Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3203

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
10/602018-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Benoitzaak; Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk; startinformatie Nederlandse onderzoek afkomstig van Turkse infiltrant; opsporingsteams Nederland en Turkije waren feitelijk één lokatie-overstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam; Nederlandse liaison officer in Turkije moet hebben geweten van door Turkije ingezette infiltratietraject; bedoeling was dat in Nederland beloning zou worden aangevraagd voor verstrekker startinformatie; Nederlandse justitiële autoriteiten mede verantwoordelijk voor Turkse infiltratietraject; toetsing infiltratietraject aan Nederlandse maatstaven; in Nederland geldt verbod infiltratie criminele burgerinfiltrant; geen verslaglegging infiltratietraject; strijd met fair trial van art. 6 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/148

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/602018-05

Datum uitspraak: 16 april 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Turkije),

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

voor deze zaak domicilie gekozen hebbende op het kantoor van zijn gemachtigd raadsman,

mr. J.Y. Taekema aan de Prins Mauritslaan 94, 2582 LW te Den Haag.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2005, 7 september 2005, 30 november 2005, 21 februari 2006, 17 mei 2006, 9 augustus 2006, 26 oktober 2006, 24 januari 2007, 25 januari 2007, 26 januari 2007, 26 maart 2007, 30 mei 2007, 9 juli 2007, 8 oktober 2007, 10 oktober 2007, 16 oktober 2007, 14 november 2007, 16 januari 2008,

18 januari 2008, 6 februari 2008, 7 september 2010, 1 november 2010, 15 februari 2011, 2 maart 2011, 26 maart 2012 en 2 april 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Vries heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest;

- gevangenneming van de verdachte op de terechtzitting.

ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

verweer verdediging

Namens de verdachte is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit, omdat er welbewust en/of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging afbreuk is gedaan aan het recht op een eerlijk proces en tevens de beginselen van een goede procesorde met voeten zijn getreden.

Daartoe is aangevoerd dat er in het Turkse opsporingsonderzoek gebruik is gemaakt van een criminele burgerinfiltrant/informant. De informatie die deze informant/infiltrant heeft verstrekt is de bron van de in de onderhavige zaak aangeleverde startinformatie. De in Ankara gestationeerde Nederlandse liaison officer [liaison officer VW], die de startinformatie van de Turkse autoriteiten ontving, zat bovenop het Turkse opsporingsonderzoek en moet hiervan op de hoogte zijn geweest. Er was ook een nauwe samenwerking tussen het Nederlandse opsporingsteam en het opsporingsteam in Turkije. De officier van justitie mr. [eerste zaaksofficier van justitie N], destijds werkzaam bij het Landelijk Parket, onder leiding van wie het opsporingsonderzoek in Nederland heeft plaatsgevonden en die contact onderhield met het Nederlandse opsporingsteam, moet van die samenwerking hebben geweten. Bovendien was mr. [eerste zaaksofficier van justitie N] aanwezig tijdens een gesprek op de locatie Schiphol van het Landelijk Parket, afdeling Nationale Recherche, medio april 2005. Tijdens dit gesprek zijn door officier van justitie [officier van justitie T], destijds teamleider van mr. [eerste zaaksofficier van justitie N], aan liaison officer [liaison officer VW] vragen gesteld over het onderzoek in Turkije en het bestaan van een mogelijk infiltratietraject. Niettemin heeft mr. [eerste zaaksofficier van justitie N], ondanks een op 18 mei 2005 gedaan uitdrukkelijk verzoek van de verdediging om aan het dossier de processtukken toe te voegen van de Nederlands/Turkse samenwerking, alsmede van de samenwerking met Duitsland waar het transport is onderschept, bericht dat er geen Turks dossier was met betrekking tot het onderhavige transport. Ook op de terechtzitting van 7 september 2005 heeft zij nog gezegd dat het Turkse onderzoek niets van doen heeft met het Nederlandse onderzoek.

Ook overigens is door het Openbaar Ministerie niet transparant geopereerd in deze zaak. Het door de verdediging gewenste onderzoek naar het gebruik van een criminele burgerinfiltrant/informant is stelselmatig gedwarsboomd en in nevelen gehuld. Daarbij heeft Turkije getuigen die gehoord moesten worden uit de wind gehouden of proberen te houden en niet alle gewenste stukken overgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft dit spel van de Turkse autoriteiten meegespeeld en zich steeds beroepen op het vertrouwensbeginsel.

Dit alles verdraagt zich niet met het feit dat, ook in een zich verder internationaliserende wereld, er sprake dient te zijn van een transparante strafvervolging. Daarbij dient aan het vertrouwensbeginsel daadwerkelijk inhoud te worden gegeven. Dat kan door of voldoende afstand te houden tot de opsporing in een andere Staat met mogelijk andere normen en waarden, dan wel doordat het Openbaar Ministerie het vertrouwen in de opsporing in een bevriende Staat regelmatig toetst en daarin ook transparant is.

reactie Openbaar Ministerie op verweer verdediging

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat er geen twijfel over bestaat dat de

door Turkije verstrekte startinformatie naar Turks recht op rechtmatige wijze is verkregen. Evenmin zijn er redenen om aan te nemen dat de Nederlandse autoriteiten bij het verkrijgen van de startinformatie aan die rechtmatigheid hadden moeten twijfelen. Er is maar één bron voor de beweringen dat zich in het onderhavige onderzoek onregelmatigheden en onrechtmatigheden hebben voorgedaan, te weten de tolk [tolk C]. Van zijn beweringen blijft echter weinig over, hoewel daarnaar uitgebreid onderzoek is gedaan. Teneinde de rechtbank en de verdediging inzicht te geven in de gang van zaken heeft het Openbaar Ministerie aan dit onderzoek maximale medewerking verleend. Zelfs op het gevoelige terrein van informanten is zoveel mogelijk openheid betracht.

Wat betreft de onjuiste mededeling van officier van justitie [eerste zaaksofficier van justitie N] over de connectie met het onderzoek in Turkije is opgemerkt dat de toerekenbare vertraging in het strafproces die dit heeft opgeleverd reeds is verdisconteerd in de strafeis en voorts dat van het Turkse opsporingsonderzoek door de politie in ieder geval nooit een geheim is gemaakt, nu dat onderzoek reeds wordt genoemd in het voorgeleidingsproces-verbaal van 2 maart 2005.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient dan ook te worden verworpen.

oordeel rechtbank

1. inleiding

De onderhavige zaak heeft betrekking op een heroïnetransport vanuit Turkije naar Nederland dat in Duitsland is onderschept. De zaak heeft als naam gekregen: de Benoitzaak en wordt ook wel aangeduid als de 300 kg-zaak. Het transport vond plaats omstreeks de periode van 18 februari 2005 tot en met 28 februari 2005.

Voorafgaand aan dit transport heeft een ander heroïnetransport vanuit Turkije plaatsgevonden waarbij de heroïne wel in Nederland is aangekomen. Die zaak heeft als naam gekregen: de Dönerzaak en wordt ook wel aangeduid als de 100 kg-zaak. Dit transport vond plaats in de periode van omstreeks 31 januari 2005 tot en met 4 februari 2005.

In beide zaken is opsporingsonderzoek verricht door zowel de Nederlandse als de Turkse politie. In Nederland was in beide zaken de Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, met het opsporingsonderzoek belast en in Turkije de KOM, de antismokkel- en narcoticabrigade te Ankara.

De verdachten die in de onderhavige Benoitzaak in Nederland zijn aangehouden, zijn andere personen dan de verdachten die in de Dönerzaak in Nederland zijn aangehouden.

2. samenwerking Nederlandse/Turkse politie

Met betrekking tot de samenwerking tussen de Nederlandse en Turkse politie is het volgende gebleken.

