Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/2362
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De redelijke termijn van artikel 4:51 van de Awb dient er toe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om rechtmatige verplichtingen jegens derden op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Met het streven van eiseres om de redelijke termijn te benutten om voorzetting op andere wijze van de maatschappelijke dienstverlening voor kinderen van 0 tot 4 jaar en hun ouders binnen de deelgemeente te helpen realiseren, geeft eiseres een te ruime uitleg aan het begrip redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2012/46

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2362

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2012 in de zaak tussen

de stichting Stichting Kindercentrum Prinses Amalia, te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. N.M. Jonker, advocaat te Rotterdam,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven, verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres voor 2011 afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde, vergezeld door [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Mulder en A. Nouwen.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert een multicultureel centrum voor de opvang van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd en biedt tevens opvoedingsondersteuning en sociaal maatschappelijke hulp aan ouders die in een achterstandssituatie verkeren. Zij ontving sinds 2003 jaarlijks een structurele subsidie van verweerder ten behoeve van de zogenoemde zware plusopvang. Het gaat daarbij om kinderen die extra aandacht of zorg vragen wegens gedrags- of ontwikkelingsproblemen. Bij brief van 7 mei 2010, die is verzonden aan alle subsidierelaties waaronder eiseres, heeft verweerder aangekondigd dat hij vanaf 2011 genoodzaakt is te bezuinigen op het gebied Sociaal van het deelgemeentefonds en dat de keuzes die hij hierdoor moet maken financiële gevolgen kunnen hebben voor de desbetreffende organisatie. Hij heeft verzocht hier rekening mee te houden in de bedrijfsvoering. Eiseres heeft bij brief van 21 mei 2010 een aanvraag voor het bedrag van € 56.700,00 ingediend als bijdrage in de salariskosten van een maatschappelijk werker ten behoeve van die plusopvang. Bij brief van 22 oktober 2010 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt structureel € 55.659,00 te bezuinigen op deze subsidie. Bij brief van 29 november 2010 heeft eiseres tegen dit voornemen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft vervolgens bij het besluit van 28 januari 2011 op de aanvraag beslist en de subsidie geweigerd. Nu op het bezwaar nog niet was beslist heeft verweerder het aangemerkt als te zijn gericht tegen dit besluit. Deze procedurele gang van zaken, die tussen partijen niet in geschil is, acht de rechtbank niet onjuist

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft niet passen binnen zijn beleid, omdat de kinderopvang geen taak is die door de deelgemeente financieel ondersteund wordt.

3. De adviescommissie voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft verweerder in haar advies van 2 maart 2011 geadviseerd om het bezwaar tegen de beëindiging van de subsidie deels gegrond en deels ongegrond te verklaren en om daarbij een redelijke termijn van zes maanden in acht te nemen. De commissie heeft overwogen dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van 22 oktober 2010 en niet reeds met de brief van 7 mei 2010. Verweerder heeft dit advies niet overgenomen maar zich op het standpunt gesteld dat beëindiging van de subsidie per 1 januari 2011 niet onredelijk is. Verweerder heeft de motivering van het primaire besluit gewijzigd in die zin dat hij thans onderkent dat de subsidieaanvraag van eiseres geen betrekking heeft op kinderopvang, maar op maatschappelijke dienstverlening. De bezuiniging komt voort uit een veranderde taakstelling en visie: de maatschappelijke dienstverlening is voortaan gericht op algemene dienstverlening en niet meer op specifieke maatschappelijke dienstverlening zoals de hier aan de orde zijnde plusopvang. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij van mening is dat de redelijke termijn is aangevangen op 22 oktober 2010, maar dat daarbij ook rekening dient te worden gehouden met de eerdere brief van 7 mei 2010.

4. Het betoog van eiseres dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de commissie, faalt. Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld. Verweerder heeft, door het overnemen van een contrair advies waarin de redenen voor de afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies zijn vermeld, aan dit vereiste voldaan. Of die motivering in rechte stand kan houden, is een ander aspect, dat hierna aan de orde komt.

5. Blijkens het verhandelde ter zitting betwist eiseres niet zozeer de beëindiging van de subsidie als zodanig, als wel de termijn waarop verweerder hiertoe is overgegaan. Eiseres heeft in dat verband betoogd dat verweerder geen redelijke termijn in acht heeft genomen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat door de beëindiging van de subsidie per 1 januari 2011 de zorg voor een bepaalde groep kinderen van 0 tot 4 jaar komt te vervallen. Dit acht zij in strijd met de doelstelling van verweerder, te weten het bewerkstelligen van een doelmatig en efficiënt dienstverleningsaanbod voor alle leeftijdscategorieën en de daarbinnen benoemde doelgroepen van de Delfshavense bevolking. Volgens eiseres is er bij de plusopvang sprake van een maatschappelijk probleem en een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het wegvallen van de subsidie heeft tot gevolg dat zij de daarmee bekostigde plusopvang niet langer kan faciliteren. Zij moet voldoende gelegenheid hebben om de activiteiten op een behoorlijke manier af te ronden of maatregelen te nemen om voortzetting op andere wijze te verzekeren. Om ervoor te zorgen dat het dienstverleningsaanbod voor evenbedoelde doelgroep gelijk blijft, is een reorganisatie binnen de maatschappelijke dienstverlening nodig, zodat de kinderen en hun ouders voortaan terecht kunnen bij het Centrum Jeugd en Gezin. Eiseres zet zich ten volle in voor de reorganisatie, maar betoogt dat er tijd nodig is om deze te realiseren.

6. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van 22 oktober 2010 en dat van eiseres in redelijkheid niet verwacht kon worden dat zij naar aanleiding van de brief van 7 mei 2010, gelet op de zeer algemene bewoordingen, concrete maatregelen zou nemen.

7. Het betoog van eiseres dat verweerder geen redelijke termijn in acht heeft genomen, kan evenwel niet slagen. De redelijke termijn van artikel 4:51 van de Awb dient er toe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om rechtmatige verplichtingen jegens derden op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij noodzakelijk ontslag van personeel ten gevolge van de subsidiebeëindiging de subsidieontvanger in staat moet worden gesteld de voorgeschreven opzegtermijnen in acht te nemen. De termijn dient er niet voor om te garanderen dat de subsidieontvanger gedurende die termijn zijn activiteiten onverkort zal kunnen voortzetten. Met het streven van eiseres, hoe prijzenswaardig ook, om de redelijke termijn te benutten om voortzetting op andere wijze van de maatschappelijke dienstverlening voor kinderen van 0 tot 4 jaar en hun ouders binnen de deelgemeente te helpen realiseren, geeft eiseres een te ruime uitleg aan het begrip redelijke termijn zoals verwoord in genoemd artikel. Niet gesteld of aannemelijk gemaakt is dat eiseres door het beëindigen van de subsidie per 1 januari 2011 kosten heeft gemaakt die rechtstreeks verband houden met het afwikkelen van haar verplichtingen jegens derden. De door eiseres aangevraagde subsidie was voornamelijk bedoeld om de salariskosten van de op het gebied van de plusopvang werkzame maatschappelijk werkster te kunnen voldoen. Eiseres heeft bevestigd dat zij geen kosten heeft moeten maken in verband met het niet langer kunnen handhaven van deze werkneemster, die als gevolg van interne verschuivingen vooralsnog in dienst kon worden gehouden en haar werkzaamheden heeft kunnen voortzetten.

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.