volmacht had en door overname van de actieve administratie van ZAB).

De verdere beoordeling

Ondertekening (nadere) conclusie na tussenvonnis

Reaal heeft bij de antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis onder verwijzing naar artikel 83 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2010, LJN: BM5958, NJ 2010, 485, aangevoerd dat de (nadere) conclusie na tussenvonnis van AC Rent en AC Lease buiten beschouwing dient te blijven nu deze niet is ondertekend door een Nederlandse (proces)advocaat, maar door de Belgische behandelend advocaat mr. M. van Passel te Antwerpen.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 83 lid 2 Rv bepaalt dat conclusies en akten in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen (zoals het onderhavige geding) door een advocaat worden ondertekend. Het vereiste van artikel 83 lid 2 Rv (ontleend aan artikel 133 lid 3 [oud] Rv) vormt een uitvloeisel van het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. De ratio van dit artikel is dat daarmee de garantie wordt geschapen voor de noodzakelijke nauwgezetheid waarmee de advocaat (voorheen de procureur) heeft te waken voor de belangen van zijn cliënt. Nu de (nadere) conclusie na tussenvonnis van AC Rent en AC Lease is opgesteld door de Belgische behandelend advocaat, is aanleiding aan te nemen dat materieel sprake is van procesvertegenwoordiging en is gehandeld in overeenstemming met voormelde ratio. Wel zal de Nederlandse (proces)advocaat van AC Rent en AC Lease alsnog bedoelde conclusie dienen te ondertekenen. Nu voorts de (nadere) conclusie na tussenvonnis van AC Rent en AC Lease is aanvaard door de rolrechter van de rechtbank (zie onder 1.3) en Reaal op de inhoud daarvan heeft gereageerd bij antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis, kan niet gezegd worden dat Reaal door het ontbreken van de ondertekening door een Nederlandse (proces)advocaat in haar verdediging is geschaad, terwijl ook overigens niet is gebleken van strijd met een goede procesorde. Het bovenstaande in aanmerking nemende, zal de rechtbank in dit geval aan voormeld verzuim geen sanctie (akte niet dienen) verbinden en zal het de (nadere) conclusie na tussenvonnis van AC Rent en AC Lease in aanmerking nemen, tenzij de Nederlandse (proces)advocaat van AC Rent en AC Lease bedoelde conclusie niet ondertekent.

Overlegging van stukken

Reaal heeft bij de antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis onder verwijzing naar artikel 85 lid 1 Rv en vergezeld van een verzoek om toepassing van een sanctie in de zin van artikel 85 lid 4 Rv aangevoerd dat AC Rent en AC Lease in hun (nadere) conclusie na tussenvonnis meermalen naar producties verwijzen die niet zijn overgelegd, noch aan de rechtbank noch aan Reaal.

De rechtbank overweegt als volgt. De wet bepaalt dat een partij, die zich bij dagvaarding, conclusie of akte op enig stuk beroept, verplicht is een afschrift van dat stuk als productie over te leggen (artikel 85 lid 1 Rv). In het rechtbankdossier bevinden zich de stukken in kwestie (zie onder 1.4.; de zogenoemde 'bundel der producties'), doch kennelijk heeft Reaal daarvan geen afschrift ontvangen (en daarop dus niet kunnen reageren). AC Rent en AC Lease zullen deze stukken dus alsnog aan Reaal dienen over te leggen, en wel 6 weken voor de hierna te gelasten comparitie van partijen.

Inhoudelijk

Naar de kern genomen, staat in deze procedure de vraag centraal of AC Rent en AC Lease op grond van twee beweerdelijk met Reaal gesloten verzekeringsovereenkomsten, die volgens AC Rent en AC Lease - zo begrijpt de rechtbank - golden van 1 juli 1991 tot en met 30 september 1992, betaling van Reaal kan vorderen ten bedrage van 7.841.673 BEF

(€ 194.390,00) in hoofdsom.

Bij het vonnis van 30 mei 1996 is de zaak verwezen naar de rol zodat partijen zich kunnen uitlaten als vermeld onder 3.1, 3.3.4, en 3.4.2. De rolverwijzing betreft -samengevat en zakelijk weergegeven- de volgende punten:

1. de vraag of een keuze voor toepasselijkheid van Nederlands recht in casu mogelijk was (3.1);

2. het bewijs/de bewijsmogelijkheden van het bestaan van de vermeende verzekeringsovereenkomst(en) (3.3.4);

3. de bewijsmogelijkheden (naar Belgisch recht) met betrekking tot de goede trouw bij het sluiten van overeenkomsten en de toerekening aan AC Rent en AC Lease van de eventuele bekendheid van Belgibo met het ontbreken van de benodigde toelating dan wel vrijstelling (3.4.2).