Het opsporingsonderzoek in de Benoitzaak is in Nederland gestart op basis van informatie die door de Nederlandse liaison officer in Ankara [liaison officer VW] is verkregen van de Turkse autoriteiten. De informatie werd in eerste instantie mondeling verstrekt aan [liaison officer VW] door [zaakscoördinator Turkije Y], coördinator van het opsporingsteam van de KOM te Ankara. Daarbij werd door de KOM aangegeven dat ze met de Nederlandse autoriteiten wilden samenwerken, welk verzoek tot samenwerking is aangenomen. Bij faxbericht van 22 februari 2005 van [medewerker KOM A], één van de leidinggevenden van het Turkse opsporingsteam van de KOM in Ankara, werd de informatie schriftelijk bevestigd. De informatie hield in dat er een partij van 300 kg heroïne onderweg was vanuit Turkije naar Nederland en vermeldde voorts de namen van de personen die daarbij mogelijk betrokken zouden zijn. Tevens werden 4 telefoonnummers doorgegeven.

[liaison officer VW] heeft de startinformatie per faxbericht van 22 februari 2005 verstuurd aan de Dienst Internationale Netwerken in Nederland (DIN). Dat faxbericht vermeldt tevens: “De Turkse collega’s verzoeken een onderzoek in Nederland.”

De van Turkije verkregen informatie is door de DIN vastgelegd in een zogenaamd startproces-verbaal d.d. 22 februari 2005. De verstrekte telefoonnummers zijn afgeluisterd vanaf 23 februari 2005. Op respectievelijk 25 en 26 februari 2005 heeft de DIN via liaison officer [liaison officer VW] van de Turkse autoriteiten aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten verkregen met betrekking tot het heroïnetransport. Daarbij werden nadere telefoonnummers genoemd. Ook deze telefoonnummers zijn in Nederland afgeluisterd.

In het opsporingsonderzoek dat door de Turkse politie is verricht naar dit transport zijn eveneens telefoongesprekken afgeluisterd.

Na de start van het onderzoek kwam de Nederlandse liaison officer [liaison officer VW] dagelijks, ook urenlang bij de KOM over de vloer. Hij sprak dan meestal met coördinator [zaakscoördinator Turkije Y], maar heeft ook bij het tactisch team zelf gezeten. [liaison officer VW] is tijdens het onderzoek ook op de tapkamer van de KOM geweest en heeft telefoongesprekken die in het Nederlands werden gevoerd uitgeluisterd en ten behoeve van het Turkse onderzoeksteam vertaald. [liaison officer VW] was ook aanwezig bij briefings van het Turkse onderzoeksteam en als [zaakscoördinator Turkije Y] werd bijgepraat over de afgeluisterde telefoongesprekken. Als [liaison officer VW] bij de KOM was dacht en filosofeerde hij mee over de tactische aspecten van het onderzoek. Het Turkse onderzoeksteam verstrekte [liaison officer VW] alle mogelijkheden om dicht op het onderzoek te zitten. De informatie die [liaison officer VW] van de Turkse autoriteiten kreeg, gaf hij door aan het Nederlandse opsporingsteam. Toen de vrachtwagens waarin de heroïne zich zou bevinden in Duitsland zoek waren geraakt, heeft [liaison officer VW] contact gehad met het hoofd van de Turkse douane en toen tegen hem gezegd dat ze bezig waren met een gezamenlijk Turks/Nederlands onderzoek.

Voorts waren er vanaf het moment dat de taps draaiden rechtstreekse contacten tussen de Nederlandse en Turkse opsporingsteams. Er was een rechtstreekse uitwisseling van de informatievoorziening. De lijntjes tussen beide teams waren heel kort. De inhoud van de telefoongesprekken werd over en weer tussen de opsporingsteams uitgewisseld.

Bij het afluisteren van telefoongesprekken waarbij Turks werd gesproken werd in Nederland gebruik gemaakt van de tolk [tolk C]. [tolk C] had soms, buiten het Nederlandse opsporingsteam om, rechtstreeks contact met Turkse onderzoekscoördinator [zaakscoördinator Turkije Y] en een andere teamchef in Turkije. [tolk C] ging dwars door de contacten heen die [liaison officer VW] met [zaakscoördinator Turkije Y] had. [tolk C] werd ook wel rechtstreeks gebeld door het Turkse opsporingsteam. Hij belde ook geregeld met [liaison officer VW].

Vanaf 24 februari 2005 is de Turkse liaison officer bij het Nederlandse tactisch team aangeschoven, zodat hij, net als de Nederlandse liaison officer [liaison officer VW] bij het Turkse tactisch team, dicht op het onderzoek van het Nederlandse tactisch team kon zitten. Hij onderhield contact met het Nederlandse onderzoeksteam.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat in de Benoitzaak parallelle opsporing heeft plaatsgevonden, nu het Turkse en het Nederlandse onderzoek naar ditzelfde drugstransport op elkaar waren afgestemd.

Officieel was er weliswaar geen sprake van een internationaal gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa e.v. van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Uit het vorenstaande is echter wel gebleken dat vanaf de start van het onderzoek in de onderhavige zaak heel intensief op gecoördineerde wijze is gerechercheerd en samengewerkt en dat op een zeer directe wijze opsporingsinformatie, inclusief de resultaten van de telefoontaps, onmiddellijk en real-time met elkaar werden gedeeld.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de opsporingsteams van beide landen de facto hebben gewerkt als één locatieoverstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam.

Ter zijde wordt in dit verband opgemerkt dat het opmerkelijk wordt geacht dat de zaaksofficier van justitie [eerste zaaksofficier van justitie N] (tot circa maart 2006 betrokken bij de Benoitzaak) zowel in correspondentie met de verdediging op 15 augustus 2005 als op de zitting van 7 september 2005 onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent deze samenwerking tussen de opsporingsteams. Zij heeft toen immers in reactie op het opvragen van het Turkse strafdossier, geschreven dat het ‘Turkse dossier geen betrekking heeft op het transport dat bedoeld wordt in de zaak Benoit’, respectievelijk op de zitting verklaard dat het Turkse onderzoek ‘niets van doen’ heeft met het Benoitonderzoek.

Door een opvolgende zaaksofficier van justitie is genoemde uitlating van 7 september 2005 betiteld als naïviteit, mogelijk toe te schrijven aan de omstandigheid dat dit de eerste zaak was waarin [eerste zaaksofficier van justitie N] werd geconfronteerd met een DIN-proces-verbaal, maar dat moet worden toegegeven dat er sprake was van een dusdanige samenwerking tussen de Nederlandse en Turkse politie dat [eerste zaaksofficier van justitie N] in september 2005 had kunnen weten dat er in Turkije een onderzoek liep naar de exportkant van het drugstransport uit de Benoitzaak. Die conclusie had zij aan de hand van de inhoud van de DIN-processen-verbaal zelf kunnen trekken en ook de liason officer en de politie hadden haar dit kunnen zeggen, aldus deze collega officier van justitie.

Dat [eerste zaaksofficier van justitie N] zelfs tijdens het verhoor op de zitting van 26 maart 2007 nog heeft volgehouden dat het Benoitonderzoek een ‘Nederlands onderzoek betrof waarin af en toe informatie uit Turkije werd gebruikt en dat er geen sprake was van een parallel onderzoek’, staat in schril contrast met de daadwerkelijke feitelijke gang van zaken zoals hierboven weergegeven.

Dat is buitengewoon zorgelijk nu op grond daarvan in ieder geval moet worden geconstateerd dat er door het Openbaar Ministerie ten tijde van het politieonderzoek in de Benoitzaak onvoldoende sturing is gegeven aan en controle is uitgeoefend op de internationale samenwerking tijdens de opsporingsactiviteiten.

3. samenhang Döner- en Benoitzaak

Met betrekking tot de samenhang tussen de Döner- en de Benoitzaak is het volgende gebleken.

In zowel de zaak Benoit als de zaak Döner vond het transport van de heroïne plaats met een vrachtauto, die vanuit Turkije met de boot naar Triëst (Italië) is vervoerd en vervolgens verder is gereden met bestemming Nederland. De transporten vonden betrekkelijk kort na elkaar plaats: het transport in de Dönerzaak vond plaats in de periode van omstreeks 31 januari 2005 tot en met 4 februari 2005, het transport in de Benoitzaak in de periode van omstreeks 18 februari 2005 tot en met 28 februari 2005.

De zaken Döner en Benoit waren gekoppeld door de Turkse politie ; zij vormden een strategisch geheel. De Turkse politie had een grote groep criminelen op het oog waar ze omheen aan het werken waren en de zaken Döner en Benoit waren twee deelonderzoeken. De startinformatie is -zoals hiervoor al aangegeven- tevoren besproken tussen liaison officer [liaison officer VW] en de Turkse zaakscoördinator [zaakscoördinator Turkije Y]. Het eerdergenoemde faxbericht d.d. 22 februari 2005 van [medewerker KOM A] van de KOM in Ankara, waarbij de startinformatie in de Benoitzaak schriftelijk aan liaison officer [liaison officer VW] is verstrekt houdt onder meer in: ‘’Na de aanhouding in uw land in verband met 100 kg heroïne (Dönerzaak; toevoeging rechtbank) gaat het onderzoek bij ons verder. Ze zijn nu van plan om 300 kg (Benoitzaak; toevoeging rechtbank) te ontvangen, grote vermoeden is dat ze weer dezelfde methode gebruiken”.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er een nauwe en directe samenhang bestaat tussen de Dönerzaak en de onderhavige Benoitzaak.

4. informant Dönerzaak

In de Dönerzaak is het onderzoek gestart op grond van informatie die door een Turkse informant aan de Turkse politie is verstrekt.

5. beloningsvoorstel informant Dönerzaak

Op verzoek van de Turkse autoriteiten heeft de Nederlandse liaison officer [liaison officer VW] aan [CIE-medewerker I], destijds als CIE-rechercheur werkzaam bij het Team Randstad Noord van de Nationale Recherche, welk team zoals hierboven is aangegeven de opsporingsonderzoeken in de Döner- en Benoitzaak heeft verricht, een voorstel gedaan tot uitbetaling door Nederland van een beloning aan die Turkse informant. [CIE-medewerker I] heeft naar aanleiding van dat verzoek een concept beloningsvoorstel opgesteld en daarin de informatie die [liaison officer VW] aan hem had verstrekt, verwerkt.

6. infiltrant Dönerzaak

In de Dönerzaak was, behalve van een informant, ook sprake van de inzet door Turkije van een infiltrant. In het hiernavolgende wordt vermeld op basis van welke feiten en omstandigheden de rechtbank hiervan uitgaat.

Kenmerkend verschil tussen een informant en een infiltrant is dat een informant aan de politie slechts rapporteert van hetgeen hij ondervindt in het criminele milieu, terwijl de infiltrant niet alleen rapporteert, maar daarnaast ook deelneemt aan activiteiten in dat milieu.

In bovengenoemd beloningsvoorstel in de zaak Döner is te lezen dat één van de twee organisatoren van het 100 kilo transport (Dönerzaak; toevoeging rechtbank) ene [OC] is.

Het Bureau Veiligheid en Integriteit (BV&I) van het Korps Landelijke Politiediensten heeft oriënterend onderzoek gedaan naar de vraag of in de Döner- en/of Benoitzaak gebruik is gemaakt van een informant of een infiltrant. In dat kader is ook onderzocht of in de Dönerzaak één van de verdachten niet is aangehouden en de politie hem (opzettelijk) heeft laten lopen.

BV&I heeft over het ingestelde onderzoek een rapport opgemaakt, gedateerd 27 juni 2007. Als bijlage bij dat rapport is gevoegd een zaaksbeschrijving/resumé van de zaak Döner. Daaruit blijkt dat de uit Turkije afkomstige startinformatie in de Dönerzaak is verkregen van een informant die in contact stond met de bijrijder van de vrachtauto, waarmee de heroïne naar Nederland is gebracht. Voorts houdt het resumé in dat op 4 februari 2005 de bestuurder van de vrachtauto in Helmond is aangehouden, evenals de bestuurders van de twee begeleidende personenauto’s. Even vóór die aanhoudingen is gezien dat een man, die later [OC] bleek te zijn, als bijrijder in de vrachtauto is gestapt. Hij is evenwel niet aangehouden. Nadien is gebleken dat hij door een opening in de huif van de oplegger van de vrachtwagen is weggekomen en op 5 februari 2005 per vliegtuig weer in Turkije is aangekomen.

[liaison officer VW] heeft verklaard dat [zaakscoördinator Turkije Y] van de KOM in Ankara hem heeft verzocht om de bijrijder van de vrachtauto niet aan te houden, dat zou de Turkse politie goed uit komen. Volgens [liaison officer VW] heeft hij dit verzoek van [zaakscoördinator Turkije Y] doorgegeven aan de leiding van het Nederlandse opsporingsteam.

Teamleider [teamleider Randstad Noord DR] heeft verklaard te weten van dit Turkse verzoek en heeft voorts verklaard dat hij daar geen ja of nee op heeft gezegd.

Twee bij de aanhoudingen op 4 februari 2005 betrokken leden van het Nederlandse opsporingsteam hebben beiden verklaard dat zij, nadat de aanhoudingen van de eerdergenoemde personen waren verricht, tevergeefs de suggestie aan [teamleider Randstad Noord DR] hebben gedaan om ook rond en/of in de vrachtwagencombinatie te kijken naar betrokkenen. Dat is meermalen aan [teamleider Randstad Noord DR] gevraagd. De oplegger mocht van [teamleider Randstad Noord DR] echter niet worden doorzocht. Dit werd uitgesteld naar een later moment, hoewel voor een controle ter plaatse voldoende tijd beschikbaar was en één van hen aan [teamleider Randstad Noord DR] had aangegeven dat zich mogelijk nog iemand in de oplegger bevond.

Dat de man die is weggekomen nu juist [OC] is, is opvallend aangezien in het hiervoor onder 5 genoemde concept beloningsvoorstel juist staat vermeld dat [OC] één van de twee organisatoren is van dit transport en dus actief betrokken is bij de te onderzoeken strafbare feiten. Gelet op het Turkse verzoek om de bijrijder en dus deze man te laten gaan, wordt als een sterke aanwijzing gezien dat in de Dönerzaak sprake is geweest van een traject waarbij deze [OC] kennelijk als infiltrant fungeerde en moest worden afgeschermd en dat de Nederlandse politie hieraan medewerking heeft verleend. Hiervoor is ook nog steun te vinden in de verklaring van één van eerdergenoemde leden van het Nederlandse opsporingsteam, die heeft verklaard dat hij van de plaatsvervangend teamleider heeft gehoord dat [teamleider Randstad Noord DR] tegen hem had gezegd dat er in deze zaak inderdaad ‘een bepaald traject’ had gelopen.

Uit het proces-verbaal van CIE officier van justitie [CIE officier van justitie VdB] d.d. 5 juli 2007 in combinatie met zijn verklaring als getuige is duidelijk geworden dat deze [OC] in ieder geval niet de informant is die de informatie heeft verstrekt aan de Turkse politie, waarvan in de onderzoeken Döner én Benoit door middel van DINPOL-processen-verbaal gebruik is gemaakt.

Op basis hiervan wordt de tussenconclusie getrokken dat er krachtige aanwijzingen zijn dat in de zaak Döner door Turkije gebruik is gemaakt van een infiltrant, te weten [OC] en dat er daarnaast in de zaak Döner sprake was van een informant die ook in de zaak Benoit opduikt.

7. informant Benoitzaak

Dat in de Benoitzaak de startinformatie op basis waarvan het eerste DIN-proces-verbaal is gemaakt afkomstig is van dezelfde informant als in de Dönerzaak wordt voorts afgeleid uit de verklaringen die door [liaison officer VW] en de tolk [tolk C] zijn afgelegd. De verklaring die [liaison officer VW] hierover heeft afgelegd houdt in dat, toen het Döneronderzoek was afgelopen, [zaakscoördinator Turkije Y] de Benoitzaak met [liaison officer VW] heeft besproken. [zaakscoördinator Turkije Y] heeft daarbij tegen [liaison officer VW] gezegd dat hij een nieuwe zaak had, dat er informatie was dat er een (ander) transport onderweg was naar Nederland. [zaakscoördinator Turkije Y] zei dat de informatie afkomstig was van de persoon die informant was in de Dönerzaak en voor wie in Nederland een voorstel tot beloning zou worden opgemaakt. [tolk C] heeft verklaard dat hij van [zaakscoördinator Turkije Y] en van [medewerker KOM CS], zijnde -naar uit de stukken blijkt - het toenmalige hoofd van het onderzoeksbureau van de KOM, heeft gehoord dat er in de Döner- en Benoitzaak met dezelfde informant is gewerkt. [zaakscoördinator Turkije Y] zei hem dat de twee zaken door dezelfde informant waren geklaard en dat ook Nederland een steentje zou bijdragen aan het betalen van tipgeld aan die informant.

Het standpunt van de Turkse politie over de informatiebron met betrekking tot de start van het onderzoek in de Benoitzaak komt niet overeen met de verklaringen van [liaison officer VW] en [tolk C] op dat punt.

Zaakscoördinator [zaakscoördinator Turkije Y] heeft verklaard dat in de zaak Benoit geen gebruik is gemaakt van een informant of infiltrant, maar dat men het tweede onderzoek (de Benoitzaak; toevoeging rechtbank) is gestart op basis van een analyse van de gegevens uit het eerste onderzoek (de Dönerzaak; toevoeging rechtbank).

Waaruit die analyse heeft bestaan heeft [zaakscoördinator Turkije Y] echter niet willen verklaren.

In het informatiebulletin van [medewerker KOM A] , die evenals [zaakscoördinator Turkije Y] werkzaam is bij de KOM in Ankara, staat over de in het DINproces-verbaal van 22 februari 2005 neergelegde informatie waarmee de Benoitzaak is gestart niet meer vermeld dan dat dit tijdens een onderzoek is vernomen.

In het faxbericht van 19 september 2005 afkomstig van de Turkse liaison officer in Nederland [Turkse liaison officer SS], gericht aan toenmalig zaaksofficier [eerste zaaksofficier van justitie N] wordt, ondanks haar gedetailleerde vragen omtrent de informatiebron, slechts gesproken over informatie afkomstig uit een “separate investigation (technical investigation)”.

De verklaring van [zaakscoördinator Turkije Y] en de genoemde Turkse stukken vormen voor de rechtbank daarom geen aanleiding om de weergegeven verklaringen van [liaison officer VW] en [tolk C] niet te geloven. Daar komt bij dat, zoals hierna zal blijken, [liaison officer VW] in de Benoitzaak de startinformatie heeft doen toekomen aan zijn CIE-contact [CIE-medewerker I], die bezig was met het opstellen van het beloningsvoorstel voor de informant in de zaak Döner, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met de verklaring van [zaakscoördinator Turkije Y] dat in de Benoitzaak geen sprake is geweest van een informant.

8. beloningsvoorstel Benoitzaak

De rechtbank heeft de officier van justitie op de zitting van 16 oktober 2007 verzocht om overlegging van stukken betreffende het beloningsvoorstel waarvan in de Dönerzaak sprake was. Zie hiervoor onder 5.

De officier van justitie heeft daarop twee versies van “de opzet voor een beloningsvoorstel” overgelegd. [CIE-medewerker I] voornoemd heeft deze stukken opgesteld. Beide versies zijn wat betreft de getypte tekst gelijkluidend. De getypte tekst houdt een voorstel in tot beloning van de informant in de 100kg-zaak (de Dönerzaak; toevoeging rechtbank). Eén van de beloningsvoorstellen bevat daarnaast handgeschreven teksten (krabbels) van [CIE-medewerker I]. Deze handgeschreven teksten luiden als volgt: Bij de rubriek: “Betrouwbaarheid van de informant en informatie” is bijgeschreven “vervolgonderzoek”. Bij het tekstgedeelte: “Langer lopende verd. lijn ??” is bijgeschreven: “samenwerking?”en “gestart na doorloop in andere zaak”. Volgens [CIE-medewerker I] betekent “vervolgonderzoek” dat daar nog iets tussen moest. Er moest volgens [CIE-medewerker I] bijvoorbeeld nog worden opgenomen wat het vervolg van het onderzoek was geweest. Gevraagd of de aantekening “na doorloop in andere zaak” slaat op de relatie tussen de Benoitzaak en de Dönerzaak, heeft [CIE-medewerker I] geantwoord dat dit ook zijn conclusie zou zijn.

[CIE-medewerker I] beschikte over de startinformatie in de Benoitzaak. Op 22 februari 2005 heeft liaison officer [liaison officer VW] het faxbericht met daarin de startinformatie in de Benoitzaak toegestuurd aan [DIN medewerker M] van de Dienst Internationale Netwerken (DIN), evenals een concept proces-verbaal waarin die startinformatie is opgenomen. In het faxbericht verzoekt [liaison officer VW] aan [DIN medewerker M] om het concept startproces-verbaal, waarin de naam van de verbalisant die het proces-verbaal zou ondertekenen nog niet was opgenomen, aan te vullen en zo spoedig mogelijk naar [CIE-medewerker I] van de CIE van de Nationale Recherche Randstad Noord te sturen. Die doorzending aan [CIE-medewerker I] heeft ook plaatsgevonden.

Gezien de aanwezigheid van niet één maar twee concept beloningsvoorstellen, de handgeschreven aantekeningen van [CIE-medewerker I] op één van die conceptvoorstellen, de uitleg die [CIE-medewerker I] daarover heeft gegeven en het feit dat de startinformatie in de Benoitzaak direct is doorgegeven aan [CIE-medewerker I], lijkt het er sterk op dat het format van het beloningsvoorstel in de Dönerzaak is gebruikt om er toe te komen dat de(zelfde) informant ook zou worden beloond voor de verstrekte startinformatie in de Benoitzaak, in ieder geval dat het de bedoeling was dat er in Nederland een beloning zou worden aangevraagd voor de bijdrage van de informant aan de opsporing in beide zaken.

9. cancellen beloningsvoorstel

Tijdens het transport in de Benoitzaak is bij de CIE bekend geworden dat de Turkse informant zelf als verdachte bij het transport betrokken was. Dit blijkt onder meer uit het proces verbaal d.d. 15 oktober 2007 dat is opgesteld door [B], hoofdinspecteur bij de KLPD, hoofd CIE, inhoudend dat in de CIE-administratie van de Nationale Recherche is vermeld dat op 28 februari 2005 een telefonisch onderhoud is geweest tussen [CIE-medewerker I] en liaison officer [liaison officer VW], waarbij naar voren is gekomen dat de Turkse informant uit Döner een medeverdachte is in de 300 kilo zaak (Benoitzaak; toevoeging rechtbank). Naar aanleiding van dit gesprek heeft [medewerker Randstad Noord L], aldus laatstgenoemd proces-verbaal, besloten niet mee te werken aan een tipgeld aanvraag. [medewerker Randstad Noord L], leidinggevende van [CIE-medewerker I] bij de CIE, verklaart ook zelf in dat kader dat hij geen goed gevoel had over het informatie-traject en dat hij daarom het beloningsvoorstel dat op zijn verzoek door [CIE-medewerker I] in concept was opgesteld, niet heeft doorgezet.

[CIE-medewerker I], die als CIE-rechercheur het onderzoek door het tactisch opsporingsteam “bijliep” heeft verklaard dat hij aan [liaison officer VW] tijdens het telefoongesprek van 28 februari 2005 duidelijk te verstaan heeft gegeven dat geen sprake kon zijn van een beloning, nu de informant verdachte was geworden. [CIE-medewerker I] hoorde dat de informant verdachte was geworden, naar zijn zeggen, van [leidinggevende Randstad Noord O] (als leidinggevende werkzaam bij Unit Randstad Noord) of van [medewerker Randstad Noord L].

Na de mededeling van [CIE-medewerker I] dat geen sprake kon zijn van een beloning zei [liaison officer VW] dat hij dit bijzonder jammer vond en het betreurde. [liaison officer VW] bleef [CIE-medewerker I] hierover stalken door hem twee- of driemaal tegen beter weten in te benaderen met de vraag of niet toch een beloning mogelijk was, dit hoewel [CIE-medewerker I] [liaison officer VW] tevoren had uitgelegd dat wanneer een informant zelf strafbare feiten pleegt “het feestje van de beloning” niet door zou kunnen gaan. Het was voor [CIE-medewerker I] duidelijk dat [liaison officer VW] nooit aan de Turkse autoriteiten had doorgegeven dat geen sprake kon zijn van een beloning voor de informant. [CIE-medewerker I] baseert dat op het feit dat de Turkse teamleider aan [liaison officer Istanbul V], de tijdelijk opvolger van [liaison officer VW], had gevraagd waar het tipgeld bleef. [liaison officer Istanbul V] bevestigt dit. Hij merkt hierover in zijn journaal op dat [secretaresse lo VW, NE] hem in september 2005 meedeelde te zijn gebeld door [medewerker Turkse politie K] van de KOM die vroeg naar de stand van zaken rond het beloningsvoorstel voor de informant. [liaison officer Istanbul V] en [secretaresse lo VW, NE] hebben vervolgens met [medewerker Turkse politie K] hierover op 19 september 2005 gesproken. Volgens [medewerker Turkse politie K] heeft [liaison officer VW] hem diverse malen bevestigd dat de informant vanuit Nederland uitbetaald zou krijgen. Laatstelijk hebben ze hier nog over gesproken op 30 april 2005 op de ambassade. [medewerker Turkse politie K] reageerde verbaasd en boos toen hij hoorde dat waarschijnlijk al eind februari 2005 was beslist dat de informant niet voor een vergoeding in aanmerking zou komen. [medewerker Turkse politie K] noch iemand anders van zijn voormalige afdeling had dit ooit te horen gekregen. Hij was zeer ongelukkig met deze gang van zaken.

Gelet op deze gang van zaken kan geen geloof worden gehecht aan de verklaring van [liaison officer VW] dat niet de CIE maar hij degene is geweest die het initiatief heeft genomen en tegen de CIE heeft gezegd in gesprekken met [medewerker Randstad Noord L] en [CIE-medewerker I] dat het beloningsvoorstel van tafel moest omdat de informant verdachte was geworden in de Benoitzaak.

10. informant is [C]

Hiervoor onder 7 is overwogen dat de rechtbank er van uit gaat dat de informant in de Döner- en de Benoitzaak dezelfde persoon is. Op grond van het navolgende wordt aangenomen dat die persoon [C] wordt genoemd en dat hij de organisator was van het transport.

Dit wordt in de eerste plaats afgeleid uit de verklaring van tolk [tolk C] dat de startinformatie in de Benoitzaak van een ‘informant’ afkomstig was met de naam “[C]”. Hij had dit gehoord van [medewerker KOM CS], eerdergenoemde hoofdinspecteur in Turkije, en had zelf ook al dat vermoeden op grond van de uitgeluisterde tapgesprekken.

Aan deze verklaring wordt geloof gehecht nu deze steun vindt in onder andere de verklaring van [CIE-medewerker I], die heeft verklaard dat hij had begrepen dat de informant ‘er met boter en suiker’ inzat en mede organisator was van het transport.

Ook [liaison officer VW] heeft verklaard dat [C] verantwoordelijk was voor het transport. Voorts houdt het Informatiebulletin d.d. 8 maart 2005 van [medewerker KOM A] van de KOM in dat aan de Nederlandse liaison officer op 26 februari 2005 een bericht is gestuurd waarin o.a. stond vermeld dat “ene [C]” de organisator is van het drugstransport in de zaak Döner. Uit later onderzoek is de volledige naam van [C] gebleken.

11. infiltratietraject Benoit

Recapitulerend komt hetgeen hiervoor is overwogen er op neer dat het zowel in de Dönerzaak als in Benoitzaak de bedoeling was dat een geldelijke beloning zou worden verstrekt aan de informant, zijnde [C], een burger, die in beide zaken startinformatie had verstrekt, maar die in de Benoitzaak ook als organisator bij het transport betrokken is geweest.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of deze [C] voor de Turkse autoriteiten slechts de verstrekker is geweest van informatie die heeft geleid tot de start van het onderzoek in de zaak Benoit, of dat aannemelijk is dat er sprake is geweest van een verdergaande samenwerkingsrelatie tussen deze persoon en de Turkse autoriteiten, in welk geval [C] als infiltrant dient te worden aangemerkt. Voorts ligt de vraag voor of [liaison officer VW] (de Nederlandse liaison officer in Turkije) van de inzet van [C] als infiltrant wist.

De rechtbank is van oordeel dat [C] door Turkije is ingezet als infiltrant en dat [liaison officer VW] hiervan moet hebben geweten.

Hiervoor worden de volgende krachtige aanwijzingen gezien:

1. mededeling [zaakscoördinator Turkije Y] over handelwijze informant ([C]) in Benoitonderzoek kan niet kloppen;

2. verzoek geldelijke beloning voor informant ([C]), dit ondanks het feit dat [liaison officer VW] wist dat de informant ([C]) ook betrokken was bij de strafbare feiten waarop het onderzoek was gericht;

3. poging van de Turkse autoriteiten om [C] buiten het onderzoek te houden.

ad 1.

[liaison officer VW] heeft verklaard dat hij van [zaakscoördinator Turkije Y] heeft gehoord dat de informant, nadat hij de informatie over het transport van 300 kg heroïne had verstrekt en hij de Turkse politie tevergeefs had gevraagd om te investeren in dit transport, zich niet meer heeft gemeld en er verder met hem geen politiecontacten zijn geweest.

Uit diverse stukken blijkt dat de informant ([C]) wordt gezien als degene die het heroïnetransport vanuit Turkije organiseerde. De uit de mededeling van [zaakscoördinator Turkije Y] voortvloeiende suggestie dat de organisator van een groot heroïnetransport dit op voorhand wegtipt aan de politie zonder dat van te voren samenwerkingsafspraken zijn gemaakt tussen deze burger en de politie, moet als volstrekt onaannemelijk van de hand worden gewezen. Het lijkt er veeleer op dat [zaakscoördinator Turkije Y] tegen [liaison officer VW] heeft gezegd dat er geen verdere politiecontacten zijn geweest om te verhullen dat de informant een veel verdergaande rol had.

