Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3363

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10/660422-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximale duur proeftijd en overgangsrecht.

De Wet voorwaardelijke sancties verruimt de mogelijkheid om een proeftijd van drie jaar te stellen. Voor de verdachte, die de bewezen feiten beging voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 april 2012, is deze regeling niet gunstiger. Om die reden mist de wetswijziging toepassing in het geval van de verdachte en kan slechts een proeftijd van ten hoogste twee jaar worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/149

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660422-11

Datum uitspraak: 19 april 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, locatie Huis van Bewaring Noordsingel te Rotterdam,

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Adriaansen heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

- bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde en de onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een opname in en behandeling bij een zorginstelling voor verslavingszorg, te weten SOV Palier te Ossendrecht, en dat de verdachte zich bij die reclasseringinstelling zal melden zo frequent als de betreffende reclasseringsorganisatie dit nodig acht.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman, zodat deze beslissing niet nader zal worden gemotiveerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 24 november 2011 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een stuk kaas een brood toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het

- duwen tegen de borst van die [slachtoffer 2] en/

- geven van vuistslagen naar en/of in de richting van het gelaat van die [slachtoffer 2] en

- geven van een vuistslag op de linkerwang van die [slachtoffer 2] en

- duwen van die [slachtoffer 2] van een perron van een metrostation, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] naast de rails van de metro kwam te liggen en

- liggen van hem, verdachte, op het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- stompen op de linkerslaap van die [slachtoffer 2]

2.

hij op 24 november 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] van het perron van een metrostation heeft geduwd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] naast de rails van de metro is terechtgekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Verweer raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat de verdachte van de hem onder 2 - impliciet subsidiair - ten laste gelegde poging tot zware mishandeling moet worden vrijgesproken. Nadat de verdachte door aangever [slachtoffer 2] was beetgepakt en - ongewild - met aangever in een handgemeen was geraakt, is de verdachte door aangever meegetrokken, ten gevolge waarvan beiden van het perron zijn gevallen en op de daarnaast gelegen rails zijn terechtgekomen, aldus de raadsman.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verdachte met zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel bij de aangever [slachtoffer 2] zou toebrengen, en dat daarom dat sprake is van voorwaardelijk opzet.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat buiten redelijke twijfel staat dat het opzet van de dader gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Uit de verklaringen van de verdachte bij de politie en ter zitting is niet gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [slachtoffer 2].

Wel is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie sprake is geweest van handelen met voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Nadat een medewerkster van [slachtoffer 1] de verdachte had betrapt op een winkeldiefstal is de beveiliging gealarmeerd. De verdachte liep inmiddels richting een metrostation. Aangever [slachtoffer 2] - een beveiligingsbeambte - is de verdachte tot op het perron van het metrostation gevolgd en sprak hem aan. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat buiten redelijke twijfel dat het vervolgens de verdachte is geweest die aangever [slachtoffer 2] een duw tegen de borst heeft gegeven en met de vuist slaande bewegingen maakte richting het gezicht van de aangever. Teneinde de verdachte te ontwijken deinsde aangever achteruit richting de rand van het perron. De verdachte duwde de aangever ook in die richting. De aangever heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte hem van het perron afduwde, waardoor de aangever van het perron op de lager gelegen rails van de metrobaan is gevallen. De verdachte heeft daardoor de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer 2] zwaar letsel zou oplopen. Immers, van een val van een perron van enige hoogte en met enige vaart op de metalen rails van een spoor kan fors letsel - bijvoorbeeld aan het hoofd - zeer wel het gevolg zijn.

Een ieder, dus ook de verdachte, moet zich van die aanmerkelijke kans bewust zijn.

Door niettemin te handelen zoals hij heeft gedaan, kan het niet anders dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans wilde aanvaarden. Bij de verdachte is dus in ieder geval sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 2:

Poging tot zware mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, nadat hij zich had schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, een beveilingsmedewerker die hem ter zake daarvan wilde aanhouden en die de verdachte daartoe was gevolgd tot op een metroperron, in het gezicht geslagen en gestompt. Vervolgens heeft de verdachte deze beveiligingsmedewerker van het metroperron afgeduwd, waardoor het slachtoffer, samen met de verdachte, op de rails van de metrobaan is terechtgekomen. Hierna heeft de verdachte het op de rails liggende slachtoffer nog op de slaap gestompt. De verdachte heeft zich daarmee niet alleen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, maar ook heeft hij, door het slachtoffer van het perron te duwen, het risico op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer in het leven geroepen. Dat dit risico zich niet heeft verwezenlijkt, is niet aan de verdachte te danken.

