Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW4447

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
352346 - HA ZA 10-1219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringssrecht. CARpolis. Dekkingswijziging. Breuk in gascompressorinstallaties. Torsietrillingsvermoeiing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 352346 / HA ZA 10-1219

Vonnis van 18 april 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

HAMBURG GAS CONSULT GMBH,

gevestigd te Hamburg,

eiseres,

advocaat mr. M. Spanjaart,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ GLOBAL RISKS NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

ACE EUROPEAN GROUP LIMITED,

gevestigd te Rotterdam,

3. de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

AXA VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Keulen, Bondsrepubliek Duitsland

4. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagden,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen zullen hierna HGC en verzekeraars genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen en de met het oog op het pleidooi door HGC toegezonden productie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

HGC is een Duitse aannemer, die in opdracht van Essent betrokken is geweest bij de bouw van een gascompressie- en gasbehandelingsstation in Epe, Duitsland. Het betreft hier een innovatief project met een aanzienlijke financiële waarde.

2.2

Het gas werd onder druk opgeslagen. In dat kader heeft HGC twee gascompressorinstallaties (hierna ook de machines) aangebracht, bestaande uit gascompressoren van Ariel Corporation Mount Vernon USA (hierna Ariel) en elektromotoren afkomstig van Schorch. HGC heeft deze machines ontworpen, gebouwd (dat wil zeggen in haar eigen fabriek geassembleerd) en op het werk in Epe geleverd.

2.3

Eind 2005, binnen 500 draaiuren na het installeren en nog voor de overdracht aan Essent, is in beide machines breukvorming in de krukas geconstateerd.

2.4

Door een expert is vastgesteld dat de oorzaak van de breuk is gelegen in High torque, causing excessive fatigue (torsietrillingsvermoeiing). Doordat bij de machines sprake is van kritische toerentallen (440-490 rpm) die vallen binnen het bereik van de normale bedrijfstoerentallen (300-1000 rpm), zonder dat adequate maatregelen zijn genomen, kon deze torsietrillingsvermoeiing ontstaan.

2.5

Essent heeft ten behoeve van dit project een CAR-verzekering afgesloten, onder nr. NAB 528.430.810. Verzekeraars zijn de risicodragers onder deze polis. HGC is verzekerde onder deze polis. Het betreft een makelaarspolis waarbij AON als verzekeringsmakelaar namens Essent is opgetreden.

De sluitnota luidt, voor zover van belang, als volgt: "(...)Verzekerde interest

Alle werken met betrekking tot het project gasopslag te Epe (Duitsland), waaronder onder andere is begrepen de bouw van een gascompressie- en gasbehandelingsstation(...)

2.6

De op voornoemde verzekering toepasselijke polisvoorwaarden (K 930-01, Constructie "All risks" polis PC37) luiden voor zover thans van belang als volgt:

"A.(...) Sectie I het werk

Verzekerde interesten

Tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld en onverminderd de bepalingen van art. 34 van deze polis - omvatten de onder sectie 1 van deze verzekering verzekerde interesten:

a de te bouwen objecten, in aanbouw en/of gereed;

b alle bijkomende werken, meerwerk, wijzigingen enz. al dan niet volgens bestek;

c alle voor het werk bestemde materialen en bouwstoffen, constructies, onderdelen enz;

(...)

Omvang van de verzekering

2 Deze verzekering dekt, met renunciatie aan art. 249 Wetboek van Koophandel en andere

wetsartikelen welke met de condities van deze polis in strijd mochten zijn (voor zover geen dwingend recht), alle materiële schade aan en/of verlies of vernietiging van de verzekerde interesten, onverschillig hoe ook ontstaan, met uitzondering van:

(...)

c kosten en/of uitgaven in verband met verbeteringen en/of veranderingen in het ontwerp, gebruik en/of toepassing van verbeterde materialen, verbeterde en/of veranderde werkwijze, constructie, e.d.;

(...)

2.1 Alhoewel materiële schade aan, verlies en/of vernietiging van enig verzekerd interest of

onderdeel hiervan veroorzaakt door eigen gebrek, ondeugdelijke materialen, ondeskundigheid of onvoldoende deskundigheid van personen voor wie verzekerde verantwoordelijk is, constructiefouten, fouten in het ontwerp, alsmede slijtage of achteruitgang ten gevolge van veroudering of gering gebruik is medeverzekerd, wordt nadrukkelijk overeengekomen, dat deze dekking zich niet uitstrekt tot dat deel van enig verzekerd interest of onderdeel hiervan, dat direct door één of meer der in dit artikel

genoemde omstandigheden is getroffen.

(...)

Algemene voorwaarden

Verzekerden

28 In geval de aan de voorzijde van deze polis met name genoemde verzekerde is aangeduid

als "aanbesteder" of "opdrachtgever" van het verzekerde werk, zal deze verzekering mede dekking geven aan de aannemer(s), (...). In beide gevallen zal deze verzekering mede geschieden ten behoeve van de onderaannemer(s), de installateur(s), de leverancier(s), de architect(en), de constructeur(s), alsmede de adviseur(s). Indien een of meer der onder de verzekering gedekte werkzaamheden hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk moeten worden uitgevoerd door personen, die niet behoren tot een der hierboven opgesomde categorieën, dan zullen die personen als onderaannemers worden beschouwd.

29 Overal waar in deze polis gesproken wordt van "verzekerde" zullen alle onder art. 28

medeverzekerde partijen daaronder begrepen zijn. De voor "verzekerde" geldende verplichtingen gelden derhalve ook voor alle medeverzekerde partijen, tenzij anders is bepaald. Verzekeraars doen afstand van eventueel recht van verhaal op de onder deze polis verzekerde partijen

(...)

37 In geval van schade, resp. van een tegen verzekerde ingestelde eis tot schadevergoeding,

resp. van een gebeurtenis welke tot schade resp. tot een eis tot schadevergoeding zou kunnen leiden, waartoe deze polis dekking zou kunnen bieden, is verzekerde verplicht:

a zo spoedig mogelijk na het plaats vinden van het schadegeval resp.het tijdstip waarop het te zijner kennis is gekomen, verzekeraars hiervan in kennis te stellen, onder vermelding van de volledige bijzonderheden en een zo volledig mogelijke omschrijving omtrent de aard, de oorzaak en de toedracht van de schade resp. van het gebeurde;

b alle op het schadegeval betrekking hebbende gegevens en stukken, zoals afschrift van het door de aannemers c.s. bijgehouden dagboek, alsmede aansprakelijkstellingen, straf- en civiele dagvaardingen, e.d. ten spoedigste aan verzekeraars resp. de door hen benoemde deskundige(n) te zenden;

(...)

h de verzekeraars van alle andere bestaande verzekeringen op de bij deze polis verzekerde interesten resp. tegen wettelijke aansprakelijkheid in kennis te stellen.

Iedere verplichting tot schadevergoeding vervalt, indien verzekerde een onvolledige of onware opgave doet of de door de wet of door deze polis gestelde verplichtingen niet nakomt, tenzij verzekerde aantoont dat deze omstandigheden zich onafhankelijk van zijn wil hebben voorgedaan en dat hem terzake van deze omstandigheden geen enkel verwijt treft.

Schade

38 Verzekeraars zullen geen beroep doen op art. 276 en 294 Wetboek van Koophandel,

behalve in geval van schade opzettelijk veroorzaakt door één of meer der verzekerde partijen (...)

(...)

B. -A 001-007 MEDEDELINGENCLAUSULE

Alle mededelingen die verzekerde en verzekeraars aan elkaar dienen of wensen te doen gelden eveneens als gedaan zodra deze ter kennis van Aon zijn gebracht.