Toepasselijk recht

De rechtbank verwijst naar wat zij heeft overwogen in het vonnis van 30 mei 1996 onder 3.1. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank die overweging hierna -voor zover van belang- weergeven:

3.1 Uit de overgelegde polissen blijkt dat partijen hebben gekozen voor de toepassing van Nederlands recht. Gedaagde heeft die door eiseressen gestelde rechtskeuze kennelijk ook niet wensen te betwisten. Ambtshalve moet echter worden nagegaan of partijen gelet op de op dit punt geldende bepalingen die keuzevrijheid hebben.

De sedert 1 juni 1991 van toepassing zijnde wet van 18 april 1991 ter uitvoering van enkele conflictenrechtelijke bepalingen van de richtlijn 88/357/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988, PbEG L 172 en coördinatie van de conflictenrechtelijke bepalingen van het op 19 juni 1980 te Rome tot stand gekomen verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, nr 156, met die van de richtlijn, heeft de in de artikelen 7 en 8 van bedoelde richtlijn (verder: de tweede richtlijn Schadeverzekering) neergelegde conflictenregeling overgenomen.

Gelet op het bepaalde in genoemd artikel 7 lid 1 onder a van de tweede richtlijn Schadeverzekering is op de overeenkomsten in beginsel Belgisch recht van toepassing, nu eiseressen hun gewone verblijfplaats hebben in België en het risico in dat land is gelegen.

Partijen hebben op grond van het aldaar voorts bepaalde de vrijheid het recht van een ander land te kiezen indien zulks volgens het recht van België mogelijk is. Bij gebreke van een dergelijke mogelijkheid hebben partijen slechts de volledige keuzevrijheid met betrekking tot het toepasselijke recht, indien de verzekerde risico's risico's waren als bedoeld in artikel 5 onder d, i van de zogenaamde eerste richtlijn Schadeverzekering.

De zaak zal naar de rol worden verwezen om partijen - die zich kennelijk geen rekenschap hebben gegeven van dit probleem - de gelegenheid te geven zich uit te laten over de vraag of een keuze voor toepasselijkheid van Nederlands recht in casu mogelijk was. Partijen dienen zich in voorkomend geval tevens uit te laten over de inhoud van het Belgisch recht met betrekking tot de in dit geding aan de orde zijnde geschilpunten.

Mede gelet op de laatst gewisselde stukken zal worden uitgegaan van de geldigheid van de rechtskeuze van partijen en zal het geschil worden beoordeeld aan de hand van Nederlands recht, op de hierna weer te geven gronden. Bij het volgende gaat de rechtbank er, met het oog op de beantwoording van deze vraag, veronderstellenderwijs van uit dat er verzekeringsovereenkomsten conform de door AC Rent en AC Lease overgelegde kopieën van op naam van Reaal gestelde polissen bestaan.

Een ander uitgangspunt (dat geen verzekeringsovereenkomsten bestaan) brengt immers mee, dat geen redenen bestaan om te betwijfelen dat de rechtskeuze van partijen geldig is en maakt overigens elke nadere bespreking van de kwestie zinledig. Anders dan AC Rent en AC Lease menen acht de rechtbank artikel 7 lid 1 sub c tweede richtlijn Schadeverzekering van toepassing, nu het verzekerd gebied Europa omvat, zoals uit de door AC Rent en AC Lease zelf overgelegde kopieën van op naam van Reaal gestelde polissen (artikel 2) redelijkerwijs volgt. De enkele vestigingsplaats van AC Rent en AC Lease is dus niet beslissend. Hetzelfde volgt uit artikel 28ter paragraaf 3 van de Belgische wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (verder: de Controlewet).

Nu de verzekeringsovereenkomsten zijn gesloten vóór 1 januari 2006 is het tot die datum geldende verzekeringsrecht van toepassing.

Nu alle rechtens relevante feiten zich hebben voorgedaan voor 1 januari 1992 is het tot die datum geldende burgerlijk recht van toepassing, zij het dat een geslaagd beroep op artikel 251 K gelet op het bepaalde in artikel 81 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zal leiden tot vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomsten omdat Reaal voor genoemde datum geen beroep op de gestelde nietigheid heeft gedaan.

Het bewijs van het bestaan van de verzekeringsovereenkomsten

De verzekeringsovereenkomst komt in beginsel tot stand zodra tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Zij is daarmee vormloos in de totstandkoming (artikel 257 lid 1 K). Partijen zijn wel verplicht de verzekering schriftelijk bij akte - genaamd polis - vast te leggen (artikel 255 K). Een polis is een onderhandse akte, welke ten aanzien van de ondertekenaar (behoudens tegenbewijs) dwingend bewijs oplevert van de (materiële) waarheid van het daarin opgenomene.

AC Rent en AC Lease kunnen tegenover Reaal het bestaan en de inhoud van de verzekeringsovereenkomsten slechts door geschrift bewijzen (artikel 258 K). Overigens, artikel 258 K beperkt Reaal niet in haar mogelijkheden bewijs te leveren tegenover AC Rent en AC Lease tegen het bestaan en de inhoud van de verzekeringsovereenkomsten. Reaal kan het (niet-)bestaan bewijzen door alle middelen rechtens.

Ten bewijze van het bestaan van de vermeende verzekeringsovereenkomsten hebben AC Rent en AC Lease kopieën van op naam van Reaal gestelde polissen in het geding gebracht. Bij vonnis van 30 mei 2006 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze kopieën geen bewijs vormen, ook niet voorshands, van de gestelde en betwiste verzekeringsovereenkomsten en AC Rent en AC Lease opgedragen bewijs te leveren van het bestaan en de inhoud van de verzekeringsovereenkomsten. Daarbij dienen AC Rent en AC Lease tevens te bewijzen dat de (originele) polissen zijn ondertekend in de vorm waarin zij zijn overgelegd en door wie die polissen zijn ondertekend. Het vonnis van 30 mei 1996 vermeldt daarover:

3.3.1 Indien een daartoe bevoegde functionaris van gedaagde één of meer van de ten processe bedoelde polissen heeft ondertekend en afgegeven, heeft gedaagde daarmee aan eiseres(sen) zelf het wettelijk vereiste bewijs van het sluiten van de in die polis(sen) weergegeven verzekeringsovereenkomst(en) verschaft. Met betrekking tot die overeenkomst(en) behoeft de vraag of ZAB bij de totstandkoming daarvan al dan hiet bevoegd was gedaagde te vertegenwoordigen, dan geen bespreking meer.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagde van de ondertekening van twee van die polissen door haar rust op eiseressen de bewijslast dienaangaande. Eiseressen zullen daarbij tevens hebben te bewijzen dat de polissen zijn ondertekend in de vorm waarin ze zijn overgelegd. Gedaagde heeft immers uiteindelijk ook betwist dat de polissen waarvan uitsluitend copieën zijn overgelegd, in origineel bestaan.

3.3.2 Nu niet is gesteld of gebleken dat het voor de omvang van de onderhavige vordering van belang is of de voorwaarden C-100/B1 en C-100/B2 dan wel de voorwaarden D-100/B1 en D-100/B2 van toepassing zijn, behoeft de vraag of ZAB bevoegd was laatstgenoemde overeenkomsten te sluiten geen bespreking, als komt vast te staan dat de polissen waarop eerstgenoemde voorwaarden van toepassing zijn door gedaagde zelf zijn ondertekend.

3.3.3 Voor het geval eiseressen hun stelling dat de eerstgenoemde polissen door gedaagde zijn getekend niet wensen te handhaven dan wel er niet in slagen het bewijs van deze ondertekening te leveren, wordt overwogen dat eiseressen in ieder geval zullen hebben te bewijzen dat de twee eerstgenoemde en/of de twee laatstgenoemde ten processe bedoelde polissen zijn ondertekend in de vorm waarin ze zijn overgelegd en door wie. Nadat is komen vast te staan door wie welke documenten zijn ondertekend zal -zo nodig- op de vraag van de bevoegdheid van ZAB worden teruggekomen.

3.3.4 Eiseressen zullen zich ter rolle uit kunnen laten over het bewijs dat zij wensen te leveren.

Kennelijk zijn AC Rent en AC Lease van oordeel dat de originele polissen bestaan en

- wellicht - bij Belgibo of Reaal verblijven. Mede in aanmerking genomen de betwisting van AC Rent en AC Lease acht de rechtbank nadere toelichting op dit standpunt nodig. AC Rent en AC Lease zullen die bij gelegenheid van een comparitie van partijen kunnen geven. Hetzelfde geldt voor de blijkbaar bij AC Rent en AC Lease bestaande gedachte dat deze polissen door een werknemer van (de rechtsvoorganger van) Reaal zijn getekend.

Belgibo

Uit de (nadere) conclusie na tussenvonnis begrijpt de rechtbank dat AC Rent en AC Lease en Belgibo gedurende enige tijd tezamen zijn opgetreden en zelfs dat Belgibo in naam van AC Rent en AC Lease tenminste één (wellicht (ook) deze) procedure tegen verzekeraars heeft gevoerd.

Een makelaar wordt ingeschakeld door een (potentiële) verzekerde en heeft als zodanig de belangen van de (potentiële) verzekerde te behartigen. Is een makelaar hierin tekortgeschoten, dan is de makelaar daarvoor aansprakelijk jegens de (potentiële) verzekerde. Voorts worden fouten van de makelaar (als niet-ondergeschikte althans vertegenwoordiger van de [potentiële] verzekerde) toegerekend aan de (potentiële) verzekerde althans vallen deze fouten in de risicosfeer van de (potentiële) verzekerde. Een (potentiële) verzekerde kan in beginsel niet de fouten van de makelaar verwijten aan bijvoorbeeld de verzekeraar.

De rechtbank begrijpt dat AC Rent en AC Lease dat in beginsel ook inzien. Dat neemt niet weg dat AC Rent en AC Lease hebben gevorderd Belgibo te bevelen de originele polissen te overleggen. Dit stuit, voor zover het gaat om Belgibo, reeds af op de omstandigheid dat Belgibo geen partij in de procedure is. Het Nederlandse procesrecht kent immers niet de mogelijkheid een derde een bevel te geven, zelfs niet als deze derde op een eerder moment in naam van eiser de procedure voerde. AC Rent en AC Lease zullen ter comparitie van partijen nader hebben toe te lichten hoe zij dit zien.

Voorts is van belang of sprake is van subrogatie door Belgibo. Om ontvangen te kunnen worden in hun vordering zullen AC Rent en AC Lease immers belang bij de vordering moeten hebben. Als zij dat niet (meer) hebben omdat de vordering als gevolg van betaling (of op andere, tot dusverre niet toegelichte gronden) is overgegaan op Belgibo, zal de vordering reeds op die grond moeten worden afgewezen. Ook dit punt zal ter comparitie van partijen met partijen worden besproken.

Tenslotte verdient nog apart opmerking het verrekeningsverweer van Reaal. Indien inderdaad sprake is van polissen waarop AC Rent en AC Lease zich kunnen beroepen (daargelaten of op grond daarvan daadwerkelijk uitkeringen wegens gedekte evenementen gedaan moeten worden) lijkt daarmee gegeven dat ook AC Rent en AC Lease hun verplichtingen onder die polissen - waaronder premiebetalingen - na zullen/hadden moeten komen. AC Rent en AC Lease dienen daarop ter comparitie van partijen nader in te gaan.

Comparitie

Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, op het tijdsverloop in deze zaak en de wederzijdse standpunten van partijen, komt het de rechtbank zoals reeds overwogen geraden voor een comparitie van partijen te gelasten. Daarbij kan ook worden besproken of partijen (met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is beslist) alsnog een schikking kunnen aangaan. Nu de door AC Rent en AC Lease alsnog aan Reaal over te leggen producties bij (nadere) conclusie na tussenvonnis betrekkelijk omvangrijk zijn, acht de rechtbank het wenselijk dat Reaal, uiteraard voor zover zij daaraan behoefte heeft, eerst nader reageert op deze stukken. Om verdere vertraging te voorkomen zal zij dit kunnen doen bij akte, tenminste 4 weken voor de hierna te gelasten comparitie van partijen aan AC Rent en AC Lease en de rechtbank toe te zenden.

Op de comparitie zullen, zoals hiervoor reeds vermeld is, in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:

a) de positie van Belgibo in relatie tot deze procedure en in verband daarmee de onder III.1 van de (nadere) conclusie na tussenvonnis genoemde subrogatie en de onder III.3.1, III.3.3 en VII.1.1 geschetste situatie;

b) de vraag of de originele polissen bestaan en getekend zijn door (een rechtsvoorganger van) Reaal en, zo AC Rent en AC Lease menen van wel, waarom zij dit menen, waar deze polissen dan thans zouden zijn en waarom zij dat menen;

c) de verrekeningsverweren in het slot van de antwoord (nadere) conclusie na tussenvonnis.

Zo nodig kunnen ook andere kwesties - zoals het beroep op artikel 251 K en/of de volmachtoverschrijding van ZAB en de vraag of Reaal daarop jegens AC Rent en AC Lease een beroep toekomt - aan de orde komen. Bij wijze van uitzondering zullen partijen ter comparitie van partijen hun standpunten kort (20 minuten in eerste termijn) mogen bepleiten aan de hand van een pleitnota.

Overig

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten in de rechtbank te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd.

bepaalt dat AC Rent, AC Lease en Reaal dan moeten zijn vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is hen te vertegenwoordigen.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 juni 2012 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september, oktober, november en december 2012, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank datum en tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen.

bepaalt dat na de vaststelling van datum en tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd.

wijst partijen erop dat voor de zitting 3 uur zal worden uitgetrokken.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

801/106