Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4688

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
312370 - HA ZA 08-1913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevordering van tbs-gestelde tegen kliniek wegens onterechte intrekking proefverlof. Onrechtmatige daad. Relativiteitsverweer gaat niet op. Tbs-gestelde krijgt schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 312370 / HA ZA 08-1913

Vonnis van 18 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Poortugaal,

eiser,

advocaat mr. K.B. Larooij

tegen

de stichting

DE KIJVELANDEN, INSTELLING VOOR FORENSISCHE PSYCHIATRIE,

gevestigd te Poortugaal,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.C. van Gog.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Kijvelanden genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte van [eiser].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Het betreft hier een schadevordering van een TBS-gestelde tegen de TBS-kliniek naar aanleiding van een ten onrechte ingetrokken proefverlof. In het eerste tussenvonnis is geoordeeld dat de Kijvelanden (in beginsel) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Conform de afspraken ter zitting hebben partijen vervolgens het debat voortgezet over de aard van de geschonden norm, een eventuele rechtvaardigingsgrond, eigen schuld en aard en omvang van de schade.

Impliciete eiswijziging

2.2

De Kijvelanden voert aan, dat het toelaten van de in het laatste tussenvonnis besproken (impliciete) eiswijziging haar onredelijk in haar verdediging heeft geschaad.

Dit formele bezwaar kan geen stand houden, daargelaten of er voor het aanvoeren daarvan nu nog ruimte bestaat. Niet in te zien valt, dat Kijvelanden in haar verdediging is benadeeld, nu de langere looptijd al relatief vroeg in de procedure door [eiser] aan de orde is gesteld en beide partijen daaromtrent, meermalen, hun opvatting kenbaar hebben kunnen maken. Dat de eiswijziging niet in de kop van de conclusie is vermeld doet daaraan niet af.

Meer inhoudelijk meent de Kijvelanden, dat de periode waarover de schade berekend zou moeten worden niet moet worden verlengd tot 29 april 2009, omdat de voortduring van de dwangverpleging een beslissing van de rechter in het kader van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis was die buiten de verantwoordelijkheid van de Kijvelanden viel. Op dat punt wordt hierna teruggekomen.

Rechtvaardigingsgrond- causaal verband

2.3

Het standpunt van de Kijvelanden komt er in de kern op neer dat zij niet schadeplichtig is wegens de gevolgen van een beslissing (de intrekking van het proefverlof per 7 november 2006) die wellicht formeel niet, maar materieel wel geheel juist was.

Juridisch beargumenteert zij dit langs de weg van de rechtvaardigingsgrond;

de maatschappelijke veiligheid en de wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van Kijvelanden maakten het beëindigen van het proefverlof mogelijk, gerechtvaardigd en noodzakelijk.

[eiser] meent, kort samengevat, dat een en ander niet ter zake doet en dat er ook inhoudelijk geen behoorlijke grond voor beëindiging van het proefverlof was.

2.4

Vooropgesteld wordt, dat de wettelijke taak van een TBS-kliniek meebrengt dat aan de ene kant zorg gedragen wordt voor een goede behandeling en, zo mogelijk, resocialisatie van de betrokkene, terwijl aan de andere kant de maatschappij beschermd dient te worden tegen de -door de strafrechter bij de veroordeling tot TBS aanwezig geachte- gevaarzetting door dezelfde betrokkene. Die beide doelen staan op gespannen voet. De mogelijkheden die de wetgever de kliniek biedt om daarmee om te gaan dienen zorgvuldig te worden toegepast, doch aan de kliniek komt daarbij een zekere beleidsruimte toe. Met name van belang in dat verband is, dat de aard van de problematiek het noodzakelijk maakt dat de kliniek, voor wat betreft het beveiligingsaspect, niet af kan wachten of een nieuw delict gepleegd wordt, maar moet handelen en beslissingen moet nemen op basis van inschattingen. Anderzijds dient zij ook de belangen van de TBSgestelde in het oog te houden en zal zij dus bedoelde inschattingen wel moeten maken op basis van daadwerkelijk bestaande feitelijke aanknopingspunten, en niet slechts op basis van een algemene bezorgdheid. Het stadium van de behandeling en de lengte van de periode waarin geen problemen zijn geweest moet daarbij meegewogen worden.

