Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3809

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
290441 / HA ZA 07-2089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen gemeente door bouwvergunning te weigeren. Causaal verband tussen normschending en schade is in geschil. Proportionele schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/296

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 290441 / HA ZA 07-2089

Vonnis van 11 april 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROZENKWEKERIJ PINK DELIGHT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. S.O. Voogt te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM (DEELGEMEENTE OVERSCHIE),

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.M.M. Ferwerda te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Pink Delight en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken,

- de akte na tussenvonnis, tevens inhoudende wijziging van eis, aan de zijde van Pink Delight, met producties,

- de akte na tussenvonnis aan de zijde van de Gemeente,

- de brief van de raadsvrouw van de Gemeente d.d. 28 september 2011,

- de brief van de raadsman van Pink Delight d.d. 4 oktober 2011, met producties,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 10 oktober 2011,

- de brief van de raadsvrouw van de Gemeente d.d. 24 oktober 2011.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

In onderhavige zaak draait het - kort weergegeven - om het volgende. De Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld jegens Pink Delight door bij besluit van 14 januari 1999 een bouwvergunning voor het vergroten van een kas ten behoeve van Pink Delight te weigeren en dit besluit op 27 juli 1999 te handhaven. Tussen partijen is in geschil in hoeverre Pink Delight hierdoor schade heeft geleden. De Gemeente heeft betwist dat Pink Delight financiering had kunnen verkrijgen om haar uitbreidingsplannen te realiseren. Voorts heeft de Gemeente betwist dat Pink Delight deze financiering niet meer kon verkrijgen op het moment dat haar de bouwvergunning wel is verleend (18 juli 2001). Met het oog hierop heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 18 november 2009 een deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 22 oktober 2010 twee versies van zijn deskundigenbericht uitgebracht, te weten één versie waarbij rekening is gehouden met de inbreng van financiering door een derde en één versie waarbij hiermee geen rekening is gehouden. In de eerstgenoemde versie schat de deskundige de kans dat de benodigde financiering zou zijn toegewezen in op 90% en in de laatstgenoemde versie schat de deskundige deze kans in op 40 tot 50%. In beide versies heeft de deskundige de vraag of Pink Delight op het moment dat de bouwvergunning alsnog door de Gemeente was verleend de benodigde financiering had kunnen krijgen negatief beantwoord.

In het tussenvonnis van 20 juli 2011 heeft de rechtbank overwogen dat de tot dat moment voorhanden zijnde informatie onvoldoende was om aan te nemen dat de financiering door een derde destijds zou zijn verstrekt. Pink Delight is vervolgens in de gelegenheid gesteld haar stelling dat dit het geval zou zijn geweest nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Voor het geval deze financiering door een derde niet komt vast te staan, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld nader te debatteren omtrent de vraag of in dit geval ruimte is voor een proportionele schadevergoeding. Pink Delight is voorts in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verweer van de Gemeente dat de redenen waarom Pink Delight op het moment dat de bouwvergunning alsnog door de Gemeente was verleend de benodigde financiering niet meer had kunnen krijgen niet aan de Gemeente kunnen worden toegerekend. Tot slot zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de modaliteiten van een eventueel nieuw te gelasten deskundigenbericht teneinde de hoogte van de door Pink Delight geleden schade vast te stellen. De rechtbank heeft vervolgens een comparitie van partijen gelast en partijen hebben voorafgaand aan deze comparitie ieder hun standpunt in een akte nader uiteen gezet.

Wijziging van eis

In haar akte na tussenvonnis heeft Pink Delight haar eis gewijzigd. In haar dagvaarding had Pink Delight haar schade beperkt tot 1 juli 2007 (zoals door de rechtbank expliciet vastgesteld in haar tussenvonnis van 18 maart 2009 onder 5.7). In haar akte na tussenvonnis heeft Pink Delight aangegeven dat zij thans geen aanleiding meer ziet haar schade tot genoemde datum te beperken.

De Gemeente heeft zich verzet tegen deze wijziging van eis, aangezien zij een eisvermeerdering in dit stadium van de procedure in strijd acht met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank gaat aan het bezwaar van de Gemeente voorbij. Ingevolge artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te vermeerderen zolang nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij een dergelijke vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De beslissingen die tot op heden in onderhavige procedure zijn genomen, zagen op de vraag of de Gemeente aansprakelijk is voor de door Pink Delight gestelde schade en (nog) niet op de hoogte van deze schade. Door het toestaan van onderhavige eisvermeerdering zal de procedure derhalve niet worden vertraagd. Evenmin is de Gemeente hierdoor in haar belangen geschaad nu zij heeft kunnen reageren op deze eisvermeerdering. Niet gezegd kan derhalve worden dat de eisvermeerdering in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank zal recht doen op de aldus gewijzigde eis.

