Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW6138

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
398011 - KG ZA 12-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijkheid, uitwerking artikel 6:7 lid 1 en lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 398011 / KG ZA 12-220

Vonnis in kort geding van 17 april 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R. Zwiers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IeBe LEASE B.V.,

gevestigd te Duivendrecht,

gedaagde,

bijgestaan door T.C. Brandenburg (met volmacht).

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "IeBe Lease".

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- faxbrief d.d. 2 april 2012 met aanvullende productie van mr. Zwiers;

- de pleitnota van mr. Zwiers;

- faxbrief d.d. 26 maart 2012 met producties van Brandenburg;

- de mondelinge behandeling d.d. 3 april 2012.

De feiten

[eiseres] is tot 1999 in gemeenschap van goederen getrouwd geweest met de heer [X] (hierna: "[X]").

[X] en [eiseres] hebben op 5 maart 1993 een kredietovereenkomst met Albank B.V. gesloten, waarbij [X] en [eiseres] zich hebben verplicht een bedrag van

fl. 9.163,44 in 24 maandelijkse termijnen af te lossen.

In een procedure tussen Albank B.V. als eiseres en [X] en [eiseres] als gedaagden heeft de rechtbank Rotterdam op 10 juli 1997 vonnis gewezen. [X] en [eiseres] zijn bij verstek hoofdelijk veroordeeld om aan Albank B.V. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een geldsom ad fl. 8.162,35 (€ 3.703,91), vermeerderd met contractuele rente en kosten.

Het vonnis van 10 juli 1997 is bij exploot van 6 augustus 1997 aan het adres van [X] en [eiseres] betekend door achterlating van een afschrift in een gesloten envelop.

Een brief d.d. 24 november 2005 van Solvence B.V. aan [X] luidt, voor zover van belang:

"(...)

Met betrekking tot uw kredietovereenkomst met IeBe Lease B.V. stellen wij u hierbij op de hoogte van de beëindiging van onze bemiddeling.

Door betaling van in totaal een bedrag ad € 1600,00 heeft u uw betalingsverplichting conform afspraak tegen finale kwijting voldaan.

(...)"

Een brief d.d. 24 november 2005 van Solvence B.V. aan Antera Incasso B.V. luidt, voor zover van belang:

"(...)

In bovengenoemde zaak delen wij u mede dat debiteur op 22 november jl. de vordering tegen finale kwijting heeft voldaan.

(...)"

Een brief d.d. 22 februari 2012 van mr. J.S. Pols (hierna: "Pols") aan mr. Zwiers luidt, voor zover van belang:

"(...)

In 2005 heb ik met Solvence B.V. onderhandelingen gevoerd over de betreffende vordering van IeBe Lease. In deze zaak lag een verstekvonnis van 10 juli 1997 voor. Dit vonnis was bij cliënt niet bekend. In een brief van 6 juni 2005 - een afschrift daarvan heb ik u heden toegezonden- heb ik een eerste voorstel gedaan tot betaling van € 500,- tegen finale kwijting. Solvence heeft naar aanleiding daarvan nadere informatie gevraagd over de vermogenssituatie van [X].

Mij staat nog bij dat partijen uiteindelijk op een hoger bedrag uitgekomen zijn, ik meen € 1.500,-. Dit bedrag is voldaan door de heer [Y], de toenmalige werkgever van [X]. Er is toen over en weer finale kwijting verleend. Gezien het tijdsverloop, heb ik deze stukken helaas niet meer in mijn bezit.

Het verbaast mij dat een opvolgende partij thans met ditzelfde vonnis wederom tot executie overgaat. Het was partijen destijds duidelijk dat de kwijting betrekking had op de gehele vordering, niet op een deel dan wel uitsluitend tegenover [X].

(...)"

Het geschil

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, IeBe Lease te verbieden de executie van het vonnis van 10 juli 1997 voort te zetten (de executie daarvan te staken en gestaakt te houden), met bepaling van een dwangsom van € 500,00 per dag (daaronder een dagdeel begrepen) dat aan dit vonnis geen gevolg wordt gegeven, zulks tot een maximum van € 10.000,00 van in totaal te verbeuren dwangsommen, met veroordeling van IeBe Lease in de kosten van de procedure.

IeBe Lease voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Gebleken is dat het gelegde executoriale beslag ter hoogte van

€ 77,00 per maand wordt ingehouden op de zorgtoeslag van [eiseres]. Voldoende aannemelijk is dat deze maandelijkse inhouding zwaar drukt op het bescheiden inkomen van [eiseres] als gevolg waarvan [eiseres] moeilijk in haar levensonderhoud kan voorzien. Voldoende gebleken is dan ook dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

Dat [eiseres] niet eerder rechtsmaatregelen heeft getroffen, rechtvaardigt niet het oordeel van IeBe Lease dat [eiseres] daarom thans geen spoedeisend belang (meer) zou hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verweer van IeBe Lease met betrekking tot het ontbreken van spoedeisend belang slaagt daarom niet.