Het gaat er bij de thans voorliggende beoordeling dus per saldo om of, gegeven de situatie als geheel, de Kijvelanden in redelijkheid kon menen dat zij niet anders kon handelen dan door het proefverlof in te trekken. Als een redelijk zorgvuldige en redelijk handelende TBSkliniek in de gegeven situatie tot beëindiging van het proefverlof op 7 november 2006 had moeten komen (op basis van art. 50 lid 3 jo. 51 lid 3 BvT) dan is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een rechtvaardigingsgrond voor de vrijheidsbeperking die de oorzaak is van de thans voorliggende schade. Deze toets is streng, maar dat past bij het karakter van een rechtvaardigingsgrond; deze doet immers de onrechtmatigheid van het gedrag geheel vervallen.

Het is daarbij aan de Kijvelanden om haar stellingen op dit punt behoorlijk te onderbouwen en, gelet op de betwisting, een voldoende concreet en relevant bewijsaanbod te doen.

2.5

De rechtbank is van oordeel dat de Kijvelanden tevergeefs een beroep doet op een rechtvaardigingsgrond. Aan dat oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

2.5.1

[eiser] was ter beschikking gesteld in 1996; hij was in 2006 dus reeds 10 jaar in behandeling. De Kijvelanden heeft zelf in het voorjaar van 2006 proefverlof voor hem aangevraagd; [eiser] woonde buiten de inrichting zelfstandig en had een baan. Kennelijk was dus de Kijvelanden toen van oordeel dat de behandeling het punt had bereikt dat dit verantwoord was, met andere woorden dat [eiser] zich zonder onaanvaardbaar gevaar in verregaande mate in vrijheid in de samenleving kon begeven.

Op 15 september 2006 is [eiser] voor een time-out teruggehaald naar de inrichting; hij zou twee weken verblijven op afdeling De Blink en daarna teruggaan naar zijn woning buiten de inrichting. Van concrete incidenten die erop wezen dat hij op dat moment gevaarlijk was blijkt uit het dossier niet; de Kijvelanden heeft op dat punt ook niets gesteld.

Op 3 oktober 2006 is de aanvankelijk voorziene lengte van de time-out met twee weken verlengd. De Kijvelanden wilde reeds toen, naar zij zelf in haar laatste conclusie expliciteert, het proefverlof niet op dezelfde wijze voortzetten, maar achtte beschermd wonen verstandiger. Omdat zij daarover met [eiser] geen overeenstemming kon bereiken is toen de time-out verlengd. In dat kader is de computer van [eiser] naar de inrichting gebracht en, alvorens deze aan hem ter beschikking te stellen, gecontroleerd. Toen is gewelddadig/pornografisch materiaal aangetroffen. De houding van [eiser] in de Blink en zijn reactie na confrontatie met de vondst van dat materiaal op de computer van [eiser] waren vervolgens aanleiding voor een separatie en een intramurale terugplaatsing in de kliniek (op afdeling Amber) op 10 oktober 2006, waarna besloten is het proefverlof in te trekken en het proefverlof op 7 november 2006 is beëindigd. Daarna heeft [eiser], tot zijn uiteindelijke vertrek uit de kliniek in april 2009, geen vrijheden meer genoten.

2.5.2

Bij de aanvankelijke time-out was de Kijvelanden kennelijk van oordeel, dat geen zwaarwegende risico's bestonden en dat het proefverlof kon voortduren. Het was immers de bedoeling dat [eiser] na korte tijd terug zou gaan naar zijn woning. Dat oordeel was, in de gegeven omstandigheden ook redelijk; uit de overgelegde stukken blijkt immers op dat moment niet van serieuze redenen tot zorg. Zelfs als juist is dat [eiser] achterstallig was met het betalen van een of meer rekeningen en/of niet steeds zijn medicatie voor zijn lichamelijke kwalen nam (de juistheid daarvan staat niet vast) zijn dat geen aanwijzingen voor risico's in voormelde zin.

Dat er, voordat het materiaal op de computer werd gevonden, reden was voor een andere inschatting is niet gebleken; het bewijsaanbod van de Kijvelanden ziet niet specifiek op dat punt en is onvoldoende concreet.

2.5.3

Vervolgens volgt de vondst van het pornografische en gewelddadige materiaal en de reactie daarop van [eiser]. Het oorspronkelijke delict, waarvoor de TBS met dwangverpleging was opgelegd, wordt in de stukken samengevat als poging tot doodslag op de vriend van zijn ex-vrouw. Van enige relatie met pornografie of sexueel geweld blijkt niet; de Kijvelanden heeft daarover ook niets gesteld. Dat daarbij sprake is geweest van een mes op de keel van het slachtoffer, zoals de Kijvelanden stelt, is echter door [eiser] niet betwist; evenmin heeft hij betwist dat in het aangetroffen materiaal op zijn computer beelden van soortgelijk geweld voorkwamen, zodat de rechtbank daarvan uit gaat.

