Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3662

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/3611
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd wegens een illegale radio-uitzending

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2012 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigden: mr. M. Smit en mr. D. van Bolhuis.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van de artikelen 15.1, eerste lid, 15.2, eerste lid, en 15.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Tw), en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eiser een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 10.9, eerste lid, van de Tw.

Bij besluit van 14 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2012. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Artikel 10.9, eerste lid, van de Tw luidt als volgt:

“Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten is slechts toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.”

2. Op 17 november 2010 heeft verweerder aan eiser de ‘Voorlichtingsbrief nieuw beleid illegale uitzendingen’ aangetekend en per gewone post verzonden. In deze brief heeft verweerder geconstateerd dat eiser beschikte over een antenne-installatie die bij uitstek geschikt is voor (illegale) uitzendingen in de FM-omroepband. Verder heeft verweerder erop gewezen dat bij het constateren van een illegale uitzending handhavend zal worden opgetreden.

3. Op 30 december 2010 heeft volgens waarneming van verweerder op het perceel van eiser, [adres] te [woonplaats], zonder vergunning een radiouitzending plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan is op 11 januari 2011 een rapport van bevindingen opgemaakt.

4. Op 10 maart 2011 heeft verweerder aan eiser een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete en last onder dwangsom doen toekomen. Eiser is hierbij ook in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de zogenaamde spijtoptantenregeling, waarbij eiser in aanmerking voor boetevermindering zou kunnen komen indien hij binnen vijf werkdagen na verzending van het voornemen de antennes van zijn perceel zou verwijderen. Eiser heeft per mail van 14 maart 2011 een schriftelijke zienswijze ingediend.

5. Op 22 maart 2011 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat er nog zes gepolariseerde antennes in eisers mast gemonteerd waren. Hiervan is op 23 maart 2011 een rapport van bevindingen opgemaakt.

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 2500,- opgelegd, en daarnaast een last onder dwangsom van € 2250,- per geconstateerde overtreding per dag, met een maximum van € 33.750,-.

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 30 december 2010 niet thuis was, omdat hij met zijn vrouw in Katwijk was. Hij verwijst hiervoor naar een verklaring van [naam]. Verder stelt eiser dat hij alleen een ontvangstmast heeft met daarin zes ontvangstantennes afgesteld op 75 ohm en niet op 50 ohm, welke impedantie volgens eiser vereist is voor een signaal op de FM-band. Tot slot ontbreken er volgens eiser nog onderzoeks¬rapporten waaruit blijkt dat de uitzending vanaf zijn perceel is gepleegd. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat zijn de buren ook een mast hebben met daarin antennes.

Beoordeling

8. De rechtbank is van oordeel dat de Rapporten van bevindingen van 11 januari 2011 en 23 maart 2011 en het aanvullend Rapport van bevindingen van 27 oktober 2011, die gebaseerd zijn op radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en visuele waarnemingen, toereikend zijn om met voldoende zekerheid vast te stellen dat het gepeilde radio¬communicatie¬signaal, zoals omschreven in de Rapporten van bevindingen, afkomstig is van de antennemast op eisers perceel.

9. Eisers stelling dat hij op 30 december 2010 niet thuis was, kan aan het voorgaande niet afdoen, omdat ook zonder de fysieke aanwezigheid van personen radio-uitzendingen kunnen worden verzorgd. Daarnaast heeft eiser de verklaring van [naam] niet met enig feitelijk bewijs onderbouwd, zodat aan deze verklaring niet die waarde gehecht kan worden die eiser daaraan hecht. Voorts had eiser als eigenaar van het perceel het in zijn macht gehad om het begaan van de overtreding te voorkomen. Door de antennes, ondanks de brief van 17 november 2010, niet uit de mast te verwijderen heeft eiser de kans aanvaardt dat hij zelf dan wel een ander een overtreding zou begaan.

10. Eisers stelling dat de antennes zodanig afgesteld zijn dat zij niet geschikt zijn om daarmee in de FM-band uit te zenden, is niet met enig bewijs onderbouwd.

11. Eisers stelling dat het door de toezichthouder van verweerder waargenomen radiosignaal afkomstig zou kunnen zijn van een antennemast op het perceel van de buren heeft eiser onvoldoende onderbouwd.

12. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gezien de gegeven uiteenzetting over de werkwijze bij het uitvoeren van radiopeilingen, de bewijskracht van de peilingen en de door de toezichthouder waargenomen antenne, er geen aanleiding is eiser te volgen in de door hem naar voren gebrachte twijfels over de betrouwbaarheid van de door de opsporingsambtenaar uitgevoerde metingen.

13. Het beroep is dan ook ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.