Gebleken is dat [eiseres] zelfstandig contractant is bij de op 5 maart 1993 met Albank B.V. gesloten kredietovereenkomst. Daarnaast is gebleken dat [eiseres] uit hoofde van die kredietovereenkomst bij verstekvonnis van 10 juli 1997 - met [X] - hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een geldsom.

Artikel 6:7 lid 1 Wetboek van Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, de schuldeiser tegenover ieder van hen recht heeft op nakoming van het geheel. Artikel 6:7 lid 2 bepaalt dat nakoming door een der schuldenaren ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser bevrijdt.

Hoofdregel is dat indien een hoofdelijk schuldenaar zijn verplichtingen geheel nakomt, ook de andere hoofdelijk schuldenaren jegens de schuldeiser zijn bevrijd. Indien de hoofdelijk schuldenaar niet de gehele schuld, maar slechts een deel daarvan betaalt, blijft voor het restant de hoofdelijke verbintenis bestaan. Dit betekent dat indien een hoofdelijk schuldenaar met de schuldeiser een regeling treft waarbij wordt afgesproken dat de hoofdelijk schuldenaar slechts een gedeelte van de schuld zal voldoen, de schuldeiser de overige hoofdelijk schuldenaren - die geen partij zijn bij de getroffen regeling en dus geen rechten aan die regeling kunnen ontlenen - in beginsel kan aanspreken tot vergoeding van de resterende schuld. Dit zal evenwel anders kunnen zijn indien de schuldeiser en de hoofdelijk schuldenaar met hun regeling hebben beoogd de gehele verbintenis terug te brengen tot het overeengekomen bedrag. In dat geval geldt betaling van het overeengekomen bedrag als nakoming van de oorspronkelijke verbintenis. Voor de overige hoofdelijk schuldenaren geldt dan dat ook zij ter zake van hun verbintenis tegenover de schuldeiser zijn bevrijd.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de tussen IeBe Lease en [X] getroffen regeling de gehele vordering van (de rechtsvoorgangster van) IeBe Lease betrof en niet alleen het vorderingsrecht van Iebe Lease op [X]. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [eiseres] zo dat IeBe Lease en [X] volgens [eiseres] de bedoeling hebben gehad om met het treffen van de betalingsregeling de gehele vordering van Iebe Lease uit hoofde van de kredietovereenkomst tegen finale kwijting te regelen. Gelet op het hiervoor onder 4.4. overwogene zou dit betekenen dat door betaling van het overeengekomen bedrag door [X] ook [eiseres] jegens IeBie Lease zou zijn bevrijd.

Iebe Lease betwist dat zulks het geval is. Zij legt daaraan ten grondslag dat de tussen Iebe Lease en [X] gemaakte afspraken geen gevolgen hebben (gehad) voor [eiseres] en dat de door [X] verrichte betaling dan ook uitsluitend in mindering strekt op hetgeen [eiseres] jegens IeBe Lease uit hoofde van de kredietovereenkomst verschuldigd is.

Niet ter discussie staat dat IeBe Lease na betaling van het overeengekomen bedrag tegen finale kwijting in ieder geval ten opzichte van [X] afstand heeft gedaan van het meerdere. Thans doet zich de vraag voor of deze afstand mede strekt tot bevrijding van [eiseres]. Voor de beantwoording van die vraag is duidelijkheid over en/of een uitleg van de tussen [eiseres] en IeBe Lease gemaakte afspraken noodzakelijk. Niet gebleken is dat partijen hun afspraken schriftelijk hebben vastgelegd. De vraag wat partijen zijn overeengekomen, moet daarom worden beantwoord aan de hand van de gerechtvaardigde bedoelingen en verwachtingen van partijen. Uit de brief van Pols aan mr. Ziers (hiervoor gedeeltelijk geciteerd onder 2.7.) blijkt dat naar het oordeel van Pols voor partijen destijds duidelijk was dat de kwijting betrekking had op de gehele vordering en niet op een deel daarvan. Deze opvatting vindt steun in hetgeen [X] ter zitting over de bedoeling van partijen heeft verklaard. Volgens [X] betrof de regeling met Solvence B.V. (de incassogemachtigde van IeBe Lease) de gehele schuld van zowel [X] en [eiseres] en is voor die schuld algehele kwijtschelding verleend. IeBe Lease heeft in het licht van de verklaringen van Pols en [X] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen een andere bedoeling hebben gehad.