De verdachte heeft alleen maar oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zijn belang om kennelijk koste wat kost uit handen van politie en justitie te blijven. Als bij diefstallen, die op zich ergerlijke feiten zijn die schade en overlast veroorzaken, geweld wordt gebruikt, kan dat lichamelijke en psychische gevolgen voor de slachtoffers hebben. Zeker in het onderhavige geval moet het voor het slachtoffer een uiterst beangstigende ervaring zijn geweest om, zonder enige noemenswaardige aanleiding, door de verdachte van het perron te worden geduwd en vervolgens terecht te komen op de rails van de metrobaan, terwijl op dat moment een metrotrein in aantocht was. Deze metrotrein is door waarschuwingen van anderen tijdig tot stilstand gekomen. Ook bij de omstanders zal het voorval tot gevoelens van onveiligheid hebben geleid. Deze omstandigheden maken dat de bewezen feiten ernstige vergrijpen zijn.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2012 reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan de in voorwaardelijke vorm opgelegde gevangenisstraf waarvan hij ten tijde van de feiten in een proeftijd liep.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het over de verdachte opgemaakte rapport d.d. 10 februari 2012, opgemaakt door drs. J.J. van der Weele, psycholoog en van het rapport d.d. 29 januari 2012, opgemaakt door dr. B.A. Blansjaar, psychiater.

Deze rapporten vermelden - voor zover hier van belang - het volgende.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een diepgewortelde afhankelijkheid van roesmiddelen, vooral cocaïne en heroïne, die mogelijk deels zijn voortgekomen uit ADHD, met waarschijnlijk secundaire psychopathisering. De doorwerking van het gebruik van deze middelen - verdachte gebruikt naast cocaïne en heroïne ook aanzienlijke hoeveelheden alcohol en een dagelijkse dosis methadon - op zijn dagelijks functioneren is zodanig dat dit een groot deel van zijn doen en laten bepaalt. Daarnaast kent zijn persoonlijkheid antisociale trekken en zijn er aanwijzingen voor een beperkte impulscontrole, mogelijk vanwege ADHD. Door de met het middelengebruik samenhangende gebrekkige gewetensfunctie is de drempel om tot het plegen van delicten over te gaan verlaagd. Deze wordt verder verlaagd door diens verhoogde impulsiviteit.

De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden verdachtes gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in aanzienlijke mate, zodanig dat wordt geadviseerd de verdachte op grond daarvan als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op herhaling van soortgelijke en andere strafbare feiten is door genoemde ernstige verslaving van de verdachte aanzienlijk verhoogd.

De verdachte zal moeten leren om de aanzuigende werking van zijn “oude” leven te weerstaan en steun te vinden in een meer reguliere daginvulling, zonder het gebruik van verdovende middelen. Daarvoor is een langer durende therapeutische behandeling nodig, die in aanvang klinisch en gesloten moet beginnen en waarbij vervolgens wordt gestreefd naar het opbouwen van vrijheden om de zelfredzaamheid van de verdachte te vergroten, het vormgeven aan zijn dagbesteding en diens verdere resocialisatie, waaronder ook het op orde brengen van de financiën van de verdachte.

De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Dit betekent onder meer dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.

Uit het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van Bouman GGZ, afdeling reclasering, d.d. 29 februari 2012 komt naar voren dat eerdere toezichten voortijdig en zonder het gewenste resultaat zijn beëindigd. Gedurende het lopende toezicht is de verdachte meermalen niet verschenen op afspraken in het kader van diens meldplicht en evenmin bij gesprekken bij de forensische polikliniek van Bouman GGZ, ondanks dat de verdachte te kennen gaf open te staan voor behandeling voor zijn verslavingsproblematiek. De reclassering adviseert de verdachte tot opname bij SOV te Ossendrecht te verplichten. Hiervoor is inmiddels al een indicatie afgegeven en de verdachte is daar aangemeld.

De verdachte heeft tegen de voornoemde psycholoog en de psychiater gezegd thans open te staan voor de door hen voorgestelde vorm van behandeling, met name ook de opname en behandeling bij SOV Palier te Ossendrecht. Tijdens de behandeling op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat een klinische opname mogelijk consequenties zou kunnen hebben voor zijn huisvesting, maar dat hij zich desondanks refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de inhoud van voormelde rapporten en het inmiddels fors te noemen strafblad van de verdachte ziet de rechtbank de noodzaak tot een op de verslavingsproblematiek van de verdachte gerichte behandeling, die in aanvang een klinisch karakter zal moeten kennen. Het andersluidende e-mailbericht van de instroomcoördinator van Palier Rotterdam d.d. 3 april 2012 is tegen de achtergrond van - in het bijzonder - de rapporten van gedragsdeskundigen onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat het, gelet op omvang van de justitiële documentatie van de verdachte en waar eerdere pogingen tot gedragsverandering bij de verdachte niet tot enig resultaat hebben kunnen leiden, voorstelbaar was geweest dat door de officier van justitie de oplegging van de ISD-maatregel zou zijn gevorderd. De rechter kan deze maatregel evenwel niet ambtshalve opleggen. Waar bovendien behandeling in een gesloten klinische setting, die thans door de deskundigen uitdrukkelijk wordt geadviseerd, in het verleden nog niet eerder is betracht, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daaraan zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden, waaronder een verplichte en deels klinische behandeling.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het in voorwaardelijke vorm op te leggen strafdeel een proeftijd wordt verbonden van drie jaar. Daartoe is in haar optiek de mogelijkheid geschapen door de Wet voorwaardelijke sancties (Stb. 2011/545), die op 1 april 2012 in werking is getreden. Zij heeft daarbij verwezen naar hetgeen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij de parlementaire behandeling van deze wet naar voren heeft gebracht. Deze stelde onder meer: “De gewijzigde regeling van de voorwaardelijke veroordeling is (…) van toepassing op alle gevallen, zowel de gevallen waarin al een voorwaardelijke straf is uitgesproken, als de gevallen waarin nog geen voorwaardelijke straf is uitgesproken, ongeacht of het strafbare feit vóór de datum van inwerkingtreding of daarna is begaan” (Kamerstukken I, 2010-2011, 32319, nr. C. p. 6).