Het voorgaande brengt met zich dat de door Pink Delight gevorderde schade niet langer beperkt is tot 1 juli 2007. De rechtbank merkt hierbij wel op dat door deze vermeerdering van eis de door Pink Delight in haar dagvaarding gevorderde bedragen niet zijn gewijzigd.

Financiering door een derde

Zoals in het tussenvonnis van 20 juli 2011 vermeld heeft de heer [X] d.d. 30 juli 2010 een schriftelijke verklaring opgesteld, waarin hij bevestigt dat hij in de eerste helft van 1999 zonder enige aarzeling bereid zou zijn geweest om middels de verstrekking van een achtergestelde lening van maximaal 400.000 gulden financiële ondersteuning te verlenen wanneer dat voor het verkrijgen van een passende financiering bij de bank noodzakelijk zou zijn geweest. De deskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat het niet ongewoon was dat na een afwijzing van een financieringsaanvraag gezocht werd naar additionele financiering bij derden en dat deze financiering in familiekring of binnen kerkelijke gemeenschappen regelmatig werd gevonden. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat hij op basis van de door [X] gegeven informatie de vraag of [X] hiertoe financieel in staat was positief beantwoordt.

Bij haar akte na tussenvonnis heeft Pink Delight een nadere verklaring van [X] d.d. 23 september 2011 overgelegd. In deze verklaring geeft [X] onder meer aan dat een mogelijke financiering door hem reeds in 1999 ter sprake is gekomen. Hij heeft dit destijds besproken met één van zijn zakenpartners. Voorts schetst [X] in deze verklaring wat zijn relatie is met het echtpaar [Y] (de middellijk statutair directeuren van Pink Delight). Verder geeft hij aan dat hij privé deze financiering had kunnen opbrengen.

Pink Delight heeft daarnaast een e-mailwisseling tussen [X] en zijn zakenpartner uit augustus 2011 overgelegd. De mail van [X] d.d. 20 augustus 2011 houdt - voor zover thans van belang - het volgende in: "(...) Zoals je weet hebben wij een aantal jaren geleden gesproken over het meedoen in de financiering v[Y]uw van [Y]. (...)". De e-mail van de zakenpartner d.d. 24 augustus 2011 houdt - voor zover thans van belang - het volgende in: "(...) Het is inderdaad wel even geleden dat dit speelde (...) Juist vanwege de niet geïsoleerde locatie, vond ik die tuin van [Y] aan de [adres], sowieso interessant. Maar goed het ging om het financieren van hun plannen. Zoals je weet ben ik eigenlijk er een tegenstander van dat een van onze aandeelhouders privé in zo'n traject zou stappen. Dat weet jij ook en daarop had je waarschijnlijk dan ook al geanticipeerd. Hoe dan ook, het is niet doorgegaan dus we hebben toen niets hoeven doen. Maar het is duidelijk dat wanneer die lening echt op tafel had moeten komen, dan hadden we die vanuit [Z] gedaan en dan had die er zeker ook gekomen. (...)".

Ter onderbouwing van de stelling dat [X] dan wel KBS, het bedrijf waarvan hij aandeelhouder was en is, financieel in staat was de lening te verstrekken, heeft Pink Delight nog een verklaring van de accountant van [X] overgelegd d.d. 3 oktober 2011 waaruit het privévermogen van [X] per 31 december 1997 blijkt en een verklaring van de accountant van [X] d.d. 27 september 2011 waarin wordt aangegeven op welk bedrag en op basis waarvan de door [X] gehouden aandelen in KBS per 25 februari 1997 zijn gewaardeerd.

Ter comparitie heeft [X] een en ander in persoon nader toegelicht.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande voorshands voldoende is komen vast te staan dat destijds financiering door een derde tot een maximum van 400.000 gulden zou zijn verstrekt. [X] heeft aangegeven dat tussen hem en (in eerste instantie) de heer [Y] en (later) mevrouw [Y] een decennialange hechte band bestaat, welke band zowel vriendschappelijk, kerkelijk als zakelijk is. Zoals hiervoor vermeld heeft de deskundige in zijn rapport aangegeven dat bij dergelijke banden financiële hulp door middel van het verstrekken van een lening niet ongebruikelijk is. [X] heeft verklaard dat dergelijke hulp in 1999 ook concreet ter sprake is gekomen. Zijn verklaring wordt op dit punt ondersteund door de hiervoor vermelde e-mailwisseling. Het feit dat niet duidelijk is of de financiering door [X] in privé of door KBS zou zijn verstrekt, doet hier niet aan af. Op basis van de overgelegde stukken is voorshands voldoende komen vast te staan dat zowel [X] als KBS financieel in staat zou zijn geweest de bedoelde lening te verstrekken. Weliswaar zijn er geen gegevens uit 1999 overgelegd, doch cijfers uit 1997. Achtergrond hiervan is echter dat in 1997 een aandelentransactie heeft plaatsgevonden, waardoor exact aangegeven kan worden hoeveel de aandelen KBS op dat moment waard waren. [X] heeft ter comparitie onbetwist gesteld dat KBS vanaf dat moment alleen maar groei heeft gekend.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voorshands bewezen is dat Pink Delight in 1999 de voor de bancaire financiering benodigde lening van een derde had kunnen verkrijgen. De Gemeente zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren.

Proportionele schadevergoeding

Voor het geval de Gemeente slaagt in het tegenbewijs en te zijner tijd niet komt vast te staan dat de benodigde financiering door een derde zou zijn verkregen, overweegt de rechtbank het volgende. In dat geval heeft de deskundige de kans dat de bancaire financiering zou zijn verkregen ingeschat op 40 tot 50%. Pink Delight heeft voor dat geval betoogd dat de door haar gevorderde schade voor een gelijk percentage dient te worden toegewezen. Zij heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2006, LJN AU6092 ([Q]) en gesteld dat de daarin omschreven rechtsregel uitdrukkelijk relevant is voor onderhavige casus. Het zou uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om de onzekerheid over de mate waarin het onrechtmatig handelen van de Gemeente heeft bijgedragen tot de schade van Pink Delight in zijn geheel voor rekening van Pink Delight dan wel geheel voor rekening van de Gemeente te laten komen, aldus Pink Delight.

De Gemeente heeft betoogd dat in het hier bedoelde geval niet is komen vast te staan dat Pink Delight daadwerkelijk de financiering had kunnen verkrijgen. Op basis van het deskundigenbericht is in dat geval derhalve niet komen vast te staan dat Pink Delight daadwerkelijk schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van de Gemeente. De leer van de proportionele aansprakelijkheid speelt hierbij geen rol, aldus nog steeds de Gemeente.

De rechtbank overweegt als volgt. Pink Delight vordert in onderhavige procedure de schade die zij stelt te hebben geleden doordat zij in 1999 haar bedrijf niet heeft kunnen uitbreiden. Indien wordt uitgegaan van het deskundigenrapport waarbij een financiering door een derde niet is meegenomen, is op basis van dit rapport komen vast te staan dat er een kans van 50 tot 60% is dat de door Pink Delight gestelde schade niet is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Gemeente, aangezien Pink Delight haar bedrijf sowieso niet had kunnen uitbreiden, omdat zij hiervoor geen financiering had kunnen krijgen. Er is in dat geval echter een kans van 40 tot 50% aanwezig dat de schade wel is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Gemeente.

Artikel 6:98 BW bepaalt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Dit betekent dat in beginsel slechts sprake kan zijn van toerekening indien is voldaan aan de eis van het conditio-sine-qua-non-verband. Dit beginsel wordt echter genuanceerd door de door de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest [Q] geformuleerde rechtsregel van de proportionele aansprakelijkheid. In zijn arrest van 24 december 2010, LJN BO1799 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechtsregel met terughoudendheid moet worden toegepast, maar blijkt wel dat deze ook buiten het gebied van de letselschade kan worden toegepast.

De rechtbank is van oordeel dat het in onderhavige zaak redelijker is om de onzekerheid over het conditio-sine-qua-non-verband tussen de normschending en de schade over partijen te verdelen dan deze onzekerheid volledig voor risico van Pink Delight te laten komen en overweegt hiertoe als volgt. De aansprakelijkheid van de Gemeente staat vast en is door haar ook erkend. De Gemeente heeft in januari 1999 een door Pink Delight benodigde bouwvergunning geweigerd en deze weigering in juli 1999 gehandhaafd. Pas in juni 2001 (circa twee jaar later) heeft de Gemeente het besluit van juli 1999 ingetrokken en alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend. Vast staat dat de bouwvergunning ten doel had de kas van Pink Delight te vergroten, hetgeen nodig was om haar bedrijf met winst te exploiteren. Voorts staat inmiddels vast dat op het moment dat de bouwvergunning werd verleend, de geplande vergroting financieel niet meer haalbaar was. Pink Delight bestaat nog steeds, maar is niet winstgevend. De norm die de Gemeente heeft geschonden, strekt er juist toe burgers te beschermen tegen schade als gevolg van onzorgvuldige besluitvorming. Nu voorts een niet zeer kleine kans bestaat dat het conditio-sine-qua-non-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is, namelijk 40 tot 50%, acht de rechtbank in onderhavige zaak toepassing van de hierbedoelde rechtsregel gerechtvaardigd.

Het voorgaande betekent dat indien niet komt vast te staan dat de benodigde financiering door een derde zou zijn verkregen, 45% van de door Pink Delight geleden schade voor toewijzing vatbaar is.

Toerekenbaarheid oorzaken niet verkrijgen financiering in 2001

De Gemeente heeft betoogd dat de redenen waarom Pink Delight op het moment dat de bouwvergunning alsnog was verleend de benodigde financiering niet meer kon verkrijgen, te weten de verslechterde gezondheidstoestand van de heer [Y] en de veranderde financiële positie van het echtpaar [Y] waardoor een eigen inbreng nagenoeg niet meer mogelijk was, niet aan haar vallen toe te rekenen, waardoor het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Gemeente en de door Pink Delight geleden schade ontbreekt.

De rechtbank gaat aan deze stelling van de Gemeente voorbij. Indien de Gemeente niet onrechtmatig zou hebben gehandeld, zou de vergroting van de kas van Pink Delight reeds zijn gerealiseerd (dan wel was de kans hierop 40 tot 50%) op het moment dat de heer [Y] ziek werd en voorts had in dat geval het echtpaar [Y] niet op zijn eigen vermogen hoeven interen. Het feit dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan nadat het onrechtmatig handelen van de Gemeente heeft plaatsgevonden, doorbreekt het causaal verband derhalve niet. Dit brengt met zich dat de Gemeente ook aansprakelijk is voor de schade die Pink Delight na 18 juli 2001 heeft geleden.

Kosten reeds uitgebracht deskundigenbericht

In haar akte na tussenvonnis heeft Pink Delight de rechtbank verzocht om zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen over de vraag wie van partijen de kosten van het reeds uitgebrachte deskundigenbericht ad € 19.545,75 dat Pink Delight heeft voorgeschoten, moet dragen. De Gemeente heeft zich verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

De rechtbank overweegt als volgt. De vraag wie van partijen uiteindelijk de kosten van een uitgebracht deskundigenbericht voor zijn of haar rekening dient te nemen, wordt beslist bij de proceskostenbeslissing ex artikel 237 Rv. Deze proceskostenbeslissing wordt pas bij eindvonnis gegeven. De rechtbank ziet geen ruimte om deze beslissing voor wat betreft de kosten van het deskundigenbericht reeds thans te geven. Onderhavig verzoek van Pink Delight wordt mitsdien afgewezen.

Vaststelling hoogte van de schade

Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis d.d. 20 juli 2011 reeds heeft overwogen, is een nieuw deskundigenbericht noodzakelijk teneinde de hoogte van de schade die Pink Delight als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Gemeente heeft geleden, vast te stellen.

Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over aantal en persoon van de deskundigen. Zij hebben gezamenlijk voorgesteld zowel dhr. [W], bedrijfsschade-expert bij [A], als dhr. Ing. [B], kantoorvoorzitter/directeur accountancy bij ACCON AVM Accountants B.V. (welke zal samenwerken met zijn collega dhr. ir. [C], senior consultant tuinbouw) als deskundige te benoemen. De rechtbank zal hiertoe overgaan.

Mede in aanmerking genomen hetgeen partijen omtrent de aan de deskundigen voor te leggen vragen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank de in het dictum te vermelden vragen aan de deskundigen ter beantwoording voorleggen. De deskundigen zullen partijen in de gelegenheid moeten stellen vooraf hun visie naar voren te brengen omtrent de wijze waarop de bedrijfsschade berekend dient te worden en of hierbij de schadeperiode beperkt dient te worden in tijd. Voorts dienen de deskundigen alvorens zij hun definitieve deskundigenbericht opstellen een concept-rapport aan partijen te zenden en partijen in de gelegenheid te stellen hierop hun commentaar te geven. In het definitieve deskundigenbericht dienen de deskundigen vervolgens gemotiveerd te reageren op dit commentaar.

Voormelde deskundigen hebben zich bereid verklaard als zodanig op te treden, desgevraagd te kennen gegeven geen binding met partijen te hebben en niet betrokken te zijn bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen.

De deskundige [W] heeft het aan zijn onderzoek verbonden loon en de kostenvergoeding begroot op

€ 32.500,- inclusief BTW, gebaseerd op maximaal 128 uren arbeid en een uurtarief van € 200,- exclusief BTW. De deskundige [B] heeft het aan zijn onderzoek verbonden loon en de kostenvergoeding begroot op € 9.891,28 inclusief BTW, gebaseerd op 17 uren arbeid tegen een uurtarief van € 216,- exclusief BTW en 29 uren tegen een uurtarief van € 160,- exclusief BTW. Nu hiervoor is vastgesteld dat de Gemeente in ieder geval deels aansprakelijk is voor de door Pink Delight geleden schade en onderhavig deskundigenbericht noodzakelijk is ter vaststelling van de hoogte van deze schade, dient de Gemeente het totaal begrote bedrag ad € 42.391,28 als voorschot te deponeren.

De rechtbank houdt iedere overige beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen,

laat de Gemeente toe tot het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Pink Delight dat zij in 1999 de voor de bancaire financiering benodigde lening van een derde had kunnen verkrijgen,

bepaalt dat de Gemeente, indien zij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2012 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

bepaalt dat de Gemeente, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank en aan de wederpartij moet opgeven,

beveelt een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Hoe hoog is de bedrijfsschade die Pink Delight heeft geleden doordat zij in 1999 haar kas niet heeft kunnen vergroten op een wijze en met een financiering als vermeld in het in onderhavige zaak reeds uitgebrachte deskundigenrapport (versie met inbreng derdenfinancier) d.d. 22 oktober 2010?

2) Wilt u bij de beantwoording van voormelde vraag in ieder geval aandacht besteden aan de volgende punten:

- de invloed van de bewegingen op de (rozen)markt op het bedrijfsresultaat,

- de vraag of de verslechterde gezondheidstoestand van de heer [Y] invloed zou hebben gehad op het bedrijfsresultaat.

3) Wilt u gemotiveerd en onderbouwd aangeven op welke wijze u de bedrijfsschade heeft berekend en waarom u voor de door u toegepaste berekeningswijze hebt gekozen?

4) Wilt u voorts aangeven wat de bedrijfsschade is indien uitgegaan wordt van de versie van het deskundigenrapport d.d. 22 oktober 2010 zonder inbreng derdenfinancier.

5) Welke opmerkingen acht u verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

benoemt tot deskundigen die het onderzoek zullen verrichten:

dhr. [W]

bedrijfsschade-expert bij [A]

Postbus 234

8000 AE Zwolle

Tel: [nummer]

E-mail: [adres]

en

dhr. Ing. [B]

kantoorvoorzitter/directeur accountancy bij ACCON AVM Accountants B.V.

Postbus 125

5300 AC Zaltbommel

Tel: [nummer]

E-mail: [adres]

bepaalt dat de Gemeente binnen vier weken na heden het voor de deskundige bestemde voorschot ad

€ 42.391,28 overmaakt naar bankrekeningnummer 56.99.90.688 ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam (545), onder vermelding van het zaak- en rolnummer, alsmede: "voorschot deskundigenbericht";

draagt de griffier op aan genoemde deskundige mede te delen dat het voorschot is gestort;

bepaalt dat bij achterwege blijven van storting van het voorschot de zaak zal worden verwezen naar de rol van 23 mei 2012 voor conclusie na niet-uitgebracht deskundigenbericht;

bepaalt dat Pink Delight het procesdossier in afschrift aan de deskundige doet toekomen;

bepaalt dat het onderzoek zal plaatsvinden op een nader door de deskundige na overleg met de advocaten (raadslieden) van partijen te bepalen plaats en tijd;

bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.15 is overwogen, en daarvan moet doen blijken in het door hem op te maken deskundigenbericht;

bepaalt dat het ondertekende deskundigenbericht uiterlijk vijf maanden nadat de griffier heeft medegedeeld dat het voorschot is voldaan, zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank;

bepaalt dat de deskundige bij de inlevering van het deskundigenbericht een gespecificeerde opgave doet van het loon en de kostenvergoeding;

bepaalt dat Pink Delight vier weken nadat het deskundigenbericht bij de griffie van deze rechtbank is ingeleverd in de gelegenheid is ter rolle een conclusie na deskundigenbericht te nemen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.

204/106