Mededelingen aan verzekeringnemer kunnen door Aon rechtsgeldig worden gedaan aan het bij haar laatstbekende adres van verzekeringnemer.

(...)

C. K 971-002/1 aanvullingen K 930-01 Sectie I (...)

Direct getroffen onderdeel

In afwijking van art. 2.1 van de K 930-01 strekt de dekking zich eveneens uit tot het deel dat direct is getroffen door één of meer van de omstandigheden als in dat artikel genoemd.

(...)

D. Aanvullende verzekeringsvoorwaarden

6 Garantie uitsluiting

Ten tijde van het sluiten van deze verzekering is met verzekeraar overeengekomen dat onder deze verzekering in ieder geval zal worden uitgesloten de risico's vallende onder de fabrieksgarantie van de diverse voor het werk gebruikte componenten, mits de garantievoorwaarden door verzekeraars konden worden geaccepteerd. De inhoud van deze garantievoorwaarden waren bij het afgeven van dit verzekeringsdocument nog niet bekend en derhalve is in ieder geval een uitsluiting opgenomen als hieronder in (...) clausule K 931-300/3 vermeld:

K 931-300/3 GARANTIE-UITSLUITING

Uitgesloten is schade vallende onder de garantieverplichtingen van de leverancier van bedrijfstechnische apparatuur/machines. (...)

alsmede tot het moment waarop de garantievoorwaarden aan verzekeraars ter inzage zijn gegeven en de acceptatie door verzekeraars is uitgesproken, zullen echter eveneens uitgesloten zijn de risico's van schaden en/of kosten welke zich openbaren na levering door de leverancier, doch het gevolg zijn van een oorzaak, liggende voor levering. (...)"

2.7

Een aanhangsel 04 bij de polis d.d. 22 december 2004 luidt voor zover thans van belang als volgt:

"(...) De tekst van de aanvullende verzekeringsvoorwaarde 6 "Garantie uitsluiting" luidt correct als volgt:

"Met betrekking tot de bedrijfstechnische apparatuur/machines geldt dat van deze verzekering is uitgesloten schade aan deze bedrijfstechnische apparatuur/machines waarvan de oorzaak ligt voor de levering hiervan op de bouwplaats."

Het geschil

HGC vordert - samengevat - veroordeling van verzekeraars tot betaling van € 658.162,57, vermeerderd met rente en kosten.

Verzekeraars voeren gemotiveerd verweer; het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van HGC in de kosten van het geding, inclusief nakosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

De vordering is gegrond op de stelling, dat de schade als gevolg van de onder 2.3 bedoelde breuken gedekt is onder de polis; verzekeraars betwisten dat.

Ter zitting is met partijen afgesproken dat de rechtbank zal beslissen over de dekkingsvraag en de daarmee samenhangende stellingen aan beide zijden. Voor wat betreft de omvang van de in voorkomend geval te vergoeden schade en de daarmee samenhangende stellingen en verweren (zoals het beroep op art. 2 onder c van de polisvoorwaarden, de kosten van verbetering) zullen partijen na dit vonnis in onderling overleg pogen tot overeenstemming te komen; als dit overleg niet tot resultaat leidt zullen zij de dan resterende geschilpunten aan de rechtbank ter beslissing voorleggen.

Inhoud polisvoorwaarden- aanhangsel 04

4.2

Tussen partijen staat vast, dat HBG als aannemer verzekerde onder de polis is en Essent verzekeringnemer. Vast staat voorts, dat aan Essent en AON voor het ontstaan van de schade polisaanhangsel 04 is gezonden, maar niet aan HBG.

HBG stelt zich op het standpunt dat ten opzichte van haar, als derdeverzekerde, de wijziging van de dekkingsomvang die voortvloeit uit dat aanhangsel geen deel van de verzekeringsovereenkomst is gaan uitmaken. Verzekeraars menen, dat toezending conform de polisvoorwaarden ertoe leidt dat dit aanhangsel niet alleen ten opzichte van Essent maar ook ten aanzien van HGC deel van de dekkingsomschrijving in de polis is gaan uitmaken.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verzekeraars het gelijk aan hun zijde hebben.

Anders dan HBG stelt is zij geen derde, die door aanvaarding later is toegetreden. Zij heeft vanaf het begin als aannemer van Essent tot de kring van verzekerden behoord. Ook als juist is dat verzekeraars de naam van HBG niet kenden, waren zij in elk geval op de hoogte van het bestaan van een aannemer. HBG van haar kant was, naar vast staat, vanaf het begin op de hoogte van de CARpolis en zij moet geacht worden reeds bij aanvang de dekking onder de polis als derdenbeding ten gunste van haar aanvaard te hebben. De omvang van die dekking wordt daarbij bepaald door de polis, inclusief het genoemde aanhangsel.

4.4

Mededelingenclausule A 001-007, die deel uitmaakt van de polisvoorwaarden houdt in, dat mededelingen die verzekerde en verzekeraars aan elkaar dienen of wensen te doen eveneens als gedaan gelden, zodra deze ter kennis van AON zijn gebracht (Zie 2.6).

HBG meent, dat de kennisgeving van polisaanhangsel 04 niet gelijk staat aan een mededeling als bedoeld in deze clausule omdat, kort samengevat, deze clausule slechts ziet op minder belangrijke berichten en niet op een kennisgeving als de onderhavige, waarvan het belang groot is.

Verzekeraars betwisten dat en ook de rechtbank deelt die opvatting niet. Uitleg van de polis, inclusief deze clausule, aan de hand van de CAO-norm -dat dit de juiste maatstaf is staat tussen partijen, terecht, niet ter discussie- leidt tot het volgende. Uitgangspunt is dat het woord mededeling een algemene, neutrale betekenis heeft en alles omvat waarvan de afzender van de mededeling de ontvanger in kennis wenst te stellen; de importantie van de boodschap doet daarbij niet ter zake. In de clausule zelf wordt wel voorzien in de mogelijkheid van een groot belang, waar gesproken wordt van mededelingen die verzekeraars verzekerden dienen te doen (en vice versa). Het woord dienen impliceert een verplichting, die op haar beurt in de context van de verzekering duidt op een groter belang, bijvoorbeeld omdat de dekking wijzigt. Tenslotte moet uit de systematiek van de polisvoorwaarden als geheel, waar slechts deze clausule expliciet voorschriften geeft voor het berichtenverkeer en niet in een andere regeling is voorzien voor kennisgevingen of berichten van groot belang, worden opgemaakt dat ook berichten als het onderhavige op deze wijze kunnen worden verzonden.

In deze situatie kan HBG zich er niet op beroepen dat een kennisgeving van een wijziging in de dekking als hier aan de orde niet onder de werking van deze clausule valt.

4.5

Daaraan doet niet af dat AON de makelaar (en dus vertegenwoordiger) van Essent en niet van HBG is. In de eerste plaats voorziet de clausule uitdrukkelijk in mededeling aan verzekerden (dus niet alleen verzekeringnemer). In de tweede plaats lag het op de weg van HBG, en was het voor HBG in redelijkheid ook heel wel mogelijk, om ervoor te zorgen dat zij geïnformeerd zou blijven (zonder dat zij periodiek bij AON navraag moest doen). Zij had kunnen afspreken met AON (al dan niet via Essent) dat AON haar, HBG, op de hoogte zou houden van belangrijke wijzigingen in de verzekering. Nu zij beschikte over de initiële polis was HBG immers op de hoogte van deze clausule en wist zij dus ook, althans kon zij weten, dat eventuele wijzigingen naar AON zouden worden gezonden.