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:

“Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”

De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2011 (LJN: BP6878) aanleiding gezien zijn rechtspraak omtrent evengenoemd artikellid aan te scherpen en heeft geoordeeld dat voor de regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, voortaan te gelden heeft dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt.

De hoofdregel is derhalve dat, indien de wet op het gebied van sanctierecht wijzigt, het recht zoals dat gold ten tijde van het begaan van een strafbaar feit van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling gunstiger is voor de verdachte.

Onder het vigeur van het bepaalde in artikel 14b, tweede lid, Sr zoals dat tot 1 april 2012 luidde, kan de duur van proeftijd ten hoogte twee jaar bedragen wanneer als bijzondere voorwaarde de storting van een waarborgsom of wanneer - zoals in dit geval - bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, wordt gesteld. In andere gevallen bedraagt de maximale proeftijd drie jaar.

Bij de Wet voorwaardelijke sancties is de maximale proeftijd voor alle gevallen op drie jaar gesteld. Het onderscheid tussen de bijzondere voorwaarden met een maximale proeftijd van twee jaar en voorwaarden met een maximale proeftijd van drie jaar is derhalve komen te vervallen.

De bewezen feiten zijn door de verdachte begaan op 24 november 2011. Waar artikel 14b, tweede lid, Sr de maximale proeftijd vóór 1 april 2012 in het geval van de verdachte stelde op twee jaar en de Wet voorwaardelijke sancties die na die datum heeft uitgebreid tot drie jaar, kan bepaald niet worden gezegd dat de nieuwe regeling gunstiger uitpakt voor de verdachte. Om die reden mist de wetswijziging - in weerwil van de stellingname van de staatssecretaris - toepassing in het geval van de verdachte en kan, vanwege de op te leggen bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, een proeftijd van ten hoogste twee jaar worden gesteld.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, alsmede de onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren en stelt de volgende algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij die reclasseringsinstelling, zo lang en frequent als die reclasseringsinstelling dit nodig acht;

- de veroordeelde zal zich klinisch laten opnemen in de kliniek van SOV Palier te Ossendrecht, dan wel in een door genoemde reclasseringsinstelling aan te wijzen soortgelijke inrichting, om daar te worden behandeld gedurende een termijn van negen maanden of zoveel korter als degene die met de behandeling is belast, na overleg met voornoemde reclasseringsinstelling, verantwoord vindt, en zich gedurende de opname gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens het hoofd van die inrichting;

- de veroordeelde zal zich (aansluitend op de klinische behandeling) onder ambulante behandeling stellen bij een polikliniek van Palier, of een soortgelijke instelling, voor een behandeling gericht op zijn verslavingsproblematiek;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Van den Heuvel en De Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2012.

De oudste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 19 april 2012:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 november 2011 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een zak chips en/of twee

verpakkingen, inhoudende Serranoham en/of een stuk kaas en/of een fles Port

en/of een brood en/of een drievoudige stekkerdoos, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld

en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk

te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- duwen tegen de borst van die [slachtoffer 2] en/of

- geven van vuistslagen naar en/of in de richting van het gelaat van die [slachtoffer 2]

en/of

- geven van een vuistslag op de linkerwang van die [slachtoffer 2] en/of

- duwen van die [slachtoffer 2] van een perron van een metrostation, tengevolge waarvan

die [slachtoffer 2] naast de rails van de metro kwam te liggen en/of

- liggen van hem, verdachte, op het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- stompen op de linkerslaap van die [slachtoffer 2] en/of

- het die [slachtoffer 2] mondeling toevoegen van de woorden: "Ik maak je dood. Ik leg

je hoofd op de rails.", althans woorden van een gelijke aard en/of strekking;

(art. 312 Wetboek van Strafrecht) (pknr./ 660422-11)

2.

hij op of omstreeks 24 november 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van

het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet die [slachtoffer 2] van het perron van een metrostation heeft geduwd, tengevolge

waarvan die [slachtoffer 2] naast de rails van de metro is terechtgekomen en/of met zijn

-verdachtes- lichaam op het lichaam van die [slachtoffer 2] is gaan liggen en/of die

[slachtoffer 2] mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Ik maak je dood. Ik leg je hoofd

op de rails.", althans woorden van een gelijke aard en/of stekking, terwijl

een metrostel over de rails naderde in de richting van de (lig)plaats van die

[slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht) (pknr. 660422-11)