Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW6065

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/2443
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BY8501, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verbeuren eenmalige dwangsom. De last onder dwangsom heeft formele rechtskracht gekregen, zodat de duur van de begunstigingstermijn niet meer ter discussie kan worden gesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar een verlenging van de begunstigingstermijn is verleend door of namens verweerder. Door eiseres is niet aan de last voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot het gedeeltelijk afzien van de invordering. Eiseres heeft ten onrechte een beroep gedaan op artikel 5:48 van de Awb, nu dit artikel op bestuurlijke boetes ziet en niet op lasten onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2443

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2012 in de zaak tussen

Lometi B.V., te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: [medewerker eiseres],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord, verweerder,

gemachtigde: mr. M. de Weger.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat er eenmalige een dwangsom van € 35.000, - is verbeurd.

Bij besluit van 24 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en L.P. Vliegenthart, directeur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en C. Donker, bouwinspecteur.

Overwegingen

1. Bij brief van 14 januari 2010 is eiseres door de dienst Stedenbouw en Volkshuis-vesting van de gemeente Rotterdam (dS+V) geïnformeerd dat naar aanleiding van een bouwtechnische inspectie van het pand Zaagmolenstraat 127 te Rotterdam (het pand) op

4 november 2009, maatregelen nodig zijn om het pand te laten voldoen aan de geldende voorschriften. Een lijst met de te nemen maatregelen is bij de brief gevoegd. Voorts is verzocht om binnen vier weken na dagtekening van de brief een plan van aanpak in te dienen.

2. Bij brief van 23 februari 2010 heeft dS+V eiseres medegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het pand, omdat geconstateerd is dat geen van de maatregelen zijn getroffen en er geen plan van aanpak is ingediend.

3. Bij besluit van 22 maart 2010 heeft verweerder eiseres voor het pand een last onder dwangsom opgelegd. Daartoe is overwogen dat de staat van het gebouw in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit, hetgeen op grond van artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet verboden is. Daarnaast levert de staat van het gebouw gevaar op of dreigt het op te leveren voor de gezondheid en/of veiligheid, terwijl op grond van artikel 1a van de Woningwet eiseres er voor moet zorgen dat geen gevaar voor de gezondheid en/of veiligheid ontstaat. Verder is volgens verweerder de staat van het gebouw in strijd met de bepalingen van de Bouwverordening Rotterdam 1993, wat verboden is op grond van artikel 7b, tweede lid, van de Woningwet. Verweerder heeft bij dit besluit een lijst gevoegd met daarop de maatregelen die dienen te worden getroffen, teneinde de geconstateerde strijd te beëindigen. Aan eiseres is een termijn van zeven maanden gegeven de genoemde maatregelen te treffen op last van een eenmalige dwangsom van € 35.000, -.

4. Bij besluit van 14 juni 2010 heeft verweerder eiseres tevens een last onder bestuursdwang opgelegd. Op 8 november 2010 is door verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij aan deze last volledig gehoor heeft gegeven.

5. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres medegedeeld dat op 19 januari 2011 is vastgesteld dat niet of niet volledig is voldaan aan de last van 22 maart 2010, zodat de eenmalige dwangsom van € 35.000, - is verbeurd.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van de overwegingen in het advies van de commissie Beroep- en Bezwaar van 27 april 2011, het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe is overwogen dat tegen het besluit van 22 maart 2010 door eiseres geen bezwaar is gemaakt, waarmee dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. De inspecteur van dS+V heeft op 19 januari 2011 vastgesteld dat het merendeel van de geconstateerde gebreken niet is verholpen. Die constatering is door eiseres niet weersproken. De door eiseres aangedragen persoonlijke omstandigheden kunnen volgens verweerder niet leiden tot verschoonbare omstandigheden op grond waarvan niet tot invordering mag worden overgegaan. Van een professionele verhuurder als eiseres mag worden verwacht dat het bedrijf ook tijdens de afwezigheid van de directeur doorgaat met zijn werkzaamheden. Door gedurende de afwezigheid van de directeur de lopende werkzaamheden aan het pand niet voort te zetten, is het risico genomen dat de gegeven termijn zou verstrijken en de dwangsom zou worden verbeurd. Voorts stelt verweerder dat de werkzaamheden niet slechts door het winterweer zijn stopgezet, nu er eveneens gebreken aan de binnenkant van het pand zijn geconstateerd. Voorts was de begunstigingstermijn reeds verstreken op het moment dat het winterweer optrad. Op het moment van het primaire besluit waren er ruim tien maanden verstreken. Als een bestuursorgaan besluit over te gaan tot handhaving, dan dient ook te worden gecontroleerd op naleving ervan.

7. Eiseres stelt zich in beroep - samengevat - op het standpunt dat het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur van dS+V van 21 januari 2011, mede gelet op het bepaalde in artikel 5:48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onjuist is. Volgens eiseres waren bij het einde van de termijn in oktober 2010 de meeste gebreken hersteld. In verband met de ziekte van de directeur van eiseres is dS+V verzocht om verlenging van de termijn tot eind december 2010, hetgeen werd toegestaan. Dat niet alle gebreken zijn hersteld is een gevolg van het feit dat de Zaagmolenstraat in zijn geheel was opgebroken, zodat het pand slechts te voet bereikbaar was. Daarnaast was het onmogelijk om het buitenwerk te doen vanwege de strenge winter. Eiseres kiest er normaliter voor om het buiten- en binnenwerk gelijktijdig te doen teneinde zo min mogelijk overlast voor de huurders te veroorzaken. Eiseres meent dat dS+V aan eiseres had moeten laten weten dat deze werkwijze bezwaarlijk was. Eiseres heeft in februari 2011 toestemming gekregen van dS+V om de werkzaamheden te voltooien nadat de woning weer bereikbaar was. Eiseres acht het dan niet logisch dat een dwangsom is verbeurd. Voordat eiseres eigenaar was van de woning, was het Gemeentelijke Woningbedrijf de eigenaar. Voor dit bedrijf was dS+V zeer soepel. De behandeling van eiseres is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres is al zeer lang als verhuurder actief in Rotterdam

en heeft niet eerder een dwangsom verbeurd. Alle aanschrijvingen en klachten zijn altijd in goed overleg opgelost, aldus eiseres.

8. Op grond van artikel 5:33 van de Awb wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

9. Niet is in geschil dat verweerders besluit van 22 maart 2010, waarbij aan eiseres de last onder dwangsom is opgelegd, formele rechtskracht heeft gekregen. Gelet hierop dient de rechtbank bij haar beoordeling uit te gaan van de juistheid van de last onder dwangsom, naar inhoud en wijze van totstandkoming. De oorspronkelijke duur van de begunstigings-termijn kan daarom in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld.

10. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan haar verlenging van de begunstigingstermijn is verleend door of namens verweerder. Een verzoek om de begunstigingstermijn te verlengen, is een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Immers, een dergelijke verlenging is een publiekrechtelijke rechtshandeling waarop verweerder schriftelijk dient te beslissen. Dat geldt in dit geval eens te meer nu er een derdepartij is, de huurder, die belang heeft bij een zo kort mogelijke begunstigings-termijn. Gesteld noch gebleken is dat verweerder schriftelijk de begunstigingstermijn heeft verlengd. Voor zover de inspecteur van dS+V desgevraagd aan eiseres mondeling kenbaar heeft gemaakt dat zij moest doorgaan met de werkzaamheden, kan dit niet worden aangemerkt als een besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn. Het gestelde dat deze handelwijze tot een aantal jaar geleden gebruikelijk was in het contact met dS+V, wat daar verder ook van zij, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie.

11. Nu eiseres niet betwist dat zij niet binnen de begunstigingstermijn (volledig) aan de opgelegde last heeft voldaan, staat de verbeuring van de dwangsom vast.

12. Verweerder heeft met het primaire besluit een invorderingsbeschikking gegeven als bedoeld in artikel 5:37, eerste lid, van de Awb. Dit artikel maakt deel uit van de met ingang van 1 juli 2009 in werking getreden regeling van de bestuursrechtelijke geldschulden. Nu de invordering ziet op een overtreding die na 1 juli 2009 heeft plaatsgevonden, zijn de bepalingen van de Awb zoals die luiden sinds 1 juli 2009 van toepassing. Blijkens de Memorie van Toelichting bij genoemd artikellid dient het bestuursorgaan de beslissing om tot invordering over te gaan, te motiveren, waarbij doorgaans kan worden volstaan met de overweging, dat er geen redenen zijn om van invordering af te zien omdat adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus ook worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien, waarbij het op de weg van de overtreder ligt om dergelijke omstandigheden onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen.

13. Gelet op het voorgaande is in deze zaak nog slechts aan de orde de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de invordering van de dwangsom. De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres aldus dat de bijzondere omstandigheden gelegen zijn in de gezondheidstoestand van de directeur van eiseres, de weersomstandigheden van november 2010 tot maart 2011, alsmede de wegwerkzaamheden aan de Zaagmolenstraat.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot het gedeeltelijk afzien van de invordering. Ten aanzien van de weersomstandigheden wijst de rechtbank er op dat de begunstigingstermijn reeds op 22 oktober 2010, en derhalve ruim voor de gestelde slechte weersomstandigheden was verstreken. Met betrekking tot het gestelde omtrent de bereikbaarheid van het pand als gevolg van wegwerkzaamheden aan de Zaagmolenstraat geldt evenzeer dat die omstandigheid eerst na afloop van de begunstigingstermijn mogelijk een probleem vormde om de te nemen maatregelen uit te voeren. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiseres, naar haar eigen verklaring, in oktober 2010 nog diverse werkzaamheden aan het pand heeft uitgevoerd teneinde te voldoen aan de aan haar op

14 juni 2010 opgelegde last onder bestuursdwang. Ook ziet de rechtbank in de gezondheidstoestand van de directeur van eiseres geen bijzondere omstandigheden die verweerder had moeten nopen om af te zien van de gehele of gedeeltelijke invordering van de verbeurde dwangsom. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van eiseres, als professioneel verhuurder van woningen in Rotterdam, verwacht mag worden dat in geval van ziekte of anderszins langdurige afwezigheid van een medewerker wordt gezorgd dat de noodzakelijke werkzaamheden worden overgenomen. Niet gebleken is dat dit in de situatie als hier aan de orde voor eiseres onmogelijk was. Dat eiseres ten aanzien van diverse van de uit te voeren werkzaamheden geen vertrouwen heeft in de kundigheid van haar medewerkers of eventueel in te huren externe krachten, dient voor haar rekening en verantwoording te komen.

15. Anders dan eiseres meent is artikel 5:48 van de Awb niet van toepassing op een situatie als hier aan de orde. Artikel 5:48 van de Awb ziet op bestuurlijke boetes, welke zijn aan te merken als bestraffende sancties. De aan eiseres opgelegde last onder dwangsom moet worden aangemerkt als een herstelsanctie. Ingevolge wetgeving en jurisprudentie worden met betrekking tot bewijs- en uitvoering aan bestraffende sancties zwaardere eisen gesteld dan aan herstelsancties.

16. Het beroep van eiseres dient ongegrond te worden verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, en mr. M.J.S. Kortweg-Wiers en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.