Dat geldt te meer nu de omvang van de dekking, naar zij -onbetwist- stelt voor haar van wezenlijk belang was en zij, bij ontoereikende dekking, overwogen zou hebben om een eigen verzekering af te sluiten.

4.6

Dat betekent, dat met de toezending aan AON het polisaanhangsel deugdelijk was meegedeeld en de daaruit voortvloeiende dekkingswijziging van de polis (waarvan de toelaatbaarheid op zich geen geschilpunt is) derhalve een feit was.

4.7

HBG meent, dat ten opzichte van haar die dekkingswijziging niet geldt omdat art. 3:36 BW meebrengt dat zij erop mocht vertrouwen dat de oorspronkelijke dekkingsomvang nog gold. Dit standpunt snijdt geen hout. Dat oordeel baseert de rechtbank op hetgeen hiervoor werd overwogen en daarnaast op de omstandigheid dat, zoals verzekeraars terecht opmerken, dat een kwestie is die hoogstens tussen Essent en HBG een rol kan spelen, nu HBG de polis van Essent ter beschikking heeft gekregen.

Een andersluidend oordeel zou bovendien de strekking van de CARpolis geweld aan doen. De bedoeling van zo'n polis is immers juist dat alle betrokkenen bij het werk onder dezelfde polis verzekerd zijn, onder meer om discussies omtrent de onderlinge verhoudingen en mogelijke onderlinge aansprakelijkheid zoveel mogelijk te vermijden.

Ook HBG heeft die wijziging dus tegen zich te laten gelden.

Uitleg

4.8

Vooropgesteld moet worden dat uit de tekst van polis en de voorwaarden blijkt dat het hier een CARpolis met een ruime dekking betreft. Dat de machines verzekerde interesten in de zin van art. 1 onder c zijn staat niet ter discussie; evenzeer in confesso is, dat sprake is van materiële schade. In beginsel biedt de polis op grond van art. 2 dekking voor alle materiële schade aan deze machines, hoe ook ontstaan; dat de uitzonderingen als bedoeld in a, b en d van dat artikel hier niet van toepassing zijn staat vast, over art. 2 c zullen partijen, ingevolge de ter zitting gemaakte afspraken, nader in overleg treden. De beperking van art. 2.1 is ingevolge het onderdeel "direct getroffen onderdeel" (zie 2.6 C) van de aanvullingen K971-002/1 niet van toepassing.

Voor de materiële schade als gevolg van een ontwerp- of constructiefout waarom het hier gaat is dus in beginsel dekking.

4.9

De uitsluiting waarop verzekeraars zich beroepen is die van artikel 6, zoals deze met inachtneming van aanhangsel 04 is komen te luiden.

Zij stellen zich op het standpunt, dat hier sprake is van schade waarvan de oorzaak ligt vóór de levering van de machines op de bouwplaats.

HBG betoogt daar tegenover dat de strekking, geschiedenis en systematiek van de polis een dergelijke uitleg niet toelaten, terwijl voorts, uitgaande van de causa proxima -leer, geen sprake is van een schadeoorzaak voor levering.

4.10.1

De rechtbank is van oordeel dat bij de uitleg van deze uitsluiting groot belang toekomt aan de strekking van de CARpolis.

De CARpolis voorziet in het algemeen in een maatschappelijke behoefte, waarvan ook verzekeraars zich bewust zijn. Het is de bedoeling dat op eenvoudige wijze dekking wordt geboden voor schade aan de verzekerde interesten op het werk die het gevolg is van alle mogelijke oorzaken. In dit specifieke geval hebben verzekeraars, voor een project waarvan de innovatieve aard bekend was, gekozen voor een zeer ruime dekking. Daarbij hebben zij zich niet alleen verbonden om geen beroep te doen op bepaalde wettelijke verweren, maar zij hebben ook in de standaardpolis voorziene uitsluitingen bij aanvullende voorwaarden als geciteerd onder 2.6.C weer ingesloten.