Dat de mededeling van [zaakscoördinator Turkije Y] niet kan kloppen, wordt ondersteund door het feit dat de informant, die volgens [liaison officer VW] onmiddellijk nadat hij de informatie had verstrekt in Turkije onder de tap is gezet , daarna vrijelijk via de telefoon over het transport spreekt. Indien al juist zou zijn dat de informant het transport zonder afspraken heeft weggetipt, ligt het voor de hand dat hij zich -als ervaren informant- realiseerde dat daarnaar door de politie onderzoek zou kunnen worden gedaan en dat hij daarom niet (vrijelijk) over het transport kon praten.

Mede gelet op de concrete aanwijzingen voor de inzet van een infiltrant in de met de Benoitzaak samenhangende Dönerzaak, gelet op het daar gedane Turkse verzoek de organisator te laten ontsnappen, moet [liaison officer VW], een ervaren politieman, hebben geweten dat de mededeling van [zaakscoördinator Turkije Y] te onwaarschijnlijk was.

ad 2.

Zoals hiervoor reeds is aangegeven heeft [liaison officer VW] op 22 februari 2005 aan de DIN verzocht om het startproces-verbaal in de zaak Benoit door te sturen naar [CIE-medewerker I] van de CIE van de Nationale Recherche Randstad Noord, hetgeen ook is gebeurd.

[liaison officer VW] heeft verklaard dat hij van [zaakscoördinator Turkije Y] had gehoord dat de informant meteen onder de tap is gezet, omdat hij als verdachte werd aangemerkt.

Op het moment van het verstrekken van de startinformatie aan de DIN en aan [CIE-medewerker I] wisten de Turkse politie en [liaison officer VW] dus al dat de informant ([C]) ook zelf betrokken was bij de strafbare feiten waarop het onderzoek was gericht. Niettemin heeft [liaison officer VW] -zoals hiervoor onder 8 is overwogen- een beloning voor hem willen regelen.

Ook dit wordt gezien als een zeer sterke aanwijzing dat de informant ([C]) een speciale status had in het Turkse opsporingsonderzoek en dat [liaison officer VW] daarvan op de hoogte moet zijn geweest.

ad 3.

De tolk [tolk C] heeft op de zitting van 10 oktober 2007 verklaard dat hij kort na het klappen van de zaak Benoit in Ankara was in verband met een ander onderzoek en daar een ontmoeting had met hoofdinspecteur [medewerker KOM CS], toentertijd hoofd onderzoeksbureau van de KOM in Ankara waar de zaak Benoit liep. Voorts houdt de verklaring van [tolk C] in:

“(…) [medewerker KOM CS], die bij de Benoitzaak betrokken was, vroeg wat gaan jullie met die man, [C], doen. Kunnen jullie hem niet buiten het dossier houden? Ik zei dat dat niet kon, omdat hij erbij betrokken was, want hij had tientallen gesprekken gevoerd en hij zat in het onderzoek. Ik zei hij heeft zich strafbaar gedragen. [medewerker KOM CS] vroeg toen ‘je weet toch wie [C] is?’ Ik had al eerder gedacht dat er iemand bij betrokken was, wat niet klopte. Ik had immers veel van de tapgesprekken vertaald. [medewerker KOM CS] zei ‘dan is er een probleem, dan gaan jullie hem verhoren, dan wordt zijn rol duidelijk, wil je dit meenemen en ons probleem duidelijk maken aan de teamleiding in Nederland?’ Hij zei dat [C] een informant was. Ik had daar zelf al een vermoeden van op grond van de tapgesprekken. Hij heeft niet gezegd wat precies de rol van [C] was, maar hij heeft het woord informant genoemd en dat deze [C] al in de problemen zat (…)”

In gelijke zin heeft de tolk [tolk C] eerder, op 26 juni 2007, verklaard tegenover BV&I. Die verklaring houdt onder meer in dat [medewerker KOM CS] [tolk C] tijdens het bezoek aan Turkije op 14/15 maart 2005 vroeg: “het is toch niet zo dat [C] gezocht wordt?; “wat gaan jullie met hem doen?”, “hebben jullie zijn naam in het proces-verbaal opgenomen, want dat was toch niet afgesproken.”

In het zaaksjournaal van [liaison officer VW] staat vermeld dat [medewerker Turkse politie TA] (de rechtbank begrijpt [medewerker Turkse politie TA], case-officer en leider van het tactisch onderzoek in Turkije in de Benoit-zaak) op 4 maart 2005 aan [liaison officer VW] heeft gevraagd of er een arrestatiebevel voor [C] is en voorts dat [liaison officer VW] dit in Nederland zou navragen. Deze vraag van [medewerker Turkse politie TA] is merkwaardig omdat [C] in Turkije verbleef en in Turkije onder de tap stond, zodat -als [C] al zou moeten worden aangehouden- het voor de hand zou liggen dat de Turkse autoriteiten zelf een bevel tot arrestatie zouden uitvaardigen. Het lijkt er dan ook veeleer op dat [medewerker Turkse politie TA] deze vraag stelde, omdat de Turkse politie niet wilde worden geconfronteerd met een Nederlands internationaal arrestatiebevel, maar zelf de regie wilde houden over [C] en dat [liaison officer VW] deze vraag -gelet op zijn reactie- kennelijk kon plaatsen.

De vragen van [medewerker KOM CS] en van [medewerker Turkse politie TA] sluiten op elkaar aan en passen vele malen beter bij het scenario dat [C] door de Turkse autoriteiten als infiltrant is ingezet dan bij het scenario dat [C] door de Turkse autoriteiten in de zaak Benoit slechts als verdachte werd beschouwd.

Voorts moet ook op grond van het bovenstaande het er voor worden gehouden dat de speciale status (lees: infiltrant) van [C] voor [liaison officer VW] duidelijk moet zijn geweest.

Dat [C] -ondanks het feit dat hij onder de tap stond en dus gelokaliseerd kon worden- uiteindelijk veel later in het najaar van 2006 door de Turkse autoriteiten toch is aangehouden, maakt die conclusie niet anders. In het laatste met betrekking tot deze [C] verstrekte Turkse document is te lezen dat er nog geen sprake is van een veroordeling en dat hij op 23 september 2010 gedetineerd zit niet voor deze maar voor een andere zaak. Ook blijkt uit de verklaring van [medewerker Turkse politie K] dat indien er in Turkije sprake is van een informant die zelf ook deelneemt aan het transport, zijn aanspraken op strafvermindering of niet-vervolging worden behandeld in een besloten zitting nadat deze betrokkene is veroordeeld.

Met andere woorden dat [C] op een gegeven moment in Turkije is aangehouden in verband met deze zaak is geen bewijs voor de stelling dat hij niet als infiltrant -want zo moet een informant die zelf ook deelneemt aan het transport worden beschouwd- heeft opgetreden.

Tot het oordeel dat in de onderhavige Benoitzaak sprake is geweest van een infiltratietraject waarvan [liaison officer VW] op de hoogte was, draagt ook nog bij de parallel met de werkwijze in het samenhangende onderzoek Döner. Immers ook in die zaak is kennelijk door de Turkse politie samengewerkt met de organisator van het transport en is op verzoek van Turkije geprobeerd (en met succes, zoals blijkt uit hetgeen hierboven onder 6 staat vermeld) met medeweten van [liaison officer VW] die organisator (daar: de weggekomen [OC]) buiten het strafrechtelijk traject te houden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [C] in de zaak Benoit niet slechts de startinformatie heeft verstrekt, maar dat het er op grond van de beschikbare gegevens voor moet worden gehouden dat [C] door de Turkse autoriteiten in het kader van een infiltratietraject als organisator van dit verdovende middelen transport is ingezet. Voorts moet het er voor gehouden dat liaison officer [liaison officer VW] van deze positie van [C] op de hoogte was.

12. geen transparantie noch adequate verslaglegging infiltratie Benoitzaak

In CIE-kring ([medewerker Randstad Noord L] en [CIE-medewerker I]) was al vanaf eind februari 2005 bekend dat de informant in de Benoitzaak tevens medeverdachte was.

