Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3651

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/1172 GEMWT-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbenden sinds de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2006, waarin werd geoordeeld dat zij, in strijd met de geldende planvoorschriften, hun recreatiewoning aan [adres] gebruiken voor permanente bewoning, de permanente bewoning hebben beëindigd.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van verweerder ligt om de voor het vermoeden, dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften, vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan belanghebbenden om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval onvoldoende feiten vastgesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dat de recreatiewoning aan [adres] na 4 mei 2006 permanent door belanghebbenden wordt bewoond.

De rechtbank ziet, gelet op het tijdsverloop, waardoor niet aannemelijk is dat het gebrek in de besluitvorming nog door middel van nader onderzoek kan worden hersteld, aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en daarbij het primaire besluit te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/1172 GEMWT-T1

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te Ouddorp, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goedereede, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 11 april 2008 heeft verweerder eiser en mevrouw X (hierna: [X], gezamenlijk te noemen: belanghebbenden) gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan [adres 1] te Ouddorp (hierna: de recreatiewoning) te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per maand of gedeelte van een maand, met een maximum van € 50.000,--.

Bij besluit van 4 februari 2009 heeft verweerder het op 22 mei 2008 tegen het besluit van

11 april 2008 (hierna: het primaire besluit) ingediende bezwaarschrift, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2009, procedurenummer AWB 09/837 GEMWT-T1, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 februari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen.

Bij uitspraak van 27 oktober 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het door verweerder ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij het primaire besluit is herroepen. Voor het overige heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft verweerder, opnieuw beslissend op het bezwaarschrift van 22 mei 2008, de bezwaren wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Eiser en [X] zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Boer.

2 Overwegingen

Belanghebbenden zijn op 2 maart 2004 eigenaar geworden van de recreatiewoning. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Kriekel” rust op het betreffende perceel de bestemming “Rzt - zomerhuizenterrein”. Volgens artikel 14, derde lid, van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - wordt ten aanzien van bouwwerken onder “strijdig gebruik” in ieder geval verstaan het gebruik van een zomerhuis voor permanente bewoning.

Bij besluit van 23 september 2005 heeft verweerder belanghebbenden gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per maand met een maximum van € 25.000,--.

Verweerder heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 september 2005 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 mei 2006 heeft de rechtbank het door belanghebbenden ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name waarde gehecht aan het feit dat belanghebbenden gebruik maakten van hypotheekrenteaftrek voor de recreatiewoning, hetgeen alleen mogelijk is voor woningen waarin iemand zijn permanent verblijf heeft. Daarnaast heeft de rechtbank de visuele waarnemingen door medewerkers van het bureau MB-ALL B.V. (hierna: MB-ALL), de verklaringen van belanghebbenden omtrent de reden van aankoop en gebruik van de recreatiewoning, alsmede de woonsituatie op [adres 2] te Ouddorp - waar belanghebbenden naar zij stellen met de ouders van eiser samenwonen - van belang geacht voor de conclusie dat het vermoeden van verweerder dat de recreatiewoning, in strijd met de planvoorschriften, (mede) voor permanente woondoeleinden wordt gebruikt, gerechtvaardigd is. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat deze in rechte onaantastbaar is geworden.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan belanghebbenden opnieuw een last onder dwangsom opgelegd, waarbij het bedrag is verhoogd naar € 5.000,-- per maand of gedeelte van een maand, met een maximum van € 50.000,--.

In haar uitspraak van 11 december 2009 heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitspraak van 4 mei 2006 volgt dat de hypotheekrenteaftrek de voornaamste grondslag is van het vermoeden dat sprake is van permanente bewoning, waarbij dit wordt aangevuld met de overige informatie. Nu belanghebbenden evenwel in voldoende mate hebben aangetoond dat zij beiden sinds 1 mei 2006 geen aftrek eigen woning in box 1 hebben toegepast, wordt niet langer aan de voornaamste grondslag voldaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de veldcontroles van MB-ALL niet is gebleken dat belanghebbenden de recreatiewoning vaker dan in de weekenden en in vakanties gebruiken, laat staan dat sprake is van permanente bewoning. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er - nog steeds - sprake is van permanente bewoning.

In de uitspraak van 27 oktober 2010, LJN: BO1825, heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op hetgeen eiser hierover onbetwist heeft gesteld, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de woning aan [adres 2] niet geschikt is voor de gestelde bewoning. Dit brengt mee dat het op de weg van verweerder had gelegen, gegeven de omstandigheid dat de woonsituatie aan [adres 2] een van de belangrijkste feiten vormde van het vermoeden dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften, deze woonsituatie nader te onderzoeken. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van MB-ALL onvoldoende zijn voor de conclusie dat de recreatiewoning wordt gebruikt voor permanente bewoning, nu bij geen van de uitgevoerde controlebezoeken aan het adres [adres 1] eiser of [X] is aangetroffen. Bovendien hebben belanghebbenden voor een groot aantal van de bevindingen een plausibele verklaring gegeven, die door verweerder niet, althans onvoldoende, is weerlegd. De Afdeling overweegt tot slot dat uit de door partijen overgelegde gegevens met betrekking tot het waterverbruik in beide woningen, geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat verweerder onvoldoende feiten heeft vastgesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dat belanghebbenden de recreatiewoning gebruiken voor permanente bewoning. Nu de rechtbank het besluit van 4 februari 2009 wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:11 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft vernietigd, had het op haar weg gelegen om verweerder op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het betoog van verweerder dat het primaire besluit ten onrechte is herroepen, slaagt.

Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich wederom op het standpunt dat er geen verandering is opgetreden in de permanente bewoning van de recreatiewoning, zoals vastgesteld door de rechtbank in haar uitspraak van 4 mei 2006. Verweerder baseert zich daartoe op gegevens over het gas-, elektriciteits- en waterverbruik in beide woningen, de bevindingen tijdens de waarnemingen door MB-ALL en het aanvullende onderzoek naar de woonsituatie in de woning aan [adres 2] op 11 januari 2011. Het onderzoek bevestigt volgens verweerder de conclusie dat deze woning niet geschikt is om als hoofdverblijf te worden aangemerkt voor twee volwassen echtparen.

Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de gegevens over energie- en waterverbruik en de resultaten van het onderzoek naar de woonsituatie aan [adres 2] pas bekend zijn geworden nadat hij op zijn bezwaar is gehoord en dat hij daarover niet opnieuw is gehoord. Het bestreden besluit is aldus genomen in strijd met artikel 7:9 van de Awb.

Voorts stelt eiser dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gegevens en onderzoeksresultaten de conclusie dat er sprake is van permanente bewoning van de recreatiewoning aan [adres 1] niet kunnen dragen. Voor zover verweerder heeft overwogen dat de woning aan [adres 2] ongeschikt is als hoofdverblijf voor twee echtparen, merkt eiser op dat het niet gaat om twee gezinnen die onafhankelijk en gescheiden van elkaar een huishouden voeren, maar om een huishouden met vier personen, die de aanwezige voorzieningen delen. Van belang is hoe de woning feitelijk wordt gebruikt, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geschil is of belanghebbenden sinds de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2006 de permanente bewoning van de recreatiewoning hebben beëindigd.

Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 27 oktober 2010 heeft overwogen, ligt het op de weg van verweerder om de voor het vermoeden, dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften, vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan belanghebbenden om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er (wederom) onvoldoende feiten vastgesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dat de recreatiewoning aan [adres 1] na 4 mei 2006 permanent door belanghebbenden wordt bewoond.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling reeds negatief heeft geoordeeld over de conclusies, die verweerder heeft getrokken uit de bevindingen van MB-ALL tijdens de controlebezoeken aan dit adres.

De rechtbank kan voorts verweerder niet volgen in de door hem gegeven verklaringen voor het energie- en waterverbruik in de beide woningen. Zo wordt - zonder dit met concrete gegevens te onderbouwen - verondersteld dat het hogere energieverbruik in de woning aan [adres 2] het gevolg zal zijn van het feit dat het om een relatief oud pand gaat, daterend uit de tijd dat er nog geen bouwregels bestonden over energieverbruik en isolatie, en van de gezondheid van de bewoners, die aanleiding tot zorg zou geven. Tevens zou volgens verweerder het gegeven dat in de gemeentelijke basis administratie meerdere (zes) personen op het adres staan ingeschreven, invloed hebben op het energieverbruik. Nog daargelaten dat de rechtbank niet vermag in te zien hoe een enkele inschrijving gevolgen kan hebben voor energieverbruik, ligt het meer voor de hand een dergelijke conclusie te verbinden aan de omstandigheid dat er meerdere personen op het betreffende adres wonen. Met betrekking tot verweerders opvatting dat het energieverbruik voor de recreatiewoning zonder meer overeenkomt met het verbruik van een twee persoonshuishouden, overweegt de rechtbank dat hiermee voorbij wordt gegaan aan de aanwezigheid van een verwarmd zwembad en een sauna, hetgeen de gemiddelde woning niet heeft. Een vergelijking met gemiddeld verbruik gaat in dit geval dus mank. Voor wat betreft het waterverbruik verwijst de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling, dat uit de op dat verbruik betrekking hebbende gegevens geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de bevindingen tijdens de controle van de woning aan [adres 2] op 11 januari 2011, waarvan een summiere rapportage is opgesteld, verweerders standpunt dat deze woning niet geschikt is als hoofdverblijf voor twee volwassen echtparen niet ondersteunen, maar eerder een contra-indicatie bieden voor deze stellingname. Zo werden op de zolderverdieping twee eenpersoonsbedden aangetroffen en beschikt het pand over twee slaapkamers. De conclusie dat de verdieping is gebouwd als bergzolder en niet geschikt als woonfunctie, is in tegenspraak met de foto’s die van de ruimte zijn gemaakt. De omstandigheid dat het gebruik van de zolder als verblijfsruimte in strijd is met bouwvoorschriften, zoals verweerder heeft betoogd, doet voor de onderhavige procedure niet ter zake. De rechtbank acht verder van belang dat verweerder het gestelde gezamenlijke gebruik van de woning door een huishouden met vier personen niet gemotiveerd heeft betwist, evenmin als het reeds in de eerdere procedures aangevoerde feit dat eiser voorheen samen met zijn ouders en twee zussen (derhalve een vijf persoonshuishouden) in de woning verbleef.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb vernietigen.

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien en daarbij het primaire besluit herroepen. De rechtbank ziet daartoe aanleiding omdat, gelet op de inmiddels verstreken tijd, niet aannemelijk is dat het gebrek in de besluitvorming nog door middel van nader onderzoek kan worden hersteld.

Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet gebleken.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en mr. F.A. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 29 maart 2012.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: