Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
398698 / HA RK 12-205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen met bepaling dat een volgend wrakingsverzoek in de thans aanhangige strafzaken tegen verzoeker niet meer in behandeling wordt genomen. Verzoek mist feitelijke grondslag t.a.v. het verwijt dat de rechter meineed zou hebben gepleegd bij het opmaken van het pv tttz, alsmede t.a.v. het verwijt dat de rechter ttz van 11-03-2011 alleen het tsvs van de meervoudige kamer heeft uitgesproken, omdat de wet dat toestaat. De rechter is niet verantwoordelijk voor het verstrekken van stukken uit het dossier aan verzoeker en/of de raadsman. Geen aanleiding om te veronderstellen dat de rechter stukken uit het dossier heeft willen houden of heeft willen verhinderen dat processtukken aan verzoeker zouden worden afgegeven. Nu het onderhavige verzoek min of meer gelijkluidend is aan een eerder – eveneens afgewezen – wrakingsverzoek, maakt verzoeker misbruik van het wrakingsinstituut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 26 april 2012

Zaaknummer: 398698

Rekestnummer: HA RK 12-205

Parketnummers: 10/661362-10 en 10/651151-08

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

thans preventief gedetineerd in [plaats van detentie],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam rechter], senior-rechter in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de dossiers van de bovengenoemde strafzaken, met name van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer voor strafzaken in deze rechtbank van 25 januari 2012, welke werd voorgezeten door de rechter en

- het door verzoeker op schrift gestelde wrakingsverzoek, binnengekomen bij het Informatiecentrum van de rechtbank Rotterdam op 26 maart 2012.

Zowel verzoeker als de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 26 april 2012, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoeker, mr. M.N.R. Nasrullah in zijn hoedanigheid van procesbewaker en de officier van justitie mr. R.J.A. Segerink. Verzoeker heeft zijn standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

Ik heb al eerder een verzoek tot wraking van de rechter gedaan. Het onderhavige wrakingsverzoek doe ik mede op grond van het - ongeveer een week geleden door mij ontvangen - proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2012. Er is namelijk absoluut geen sprake meer van het objectief benaderen van de strafzaak en/of onpartijdigheid jegens mijn persoon, maar van persoonlijke toestanden, discriminatie, schending van procesrechten, valsheid in geschrifte, meineed, klassenjustitie en vriendjespolitiek. Ik verzoek de zaak om de volgende redenen niet door de rechter te laten behandelen:

In het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2012 staat dat de rechter nimmer contact heeft gehad met de (stief)moeder van aangeefster. Dit is meineed. Bij het verlaten van de rechtszaal heb ik namelijk zelf gezien dat de rechter samen met de officier van justitie, zowel na de zitting van 8 maart 2011 als de zitting van 11 maart 2011, heeft staan overleggen met de (stief)moeder van aangeefster.

Hoewel de zaak behandeld had moeten worden door drie rechters heeft de rechter de zitting van 11 maart 2011 en dus ook de uitspraak van het tussenvonnis alleen gedaan. Toch staat in het proces-verbaal (wrakingskamer: lees tussenvonnis) dat het mede ondertekend is door twee andere rechters. Daarmee heeft de rechter zich schuldig gemaakt aan meineed en/of valsheid in geschrifte.

Tijdens de behandeling van het eerste wrakingsverzoek heeft de rechter gelogen, omdat zij de zaken ten aanzien van twee zittingen, te weten de zitting van 11 maart 2011 en van 22 maart 2011, omgedraaid heeft.

De rechter houdt stukken uit het procesdossier voor mij en mijn raadsman achter.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt de feitelijke grondslag van het verzoek.

Hetgeen de rechter heeft aangevoerd zal - voor zover van belang - in de beoordeling worden weergegeven.

3. De beoordeling

3.1

Al aangenomen dat verzoeker het verzoek tijdig heeft gedaan, dat de aangevoerde gronden voor de wraking niet eerder behandeld zijn naar aanleiding van een eerder ingediend wrakingsverzoek en dat verzoeker in zoverre ontvankelijk is, hetgeen de wrakingskamer verder in het midden laat, kan hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.

