Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4961

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/5016, AWB 11/5573, AWB 12/0667
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het zorgkantoor heeft geweigerd om persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen, omdat eisers niet in staat zijn om regie te voeren over hun zorg. Nu eisers gemotiveerd hebben betoogd dat zij met hulp van derden in staat zijn om de regie over de zorg te voeren, kon het zorgkantoor zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat er gegronde reden is om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en/of c van de Awb. Het zorgkantoor had in elk geval moeten bezien of de hulp die eisers wensen in te roepen bij het omgaan met de pgb-gelden gewaarborgd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/5016, AWB 11/5573, AWB 12/0667

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2012 in de zaken tussen

[eiseres 1] te Schiedam, eiseres 1, [eiseres 2] te Schiedam, eiseres 2 en

[eiser] te Vlaardingen, eiser

(hierna tezamen: eisers)

gemachtigde eiseres 1: mr. G.J.W. Pulles, gemachtigde eiseres 2: mr. C.M. Storm, gemachtigde eiser: mr. P.A.M. van Leeuwen

en

Zorgkantoor Delfland Westland Oostland Nieuwe Waterweg Noord, verweerder,

gemachtigden mr. A.R. Ramasray, mr. B. Veldhuis en R. Nijs

Procesverloop

Bij besluiten van respectievelijk 28 juni 2011, 5 september 2011 en 22 juni 2011 heeft verweerder de aanvragen van eisers voor een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) afgewezen.

Bij besluiten van respectievelijk 6 oktober 2011, 5 december 2011 en 6 februari 2012 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Op 13 maart 2012 heeft het onderzoek in de zaak van eiseres 1 ter zitting door de enkelvoudige kamer plaatsgevonden. Op 13 maart 2012 heeft de rechtbank het onderzoek in die zaak heropend en de procedure naar de meervoudige kamer van deze rechtbank verwezen.

Het onderzoek ter zitting in de drie zaken heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 2 april 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers hebben allen lichamelijke dan wel psychische klachten. Ieder van hen beschikt over een indicatiebesluit van het CIZ, het Centrum indicatiestelling zorg.

Eisers hebben elk bij verweerder een aanvraag ingediend voor een pgb, met het doel om zelf zorg te kunnen inkopen.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, op grond van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zijn weigering om een pgb toe te kennen gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eisers niet in staat zijn om de regie te voeren over hun zorg. Dat eisers ondersteuning zullen krijgen bij het beheer van hun pgb doet daar volgens verweerder niet aan af.

3. Eisers hebben aangevoerd dat zij daartoe wel in staat zijn. Daarnaast hebben zij naar voren gebracht dat zij bij het beheer van het pgb gebruik zullen maken van derden, die hen begeleiden, en dat zij door die begeleiding hun eigen zorg kunnen beheren en kunnen voldoen aan de op hen rustende verplichtingen.

4.1. Op grond van artikel 2.6.9. van de Regeling Subsidies AWBZ (verder te noemen: de Regeling) worden bij het verlenen van een pgb aan de verzekerde diverse verplichtingen opgelegd, waaronder de verplichtingen om “kwalitatief verantwoorde zorg in te kopen”, om een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener te sluiten waarin tenminste een aantal bedingen omtrent indiening en inhoud van declaraties is opgenomen en om door middel van het invullen en ondertekenen van een door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb.

4.2. Art. 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Awb luidt als volgt:

“De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.”

In de memorie van toelichting bij artikel 4:35 van de Awb is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) De bevoegdheid tot preventieve weigering van de subsidie bestaat niet reeds indien een zeker risico bestaat dat zich één van de in het eerste lid genoemde situaties zal voordoen. Een dergelijk risico bestaat altijd wel in meer of mindere mate. Het eerste lid stelt de eis dat een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de daar bedoelde situaties zich zullen voordoen. Om op grond van het eerste lid een subsidie te kunnen weigeren, zal het bestuursorgaan derhalve moeten beschikken over concrete, op de individuele subsidieontvanger betrekking hebbende aanwijzingen die het oordeel kunnen dragen dat zich waarschijnlijk ("misschien" is niet voldoende) een intrekkingsgrond zal voordoen.