De rechtbank is van oordeel dat de Kijvelanden vanuit voormelde verantwoordelijkheid in redelijkheid kon menen dat, gelet op laatstbedoelde onderdelen van het materiaal en de onwil van [eiser] om daarover in gesprek te gaan sprake was van een risico voor de maatschappelijke veiligheid en dat zij daarom maatregelen kon nemen om dat risico in te perken. Zij had toen echter, naar eigen zeggen, de beslissing om niet langer toe te werken naar zelfstandig wonen -die gevolgen zou hebben voor het proefverlof- al genomen. De vondst van het materiaal kan voor die beslissing dus niet redengevend zijn geweest. De andere redenen zijn enerzijds (overtreding van de bijzondere voorwaarden, niet nemen van medicijnen voor de suikerziekte, achterstallige rekeningen) ondeugdelijk bevonden en anderzijds (zijn houding) te vaag. Ook als die vondst wel heeft bijgedragen aan die beslissing valt echter niet in te zien dat en waarom geen minder ingrijpende reactie had kunnen volgen. De Kijvelanden heeft dat ook niet behoorlijk toegelicht.

2.5.4

Dat betekent, dat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond, die de onrechtmatigheid doet vervallen. De Kijvelanden heeft dus onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door het proefverlof in te trekken.

Dat neemt overigens niet weg dat sprake kan zijn van eigen schuld van [eiser] , zoals hierna (onder 2.7.1) zal worden besproken.

artikel 163-relativiteit-strekking van de norm

2.6

Nu beide partijen van oordeel zijn dat de afspraken ter comparitie aan Kijvelanden de ruimte gaven om ook op dit punt verweer te voeren kan de in r.o 2.5 van het tussenvonnis d.d. 30 maart 2011 op dit punt gegeven beslissing geen stand houden.

Dat kan Kijvelanden echter niet baten. De norm die zij heeft geschonden -het onterecht intrekken van het proefverlof- strekt naar het oordeel van de rechtbank (mede) tot voorkomen van schade als die, waarvan door [eiser] vergoeding wordt gevorderd, te weten schade die voortvloeit uit de vrijheidsbeperking waartoe die intrekking heeft geleid.

Eigen schuld

2.7.1

De Kijvelanden heeft aangevoerd dat ook sprake is van eigen schuld van [eiser] (in de zin van art. 6:101 BW). [eiser] heeft zich bij aanvang van de time-out niet coöperatief opgesteld, na de vondst van het materiaal op zijn computer geen openheid van zaken willen geven en daarna niet mee willen werken aan een alternatief behandelingsplan. Daardoor is na 2006 eigenlijk geen zinvolle behandeling meer mogelijk geweest en heeft de periode dat [eiser] in de inrichting van de Kijvelanden verbleef langer geduurd. Deze zwaarwegende eigen schuld leidt ertoe, dat de verplichting tot vergoeding van schade vervalt.

2.7.2

[eiser] weerspreekt deze lezing van zijn opstelling niet, maar meent dat deze hem niet als eigen schuld valt aan te rekenen gezien de situatie als geheel.

2.8

De rechtbank acht weliswaar enige eigen schuld aanwezig, maar niet in zodanige mate dat daarmee de gehele verplichting tot vergoeding van schade komt te vervallen. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

2.8.1

Voor wat betreft de aanvankelijke situatie na de time-out is de rechtbank met de Kijvelanden van oordeel dat [eiser] zich coöperatief had moeten opstellen en met name dat van hem verwacht mocht worden dat hij verklaarde hoe hij aan het materiaal kwam, welke betekenis dat voor hem had en meer in het algemeen, met het oog op de behandeling en het inzicht van de staf, daarover in gesprek was gegaan. Dat is echter vooral in het tijdvak tot 6 november 2006 het geval geweest, een periode waarop het onderhavige geding niet ziet.

2.8.2

In de daarop volgende periode van 6 november 2006 tot 27 mei 2007 was de machtiging nog van kracht, doch genoot [eiser] geen enkele vrijheid als gevolg van de onrechtmatige intrekking van het proefverlof.

Weliswaar heeft eerder bedoelde opstelling toen doorgewerkt, maar de rechtbank is met [eiser] van oordeel dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij weigerde zonder meer in te stemmen met een geheel gewijzigde aanpak van zijn resocialisatie, die erop neer kwam dat niet meer naar zelfstandig wonen werd toegewerkt. Voor die periode is de rechtbank van oordeel dat de causale bijdrage van de eigen schuld van [eiser] gelijk is aan de schuld van de Kijvelanden.

