Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4691

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/4816
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exploitatiesubsidie. Verweerder heeft in redelijkheid de subsidie op een lager bedrag kunnen vaststellen en de gevraagde subsidie voor extra personeelskosten kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4816

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2012 in de zaak tussen

de stichting Stichting Welzijnsbevordering Antillianen Arubanen, te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. P.T.M. de Haan,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2010 (primair besluit I) heeft verweerder de bij besluit van 22 september 2008 aan eiseres verleende subsidie voor het project Optima Forma - Un Desaroyo Nobo (het project) vastgesteld op € 188.946,00 en een bedrag van € 53.967,00 aan teveel ontvangen subsidie van eiseres teruggevorderd.

Bij brief van 31 augustus 2010 heeft J. de Kloet, stadsmarinier (De Kloet), eiseres meegedeeld dat niet kan worden ingegaan op het verzoek om subsidie te verstrekken ten behoeve van extra loonkosten.

Bij besluit van 12 mei 2011 (primair besluit II) heeft verweerder het verzoek van eiseres om de extra loonkosten die zijn ontstaan gedurende het project ten laste te laten komen van de beschikbaar gestelde middelen, afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen de brief van De Kloet van 31 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A], directeur, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C. Heiberg, werkzaam bij de directie Veiligheid, en de gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 22 september 2008 heeft verweerder aan eiseres op basis van de door haar ingediende aanvraag van 3 september 2008 een exploitatiesubsidie voor het project verleend van maximaal € 302.913,00. Doel van het project is het intensief ondersteunen, begeleiden en monitoren van Antilliaans-Arubaanse zelforganisaties en de activiteiten die zij willen organiseren. De looptijd is van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2009. De subsidiabele kosten zijn voor de uitvoering van het project, de activiteiten die hiervoor worden georganiseerd en de personele ondersteuning zoals in de begroting bij de aanvraag is onderbouwd. Volgens de begroting bedraagt het activiteitenbudget € 175.00,00 en bedragen de loonkosten € 87.243,00.

1.1 Bij brief van 12 mei 2010 heeft eiseres een verzoek tot vaststelling van de subsidie voor het project ingediend. Uit de bijlage bij het verzoek blijkt dat de post activiteitenbudget € 70.215,00 bedraagt en dat sprake is van een overschrijding van de loonkosten met € 19.112,00. De totale kosten voor het project bedragen € 208.059,00.

1.2 De Kloet heeft eiseres op 29 juni 2010 schriftelijk verzocht een nadere onderbouwing te geven met betrekking tot de geleverde prestaties.

1.3 Eiseres heeft bij brieven van 16 augustus 2010 de gevraagde onderbouwing gegeven en daarbij tevens verzocht de overschrijding van de loonkosten ten laste te doen komen van het totale budget voor het project, althans haar daarvoor een aanvullende subsidie toe te kennen.

1.4 Verweerder heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de reactie hierop van De Kloet bij brief van 31 augustus 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit, zodat verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eerst bij primair besluit II heeft verweerder op evenbedoeld verzoek om aanvullende subsidie beslist.

2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid de subsidie op een lager bedrag heeft kunnen vaststellen dan was verleend en subsidie voor de extra personeelskosten heeft kunnen weigeren. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2.1 Ingevolge artikel 21 van de Subsidieverordening Rotterdam 2005 (SvR 2005) wordt onder exploitatiesubsidie verstaan: subsidie waarbij in de verleningsbeschikking de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van een exploitatiebegroting van de subsidiabele activiteit, waarbij geldt dat de exploitatiebegroting in haar geheel en op onderdelen bindend is.

Ingevolge artikel 29 handelt verweerder overeenkomstig de verordening, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de verordening te dienen doelen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling SvR 2005 (Uitvoeringsregeling) meldt de subsidieontvanger afwijkingen van de geplande activiteiten van meer dan 10% in aard, aantal of bedrag terstond aan verweerder, onder overlegging van een rapportage met een overzicht van geleverde activiteiten, een analyse en verklaring van de afwijkingen en een financiële verantwoording.