(…) Het onder b bedoelde geval ligt in het verlengde van het onder a genoemde. Hier gaat het om de aan de subsidie verbonden verplichtingen, die immers ook zekere capaciteiten of bekwaamheden van of voorzieningen bij de subsidieontvanger kunnen veronderstellen. Ook dan kan het voorkomen dat de aanvrager kennelijk onvoldoende waarborgen biedt voor de nakoming van deze verplichtingen. Datzelfde geldt voor de onder c genoemde, meer specifieke verplichting. (…)” (TK 1993-1994, 23 700, nr. 3 p. 59).

5. In beroep heeft verweerder de bestreden besluiten aldus toegelicht dat vanwege fraude en oneigenlijk gebruik en de daaruit voortvloeiende risico’s van terugvordering bij budgethouders, ervoor is gekozen om in situaties waarin aanvragers niet in staat zijn zelf de regie over hun zorg te voeren, nog uitsluitend een pgb toe te kennen als er sprake is van een wettelijk vertegenwoordiger, een partner of een inwonend kind, die kunnen waarborgen dat het pgb op verantwoorde wijze wordt besteed.

6. De rechtbank stelt voorop dat de Regeling deze weigeringsgrond niet kent. De weigering van verweerder stoelt op artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Awb. Met verwijzing naar de memorie van toelichting bij dit artikellid, heeft verweerder gesteld dat de subsidie preventief geweigerd kan worden, indien een budgethouder niet in staat is om de regie over zijn zorg te voeren. In dat geval bestaat er volgens verweerder immers een grote mate van waarschijnlijkheid dat zich later een intrekkingsgrond zal voordoen.

7. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat eisers, zonder hulp van derden, niet in staat zijn om de regie over hun zorg te voeren. De rechtbank baseert zich daarbij op de respectieve indicatiebesluiten, waaruit kan worden afgeleid dat eisers psychische beperkingen hebben en situaties onvoldoende kunnen overzien, waardoor zij onvoldoende in staat zijn om de administratie van een pgb naar behoren te voeren.

8. Aan verweerder kan worden toegegeven - mede gelet op de memorie van toelichting bij artikel 4:35 van de Awb - dat de verplichtingen die zijn verbonden aan een subsidie zekere capaciteiten of bekwaamheden van de aanvrager veronderstellen. Dat betekent echter niet dat op voorhand aangenomen kan worden dat de aanvrager van een pgb die deze capaciteiten en/of bekwaamheden mist, dat niet kan compenseren door de gewaarborgde hulp van derden (niet zijnde de wettelijk vertegenwoordiger, een partner of inwonend kind) in te roepen. De tekst van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Awb, noch de memorie van toelichting bij dit artikellid, bieden basis voor dat standpunt. Volgens de memorie van toelichting kunnen de verplichtingen die aan een subsidie zijn verbonden (juist) ook voorzieningen bij de subsidieontvanger veronderstellen.

9. Nu eisers gemotiveerd hebben betoogd dat zij met hulp van derden in staat zijn om de regie over de zorg te voeren, kon verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat er gegronde reden is om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en/of c van de Awb. Verweerder had in elk geval moeten bezien of de hulp die eisers wensen in te roepen bij het omgaan met de pgb-gelden gewaarborgd is.

10. Van een zodanige beoordeling is niet gebleken, zodat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende gemotiveerd zijn. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.

11. Verweerder dient binnen een termijn van drie maanden na de datum van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. De rechtbank ziet in het voorgaande - om te voorkomen dat eisers in een nadelige positie geraken hangende de periode van heroverweging - tevens aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat eisers een voor hen gebruikelijk pgb krijgen toegekend tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar.

13. Nu de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten.

Voor eiseres 1 stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1311-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiseres 1 een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Voor eiseres 2 stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiseres 2 een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank. De te vergoeden reiskosten voor eiseres 2 bedragen € 3,84.

Voor eiser stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder binnen een termijn van drie maanden na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten neemt op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat eisers een voor hen gebruikelijk pgb krijgen toegekend tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,-- aan eiseressen 1 en 2 vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 42,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van

€ 1311,--, en bepaalt dat, nu aan eiseres 1 een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 tot een bedrag van

€ 877,84, waarvan € 3,84 ter zake van reiskosten, en bepaalt dat, nu aan eiseres 2 een toevoeging is verleend, een bedrag van € 874,-- rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) wordt betaald;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 874,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. K.Th. van Barneveld, voorzitter, en mr. T. Damsteegt en mr. J. Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.