Voor de CIE was dat reden om met onmiddellijke ingang het beloningstraject voor de ‘informant’ [C], die zoals hierboven is aangegeven in zowel de Döner- als de Benoitzaak de informatie had verstrekt, te stoppen. [medewerker Randstad Noord L] had geen goed gevoel over het informatietraject, zie hiervoor ook onder 9 ‘Cancellen beloningsvoorstel informant in Döner en Benoit’.

Met andere woorden er bestonden in ieder geval bij de CIE sterke twijfels over de positie van de informant kennelijk wegens zijn hybride positie van informant/medeverdachte.

Wat er vervolgens met die informatie binnen de CIE is gebeurd, is ondanks de verschillende getuigenverhoren op dit punt niet helder geworden, nu er sprake is van moeilijk te verklaren discrepanties tussen de verklaringen van de betrokkenen.

Immers [CIE-medewerker I] is stellig in zijn verklaring dat de kwestie rond het beloningsvoorstel van [liaison officer VW] is besproken met de toenmalige CIE-officier van justitie [CIE officier van justitie VdB] , terwijl [CIE officier van justitie VdB] even stellig zegt over deze kwestie nooit contact te hebben gehad met de CIE vóór hij belast was met een intern onderzoek in 2007.

Opmerkelijk genoeg heeft de Nederlandse liaison officer [liaison officer VW] zijn wetenschap over de informant als medeverdachte in de zaak Benoit niet onmiddellijk gedeeld met de zaaksofficier van justitie.

Op 18 april 2005 heeft er op Schiphol een bespreking plaatsgevonden waarbij behalve [liaison officer VW] ook de officieren van justitie [officier van justitie T] (in die tijd teamleider bij het Landelijk Parket, Team Nationale Recherche, eenheid Randstad Noord) en [eerste zaaksofficier van justitie N] (in die tijd de zaaksofficier van justitie) en [liaison officer VW]s leidinggevende [medewerker DIN D] (in die tijd unithoofd van de “Unit buiten Europa” van de DIN) aanwezig waren.

Tijdens dat gesprek is met name gesproken over de start van het onderzoek, zijn aan [liaison officer VW] indringend vragen gesteld of sprake was van een informant of een infiltrant en of er door één van de betrokkenen afspraken waren gemaakt met de Turkse opsporingsdiensten. Voorts is gevraagd of er sprake was van enige Nederlandse sturing.

[liaison officer VW] heeft tijdens dat Schipholgesprek niets over het stukgelopen beloningstraject verteld en heeft ontkend dat er sprake was van een infiltrant.

[liaison officer VW] heeft weliswaar verklaard dat hij toen wel zou hebben besproken dat de in Benoit gebruikte informant inmiddels verdachte was geworden, maar dat specifieke en vermeldenswaardige gegeven komt in geen van de verklaringen van de andere betrokkenen bij dit gesprek ([officier van justitie T] , [medewerker DIN D] en [eerste zaaksofficier van justitie N] ) naar voren, zodat aan de verklaring van [liaison officer VW] op dat punt geen geloof kan worden gehecht.

Dit was echter wel relevante informatie die in ieder geval op dat moment door [liaison officer VW] met de andere aanwezigen had moeten worden gedeeld. Immers op grond van de toen beschikbare gegevens waren er krachtige aanwijzingen dat [C] door de Turkse autoriteiten in het kader van een infiltratietraject als organisator van dit verdovende middelen transport was ingezet.

[liaison officer VW] heeft voorts verklaard dat in de Benoitzaak de informatie over de transformatie van informant naar verdachte in Turkije is gebleven en dat hij dat ook niet met het Nederlandse opsporingsteam heeft gecommuniceerd omdat het niet van belang was.

De uiteindelijk door Turkije verstrekte stukken uit het Turkse onderzoek met betrekking tot het verdovende middelen transport in de zaak Benoit verschaffen op dit punt verder ook geen helderheid. De stukken bevatten bijvoorbeeld niet zoiets als een relaas proces-verbaal waarbij een chronologisch overzicht wordt gegeven van het opsporingsonderzoek.

Wel is op grond van die stukken duidelijk dat er (in ieder geval) reeds op 3 februari 2005 een tapmachtiging is afgegeven ten aanzien van [C]. Maar wat de precieze grondslag daarvoor is geweest blijkt uit niets, nu onderliggende stukken ontbreken.

Weliswaar is er op 9 september 2005 - kennelijk naar aanleiding van het verhandelde op de zitting van 7 september 2005 - door de toenmalige zaaksofficier van justitie [eerste zaaksofficier van justitie N] een uitgebreide brief met vele gedetailleerde vragen over de start van het onderzoek gestuurd aan de Turkse LO in Nederland [Turkse liaison officer SS]. In zijn (onder paragraaf 7 eerder genoemde) reactie van 19 september 2005 blijven de meeste (relevante) vragen over het onderzoek in Turkije en de connexiteit tussen het Turkse en het Nederlandse onderzoek echter onbeantwoord.

De verklaring van [zaakscoördinator Turkije Y], toenmalig directeur van de KOM, staat met betrekking tot de aan [liaison officer VW] verstrekte informatie ten tijde van het overdragen van de startinformatie haaks op wat [liaison officer VW] daarover heeft verklaard, nu [zaakscoördinator Turkije Y] ontkent dat er sprake is geweest in de zaak Benoit van een informant.

Met betrekking tot andere specifieke vragen over de start van het onderzoek heeft [zaakscoördinator Turkije Y] verklaard dat het hem niet vrij staat die te beantwoorden.

De verschillende verhoren van andere Turkse politiefunctionarissen [medewerker Turkse politie K], [medewerker Turkse politie TE] en [medewerker KOM CS] hebben geen nader licht op de start van het Turkse onderzoek en de positie van [C] geworpen.

13. tussenconclusie

Recapitulerend komt de rechtbank tot de volgende tussenconclusie:

- in de onderhavige zaak (Benoitzaak) is sprake geweest van een infiltratietraject in Turkije waarbij gebruik is gemaakt van een burgerinfiltrant. De startinformatie is afkomstig van deze infiltrant;

- vanaf de start van het onderzoek in deze zaak was de samenwerking tussen de Nederlandse en Turkse politie zo intensief dat de in beide landen gevestigde opsporingsteams de facto hebben gewerkt als één lokatie-overstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam;

- de Nederlandse liaison officer in Turkije [liaison officer VW] moet hebben geweten van het door Turkije in de Benoitzaak ingezette infiltratietraject;

- het was de bedoeling dat er in Nederland een beloning zou worden aangevraagd voor de startinformatie die in deze zaak door de ingezette informant/infiltrant was verstrekt.

De nauwe en directe samenwerking tussen de opsporingsteams enerzijds en de concrete aanwijzingen/wetenschap die de Nederlandse liaison officer had met betrekking tot de inzet in dit onderzoek door de Turkse autoriteiten van een burgerinfiltrant anderzijds, vormen de bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Nederlandse justitiële autoriteiten mede verantwoordelijkheid dienen te dragen voor het ingezette infiltratietraject.

Gelet op deze omstandigheden komt aan het Nederlandse Openbaar Ministerie geen disculperend beroep toe op het vertrouwensbeginsel.

Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de onderzoekshandelingen die in het buitenland (Turkije) hebben plaatsgevonden, dient de Nederlandse strafrechter daarom te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels (waarvan de rechten uit het EVRM deel uitmaken) zijn nageleefd die de inzet van een infiltratietraject normeren.