Ingevolge artikel 6, derde lid, onder d, dienen in het kader van de financiële subsidieverantwoording van een exploitatiesubsidie de financiële realisatiecijfers tegenover de bij de subsidieverlening vastgestelde begrotingscijfers te worden gezet en wordt de afwijking tussen deze cijfers van meer dan 10% per bindend begrotingsonderdeel per onderdeel toegelicht.

2.2 Voor zover verweerder, door overneming van het advies van zijn bezwaarschriftencommissie, de brief van eiseres van 16 augustus 2010 met kenmerk MM/2010/10716 heeft opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 22 september 2008 tot subsidieverlening en dit verzoek heeft geplaatst in het licht van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de rechtbank hem hierin niet volgen. De brief van eiseres van 16 augustus 2010 met kenmerk MM/2010/10721 bevat immers een verzoek om aanvullende subsidie voor de loonkosten, die hoger bleken te zijn dan voor aanvang van het project was voorzien. Het stond eiseres vrij om dit verzoek na afloop van het project in te dienen en verweerder heeft het terecht opgevat als een nieuwe aanvraag en inhoudelijk afgehandeld. De rechtbank zal de overwegingen in het advies van de bezwaarschriftencommissie over beide brieven lezen in onderlinge samenhang, en bezien in samenhang met hetgeen overigens in het advies is gesteld en door verweerder in het verweerschrift en ter zitting is toegelicht over de beoordeling van de materiële bezwaren van eiseres.

2.3 De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat, nu sprake is van een exploitatiesubsidie, de exploitatiebegroting in haar geheel en op onderdelen bindend is en dat een eventueel verzoek tot bijstelling ervan tijdens de looptijd van het project had moeten worden ingediend. Eiseres heeft tijdens die looptijd geen formeel verzoek gedaan tot bijstelling van het budget noch een rapportage overgelegd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Dat de overschrijding van de loonkosten tijdens de looptijd van het project verschillende keren aan de orde is gekomen, zowel tijdens het ambtelijk overleg als in de driemaandelijkse tussentijdse rapportage, betekent niet dat eiseres daarmee heeft voldaan aan haar verplichting op grond van voormeld artikel. Het betoog van eiseres dat zij niet gehouden was tot een melding van de overschrijding van de loonkosten nu het totale budget niet met 10% of meer is overschreden volgt de rechtbank niet. Uit artikel 4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, derde lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling, volgt dat eiseres verplicht was tijdig melding te maken van elk afzonderlijk begrotingsonderdeel waarbij een overschrijding van meer dan 10% aan de orde was.

Verweerder heeft bij de subsidievaststelling dan ook mogen uitgaan van de kosten van personele ondersteuning zoals die in de begroting bij de aanvraag zijn onderbouwd, welk uitgangspunt ook duidelijk in het verleningsbesluit is vermeld.

2.4 Het betoog van eiseres dat verweerder met toepassing van artikel 29 van de SvR 2005 van de bepalingen van deze verordening had moeten afwijken, leidt niet tot een andere conclusie. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dit artikel geen sprake is en dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet opwegen tegen zijn belang bij de handhaving van een adequate begrotingsdiscipline. Eiseres heeft, zoals zij zelf stelt, de noodzaak van extra personele inzet al in een vroegtijdig stadium gesignaleerd. Zij had dus tijdig om bijstelling van haar begroting kunnen verzoeken. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat uiteindelijk minder activiteiten zijn uitgevoerd dan was afgesproken terwijl daarvoor wel meer personeelskosten zijn gemaakt.

2.5 Om dezelfde reden heeft verweerder bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek van 16 augustus 2010 om aanvullende subsidie voor de loonkosten in redelijkheid kunnen handhaven.

3. De slotsom is dat in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de subsidie op een lager bedrag heeft kunnen vaststellen dan was verleend en subsidie voor de extra personeelskosten heeft kunnen weigeren. Voorts heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om terugvordering van de teveel betaalde voorschotten achterwege te laten. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan dan ook niet leiden tot het beoogde doel, te weten het op enigerlei wijze alsnog subsidiëren van de extra loonkosten. Het bestreden besluit kan in rechte standhouden en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.