3.2

Ter toelichting op de grond voor wraking dat de rechter omtrent het hebben van contact met de (stief)moeder van aangeefster meineed heeft gepleegd, heeft verzoeker er bij gelegenheid van de behandeling van zijn wrakingsverzoek op gewezen dat de rechter zich bij de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek op het standpunt heeft gesteld dat zij geen contact heeft gehad met die (stief)moeder, maar dat zij in haar schriftelijke reactie op het tweede wrakingsverzoek aangeeft wel een keer contact met haar te hebben gehad.

De wrakingskamer overweegt het volgende. Bij de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de officier van justitie verklaard dat niet de rechter, maar hij het door verzoeker bedoelde contact met aangeefster en haar moeder heeft gehad. Aangeefster en haar moeder kwamen na afloop van de zitting naar voren om een vraag te stellen over de oproeping van de volgende zitting en hoe zij om moesten gaan met het voorschot dat verzoeker hen reeds betaald had, aldus de officier van justitie. Gelet op de voornoemde mededeling van de officier van justitie en het feit dat de rechter - anders dan verzoeker stelt - in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek niet aanvoert dat zij contact heeft gehad met de moeder van aangeefster, maar slechts de mogelijkheid openlaat dat zij antwoord heeft gegeven op een vraag van moeder, hetgeen op zichzelf niet tot de eenduidige conclusie leidt dat sprake was van ongeoorloofd contact of overleg tussen de rechter en de moeder van aangeefster, staat niet vast dat de rechter na de zitting van 8 of 11 maart 2011 contact heeft gehad met de (stief)moeder van aangeefster. Daarmee ontvalt de feitelijke grond aan de stelling van verzoeker dat de rechter meineed heeft gepleegd door in het proces-verbaal op te nemen dat geen sprake is geweest van contact tussen haar en de (stief)moeder van aangeefster.

3.3

Ten aanzien van de klacht over de zitting van 11 maart 2011 overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de processtukken blijkt dat op 11 maart 2011 geen inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, maar dat toen door de rechter als voorzitter van de meervoudige strafkamer van 8 maart 2011 het vonnis van die meervoudige kamer werd uitgesproken. Nu de wet toestaat dat het vonnis door uitsluitend de voorzitter of een van de andere rechters wordt uitgesproken, mist de wraking voor wat betreft deze grond feitelijke grondslag.

3.4

De klacht dat de rechter de zaken met betrekking tot twee zittingen heeft omgedraaid, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Nu verzoeker deze klacht niet tijdig nader heeft toegelicht, is er in zoverre geen sprake van een deugdelijk gemotiveerd wrakingsverzoek dat voldoet aan de eisen die de wet aan een wrakingsverzoek stelt. Reeds om die reden kan het verwijt geen grond voor wraking opleveren.

3.5

Wat betreft de klacht omtrent onvolledige verstrekking van stukken heeft de rechter meegedeeld dat verzoeker al de stukken ontvangen heeft.

De wrakingskamer overweegt als volgt. Nu de rechter niet verantwoordelijk is voor het verstrekken van stukken uit het procesdossier aan de verdachte en/of de raadsman en er geen aanleiding is te veronderstellen dat de rechter - voor zover het in haar macht zou liggen - processtukken uit het dossier heeft willen houden of heeft willen verhinderen dat afschriften van processtukken aan verzoeker werden afgegeven, kan het voornoemd verwijt van verzoeker geen grond voor wraking opleveren.

3.6

Het voorgaande brengt met zich dat de wraking ongegrond is. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

3.7

Op grond van het feit dat het onderhavige wrakingsverzoek min of meer gelijkluidend is als het eerder gedane - en eveneens afgewezen - verzoek, concludeert de wrakingskamer dat verzoeker misbruik van het wrakinginstituut heeft gemaakt. De wrakingskamer ziet dan ook aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de thans aanhangige strafzaken tegen verzoeker niet meer in behandeling wordt genomen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam rechter];

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de thans aanhangige strafzaken tegen verzoeker niet meer in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 26 april 2012 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. A.J.P. van Essen en mr. L.A.C. van Nifterick, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer-Van der Niet, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de jongste rechter en de griffier ondertekend.