Gelet op het voorgaande zijn er voorshands voldoende aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat [X] en IeBe Lease destijds de bedoeling hebben gehad om met het treffen van de betalingsregeling de gehele vordering van Iebe Lease uit hoofde van de kredietovereenkomst tegen finale kwijting te regelen. Dit zou betekenen dat IeBe Lease thans niets meer uit hoofde van de kredietovereenkomst van [eiseres] te vorderen heeft. In dat geval mist het executoriaal beslag een deugdelijke rechtsgrond.

Daar komt bij dat uit de specificatie van de vordering, als opgenomen in de brief d.d. 10 maart 2011 van Karansingh & Partners aan [eiseres], blijkt dat de hoogte van de vordering ad € 12.779,02 hoofdzakelijk wordt bepaald door de verschenen rente waarvoor een bedrag van € 10.822,85 in rekening wordt gebracht. Thans doet zich de vraag voor of deze rente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening van [eiseres] komt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het vonnis waarbij [eiseres] is hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een geldsom (uit hoofde van de kredietovereenkomst) dateert van 10 juli 1997. [eiseres] betwist dat zij dit vonnis heeft ontvangen. Daarnaast stelt zich op het standpunt dat zij in de periode vanaf 1997 tot maart 2011 nimmer berichten van of namens (de rechtsvoorgangster van) IeBe Lease heeft ontvangen waaruit kon worden afgeleid dat zij nog een geldsom aan IeBe Lease verschuldigd was.

IeBe Lease meent dat [eiseres] wel degelijk van de openstaande vordering op de hoogte was, dan wel in ieder geval had moeten zijn. IeBe legt hieraan ten grondslag dat in de periode vanaf 1999 tot 2011 al eerder beslag is gelegd voor dezelfde vordering en dat in 2005, 2006 en 2008 diverse sommaties aan [eiseres] zijn verstuurd. IeBe Lease heeft geen stukken overgelegd die haar standpunt onderbouwen. Zodoende kan binnen dit kort geding niet worden vastgesteld dat er in 1999 beslag is gelegd en zo ja, of dit beslag zag op de betreffende vordering en dat [eiseres] is aangemaand om tot betaling van de door Iebe Lease gestelde vordering over te gaan. Binnen dit kort geding wordt daarom aangenomen dat [eiseres] eerst bij brief van 10 maart 2011 op de hoogte is gesteld van de door IeBe Lease gestelde vordering.

Weliswaar kan worden aangenomen dat [eiseres] als medecontractant op de hoogte was of had moeten zijn van de bij de hoofdsom komende rente, maar door [eiseres] niet te informeren over de stand van zaken en aanmaningen achterwege te laten, heeft bij [eiseres] de (gerechtvaardigde) indruk kunnen ontstaan dat de vordering reeds door [X] was voldaan. Dit geldt te meer nu [X] hier zelf ook van uit is gegaan. Van IeBe Lease (als rechtsopvolgster van Albank B.V.) mocht in de gegeven omstandigheden worden verlangd dat zij [eiseres] had geattendeerd op de door haar gestelde nog openstaande vordering en dat zij [eiseres] had gewaarschuwd voor de oplopende rente. Nu zij dit heeft nagelaten, is [eiseres] hierdoor naar voorlopig oordeel in een onevenredig nadeliger positie geraakt. Voorshands is dan ook niet uitgesloten dat de rente vanwege een tekortschieten van IeBe Lease, althans haar incassogerechtigde, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening van IeBe Lease dient te blijven.

Nu voorshands aanwijzingen bestaan dat IeBe Lease thans niets meer uit hoofde van de kredietovereenkomst van [eiseres] te vorderen heeft en aannemelijk is dat door of namens IeBe Lease geen actief incassobeleid is gevoerd waardoor de rente onevenredig hoog heeft kunnen oplopen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de executie van het vonnis van 10 juli 1997 te schorsen in afwachting van een eindbeslissing in een door [eiseres] aanhangig te maken bodemprocedure. De vordering van [eiseres] zal derhalve op hierna te melden wijze worden toegewezen. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond, nu aangenomen wordt dat IeBe Lease dit vonnis zal nakomen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren op hierna te melden wijze.

De beslissing

De voorzieningenrechter,

schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 10 juli 1997 (met zaak-/rolnummer: 77705/ 1371-97) en gebiedt IeBe Lease de executie daarvan te staken binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, totdat in een door [eiseres] binnen vier weken na betekening aanhangig te maken bodemprocedure, eindvonnis is gewezen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Gulick, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

2021/676