4.10.2

De thans relevante uitsluiting is, ook na incorporatie van de tekst uit aanhangsel 004, voorzien van het kopje "garantie-uitsluiting".

De aanvankelijke tekst van art. 6 was duidelijk toegesneden op de situatie dat bepaalde schade zowel aanspraak zou geven op garantie van de leverancier als uitkering onder de polis. Verzekeraars hadden er daarom voor gekozen, zoals hen, zoals zij met recht aanvoeren, ook vrij stond, om die uit te sluiten. De daarbij voorziene procedure, die toezending en beoordeling van garantievoorwaarden omvatte, was bewerkelijk en in de praktijk slecht hanteerbaar. Om die reden is gekozen voor een veel eenvoudiger benadering, die tot uiting komt in de tekst van aanhangsel 04. De plaats van die tekst in het systeem van de polis is echter dezelfde gebleven.

Tegen die achtergrond moet deze bepaling worden geïnterpreteerd.

4.10.3

Voorts dient rekening gehouden te worden met de systematiek van en samenhang in de polis en met de omstandigheid dat uitsluitingen naar hun aard beperkt moeten worden uitgelegd.

4.11

De uitleg onder 4.10 leidt ertoe, dat de schade waarvan HBG thans vergoeding vordert onder de dekking van de polis valt en niet onder het bereik van de uitsluiting. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de volgende overwegingen.

4.11.1

Het is inmiddels duidelijk dat het hier in de kern gaat om een ontwerp- en/of constructiefout. HBG heeft uit de van Ariel betrokken compressor en de van Schorch betrokken elektromotor de machines gebouwd die, als deel van het werk, ingezet zouden moeten worden op dit innovatieve project. Zowel de compressor, de motor als de krukas in elk van beide machines was op zich beschouwd deugdelijk; dat hebben verzekeraars niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Ook het samenstel, in de zin van de complete machine, was op zich beschouwd, deugdelijk en kon, naar in confesso is, naar behoren functioneren in de zin dat de machine deed waartoe zij was bestemd.

Het probleem dat heeft geleid tot de scheuren in de krukas is gelegen in de omstandigheid dat HBG niet heeft onderkend dat een deel van het bereik waarvoor de machines moesten worden ingezet -met name tussen 400 en 490 rpm- in de, voor deze machines, kritische toerentallen viel, waardoor zij daartegen ook geen adequate maatregelen heeft genomen.

4.11.2

Dat de breuken zijn opgetreden bij normaal gebruik en dat/of dit aan HBG te verwijten valt, omdat zij ondeugdelijk werk heeft geleverd, de torsietrillingsberekeningen niet naar behoren heeft uitgevoerd althans laten uitvoeren en/of onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen is weliswaar aannemelijk, maar niet van belang, nu de polis verzekeraars uitdrukkelijk een beroep op eigen schuld etc. ontzegt.

Als het probleem wordt bezien als constructiefout en/of fout in het ontwerp is daaruit voortvloeiende schade, gelet op art. 2.1 in combinatie met de insluiting van de daar uitgesloten dekking ingevolge de aanvullende voorwaarde (zie 2.6C), gedekt.

Een uitleg van de uitsluiting van aanhangsel 04 die ertoe leidt dat deze uitdrukkelijke insluiting alsnog niet van toepassing is, is in zodanige mate in strijd met doel, strekking en systematiek van de polis dat deze niet aanvaard kan worden en dat HBG, die bij de totstandkoming van de verzekering niet betrokken is geweest, daarmee ook geen rekening behoefde te houden.

Dat zou wellicht anders zijn als het hier een geval betrof waarin, anders dan in het onderhavige geval, evident aanspraak gemaakt zou kunnen worden op garantie van de leverancier; de bepaling is immers nog steeds aangeduid als garantie-uitsluiting, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover verzekeraars hebben willen betogen dat daarvan sprake is is dat in strijd met hun stellingen over de aard van de problematiek en overigens onvoldoende onderbouwd.

4.11.3

Voor de stelling bij pleidooi dat met het aanhangsel is bedoeld de dekking verder te beperken dan met alleen gevallen waarin garantie wordt gegeven door een leverancier bieden verzekeraars bewijs aan, maar daaraan komt de rechtbank niet toe. Het gaat immers niet om de bedoelingen van verzekeraars en de eventuele kenbaarheid daarvan (Haviltex-maatstaf) maar om de uitleg van de tekst van de polis zoals die na incorporatie van het aanhangsel luidde volgens de objectieve maatstaf van de CAO-norm. Die is hiervoor gegeven.

4.12

Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat HBG misbruik maakt van verzekering. In beginsel mag een ieder gebruik maken van zijn rechten, ook als er een mogelijkheid openstond die voor de betreffende wederpartij gunstiger zou zijn. Bij een verzekering, die immers bedoeld is om de (soms eigen) schade af te wentelen op de verzekeraar, geldt dat te meer. Misbruik van verzekering kan pas aan de orde zijn in zeer bijzondere omstandigheden. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft HBG gesteld dat zij inderdaad heeft verzuimd haar rechten jegens de verzekeraar onder een andere polis veilig te stellen. Voorts heeft zij medegedeeld dat zij Ariel niet heeft aangesproken, omdat Ariel (naar ook in dit geding moet worden aangenomen) geen fouten heeft gemaakt, maar deugdelijke assen heeft geleverd. HBG heeft echter tevens medegedeeld dat zij, in een procedure in Duitsland, de aansprakelijkheid van het bureau dat voor haar de torsietrillingscalculaties heeft uitgevoerd heeft doen vast stellen en aldus haar rechten (en de eventueel bestaande) regresrechten van verzekeraars heeft veilig gesteld. Als dat juist is -en de rechtbank gaat daarvan voorshands uit- is het enige argument dat verzekeraars aanvoeren, te weten dat HBG de weg heeft gekozen die voor haar het voordeligst is en de kans op nadeel voor verzekeraars maximeert, feitelijk onjuist. Aan de eisen die in de jurisprudentie en literatuur worden gesteld is dan in elk geval niet voldaan.

In geval mocht blijken dat die mededeling van HBG onjuist is gaat de rechtbank ervan uit dat partijen dit punt, in het kader van de afspraken omtrent het nadere schadedebat, in een later stadium nader zullen voorleggen.

4.13

Eerst bij pleidooi hebben verzekeraars zich beroepen op art. 37 in die zin dat zij menen dat HBG onvoldoende informatie heeft verschaft en een beroep gedaan op de daarbij voorziene sanctie van verval van rechten. HBG heeft daarop, gelet op het stadium van de procedure waarin verzekeraars de sanctie inroepen, bij pleidooi nadere inlichtingen verschaft en toegezegd nadere stukken te verschaffen; daarmee is, mede in aanmerking genomen de afspraken die partijen hebben gemaakt over de voortzetting van het schadedebat, in beginsel voldoende aan die verplichting voldaan. Voorts geldt hetzelfde als hiervoor in het slot van 4.12 werd overwogen.

Ter voorkoming van misverstand merkt de rechtbank op dat HBG verplicht is om verzekeraars volledig op de hoogte te stellen van andere verzekeringen en verhaalsacties, alsmede alle inlichtingen te verschaffen omtrent de hoogte en opbouw van de schade, het geven van een ordentelijke, gestructureerde toelichting daaronder begrepen.

4.14

De conclusie is dus, dat de polis dekking biedt voor de onderhavige schade.

Tot welke betalingsverplichting dat leidt zullen partijen samen nader bespreken.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de parkeerrol. De meest gerede partij kan deze doen opbrengen voor royement dan wel, zo nodig, voor nadere discussie en beslissing.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 3 oktober 2012;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. R. Verschuur en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.

106/2148