Bovendien ziet de rechtbank aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie, nu de gevolgen voor [eiser] zeer diep ingrepen in zijn persoonlijk leven en er een groot verschil in machtspositie tussen de Kijvelanden en [eiser] bestond. Per saldo acht de rechtbank daarmee de eigen schuld geen reden om de toe te kennen schadevergoeding te verminderen.

2.8.3

De rechtbank ziet in de nader gewisselde stukken aanleiding om ook de periode van 17 mei 2007 tot 29 april 2009 in overweging te nemen.

Vast staat inmiddels dat de machtiging proefverlof op 16 mei 2007 van rechtswege was vervallen. Of de Kijvelanden dit destijds al dan niet wist, dan wel met ingang van welke datum zij dit wist doet niet ter zake, eventuele onduidelijkheid en/of onwetendheid op dat punt komt in de verhouding tot [eiser] voor haar rekening.

[eiser] en de Kijvelanden verschillen van mening over de vraag of in die periode nog sprake is van voldoende causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. De rechtbank is van oordeel dat, als er al sprake is van enig causaal verband, dat verband te ver verwijderd is om rechtens in aanmerking te worden genomen. De TBS met dwangverpleging duurde toen immers, op grond van rechterlijke beslissingen, voort en de Kijvelanden kon, gelet op het wettelijk systeem, geen nieuwe proefverlofmachtiging krijgen zo lang en omdat [eiser] niet meewerkte aan een behandelplan. Dat dat gebrek aan medewerking mede werd veroorzaakt door de eerdere onrechtmatige daad is wellicht (in emotionele zin) verklaarbaar, maar het verband is rechtens onvoldoende direct.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, als daarover anders geoordeeld zou moeten worden, de causale bijdrage van die eerdere onrechtmatige daad geheel in het niet valt bij de causale bijdrage van de in die periode gemaakte keuzes van [eiser].

Schadevergoeding-materieel

2.9

De materiële schade bestaat in de waarde van de inboedelgoederen die zijn vernietigd toen het proefverlof onrechtmatig werd ingetrokken en [eiser] daarom zijn woning moest verlaten.

Vast staat, dat de Kijvelanden [eiser] de mogelijkheid heeft geboden deze goederen bij een bekende onder te brengen dan wel deze op te (laten) slaan. Dat betekent, dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade, ook als juist is dat er geen bekende was die de goederen wilde bewaren (dat is niet zeker, gelet op de door [eiser] eerder genoemde mogelijke rol van zijn zuster) en [eiser] op dat moment niet over voldoende middelen beschikte om opslag te bekostigen; die omstandigheden liggen geheel in de risicosfeer van [eiser].

Immateriële schade

2.10

Gelet op 2.8-2.8.3 hiervoor komt de schade in de periode van 6 november 2006 tot 27 mei 2007 voor vergoeding in aanmerking (zie ook 2.7.2 van laatstgenoemd tussenvonnis ).

Zoals bij het tussenvonnis van 30 maart 2011 (de helaas hardnekkige schrijffout Sr. , Wetboek van Strafrecht, in plaats van Sv., Wetboek van Strafvordering, daargelaten) reeds was aangegeven zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren de helft van de destijds in het kader van onrechtmatige vrijheidsbeneming op basis van art. 89 Sv gehanteerde dagvergoeding van

€ 70,=, aldus € 35,=.

Dat betekent per saldo, dat de schade van [eiser] naar redelijkheid en billijkheid wordt begroot op € 35,= per dag over de periode 6 november 2006 tot en met 16 mei 2007, zodat hem per saldo toekomt € 6.685,=.

Voor zover de Kijvelanden heeft willen verdedigen dat daarop in mindering zou moeten komen het bedrag dat eerder door de RSJ was toegekend faalt dat betoog, nu het daar geen schadevergoeding betreft.

Rente

2.11

De onrechtmatige daad dateert van 6 november 2006, zodat de rente vanaf die datum verschuldigd is.

Kosten

2.12

De Kijvelanden wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt de Kijvelanden om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 6.685,= (zegge zesduizend zeshonderd vijf en tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2006 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de Kijvelanden in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op € 2.142,44, waarvan te voldoen:

a aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 56.99.90.688 tnv MvJ Arrondissement Rotterdam (545)

€ 190,50 aan in debet gesteld vast recht;

€ 85,44 aan in debet gestelde kosten voor de deurwaarder;

€ 1.804,= aan salaris voor de advocaat;

-------- +

€ 2.079,94

b aan de advocaat van [eiser]:

€ 63,50 voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.

106/2148