14. toetsing infiltratietraject

Uit verschillende stukken in het Turkse dossier blijkt dat de infiltrant - eerdergenoemde burger [C] - al vóór zijn inzet in de Benoitzaak in februari 2005 justitiële antecedenten had. Hij is eerder aangehouden wegens overtreding van de Wapenwet en voor smokkel van waardevolle goederen. [C] moet daarom worden beschouwd als een criminele burgerinfiltrant.

In Nederland is door de wetgever niet uitgesloten dat in het kader van de opsporing in ‘zeer uitzonderlijke gevallen’ een burgerinfiltrant wordt ingezet (zie de artikelen 126w en 126x Sv).

In de wettekst wordt geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. De Tweede Kamer heeft echter in een motie een verbod tot het inzetten van een criminele burgerinfiltrant vastgelegd (motie-Kalsbeek) op grond van de overwegingen dat het werken met een criminele burgerinfiltrant in het algemeen slecht controleerbaar is en omdat het vanwege het veel voorkomen van een ‘dubbele agenda’ bij een criminele burgerinfiltrant slecht te controleren is of deze anderen niet uitlokt strafbare feiten te plegen waarop hun opzet niet al was gericht (het Tallon-criterium).

Door de Minister is nadien het standpunt ingenomen dat alleen ontheffing van dit verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten kan worden verleend in het kader van opsporingsonderzoeken die betrekking hebben op de bestrijding van terrorisme.

Daarvan is in deze drugszaak geen sprake.

De inzet van de criminele burgerinfiltrant [C] had naar Nederlandse maatstaven dus niet mogen plaatsvinden. Dit is een ernstig vormverzuim.

Daar komt bij dat burgerinfiltratie als bijzondere opsporingsmethode wettelijk strikt is genormeerd, waarbij ook een zware getrapte interne toets binnen het Openbaar Ministerie is voorgeschreven via hoofdofficier van justitie, Centrale Toetsingscommissie en uiteindelijk het College van procureurs-generaal en de Minister. In dit geval heeft die toets vooraf niet plaatsgevonden.

Voorts geldt dat de Nederlandse rechter achteraf de inzet van bijzondere opsporingsmethoden moet kunnen toetsen op proportionaliteit en subsidiariteit.

Bij infiltratie moet daarnaast ook worden getoetst aan het in het derde lid van art. 126w Sv neergelegde Tallon-criterium. Infiltratie mag op grond van dat artikellid alleen dan worden ingezet als achteraf kan worden vastgesteld dat de betrokken persoon niet is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet van tevoren was gericht. Dat is een serieuze voorwaarde waar de rechter aan moet kunnen toetsen.

Ook uit de Straatsburgse jurisprudentie vloeit voort dat undercover opsporingstechnieken alleen dan moeten worden ingezet indien vast kan worden gesteld dat de betrokken persoon reeds van plan was om criminele activiteiten te ontplooien, in die zin dat er ofwel een objectieve verdenking dient te bestaan tegen de betrokkene op het moment dat de autoriteiten bij het delict betrokken raken, ofwel dat bij betrokkene een predispositie tot het plegen van het delict bestaat. Een strafblad is daarvoor indicatief, maar niet doorslaggevend.

Daarnaast moet worden gekeken naar het gedrag van de betrokken undercoveragent/ infiltrerende burger: nam deze het initiatief of voegde hij zich bij reeds lopende delicten?

Het is aan het Openbaar Ministerie om in het concrete geval prima facie aan te tonen dat geen sprake is geweest van (ontoelaatbare) uitlokking, ook zonder dat op dat punt een verweer is gevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft dat niet gedaan en is daartoe kennelijk ook niet in staat.

In deze zaak is het onderzoek naar en het toetsen aan bovengenoemde aspecten door de zittingsrechter eveneens onvoldoende mogelijk. Immers er is geen transparante en adequate verslaglegging voorhanden over het in Turkije ingezette infiltratietraject en het verloop daarvan.

Zoals eerder geconcludeerd moet het er voor worden gehouden dat liaison officer [liaison officer VW] moet hebben geweten dat er in Turkije een infiltratietraject liep in het door Nederland en Turkije gezamenlijk uitgevoerde opsporingsonderzoek.

[liaison officer VW] heeft zelf in het algemeen verklaard dat in een situatie waarin een informant tevens medeverdachte wordt, er geen sprake meer is van een informant en dat er nog wel samenwerking mogelijk is, maar dat dan via het in te schakelen landelijk infiltratieteam een ander traject gaat lopen.

Gelet op de speciale vereisten die zijn gesteld aan de inzet van burgerinfiltranten (ex artikel 126w/artikel 126x Sv) had [liaison officer VW] daarom zo spoedig mogelijk het Openbaar Ministerie op de hoogte moeten stellen van deze door de Turkse opsporingsambtenaren in het gemeenschappelijk Turks-Nederlandse onderzoek toegepaste bijzondere opsporingsmethode, te meer nu het ging om een criminele burgerinfiltrant. Dat heeft [liaison officer VW] evenwel niet gedaan, hij heeft zijn kennis en wetenschap niet gedeeld met het tactisch team noch met de zaaksofficier of haar leidinggevende.

Omdat [liaison officer VW] in zijn functie als Nederlands liaison officer in Turkije heeft gehandeld onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, wordt zijn wetenschap aan het Openbaar Ministerie toegerekend, dit ondanks het feit dat hij zijn kennis/wetenschap omtrent de status van [C] niet met het Openbaar Ministerie heeft gedeeld.

Hoewel in de loop van de strafprocedure en na verschillende rechtshulpverzoeken daartoe aan het procesdossier verschillende stukken zijn toegevoegd afkomstig uit de Turkse strafdossiers van medeverdachten, is ook op grond van deze stukken niet te reconstrueren wat de gang van zaken met betrekking tot het infiltratietraject is geweest.

Ook de verschillende getuigenverhoren van Turkse opsporingsambtenaren hebben op dit punt geen duidelijkheid geschapen.

Er is derhalve ook geen compensatie achteraf mogelijk gebleken van de gebrekkige verslaglegging vooraf. Zo is bijvoorbeeld de vraag naar wat de grondslag was voor het ten aanzien van het op 3 februari 2005 al ten aanzien van [C] gegeven tapbevel, onbeantwoord gebleven. Evenmin is bekend hoe de contacten zijn verlopen tussen [C] en de hier in Nederland vervolgde verdachten vóór 22 februari 2005 - de startdatum van het Nederlandse onderzoek -, terwijl dat juist de relevante periode is om te kunnen controleren of de verdachte door de infiltrant niet is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn -verdachtes- opzet tevoren niet reeds daarop was gericht.

Daar komt bij dat [C] in de Benoitzaak niet alleen de startinformatie heeft verschaft op basis waarvan het Nederlandse onderzoek is gaan lopen, maar dat het potentiële bewijsmateriaal ook voor een belangrijk deel bestaat uit telefoontaps tussen hem en de in Nederland vervolgde verdachten.

15. eindconclusie

Nu de inzet van een criminele burgerinfiltrant naar Nederlandse maatstaven onrechtmatig wordt geacht en een transparante en inadequate verslaglegging daarover in het Nederlandse procesdossier ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM niet is gewaarborgd.

Van een ‘fair trial’ als bedoeld in artikel 6 EVRM is immers geen sprake indien de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht. Dat hangt samen met de fundamentele notie dat de strafvorderlijke overheid bij de opsporing integer moet handelen wil er sprake kunnen zijn van een eerlijk proces. Dat handelen moet daarom kunnen worden gecontroleerd door het Openbaar Ministerie en uiteindelijk door de zittingsrechter, wat - zoals gezegd - in dit geval, mede door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen omstandigheden, niet mogelijk is.

Het Openbaar Ministerie is daarom met grove verontachtzaming van de belangen van de verdachte te kort geschoten in de controle op de met medeweten van Nederland ingezette criminele burgerinfiltrant door Turkije in dit gemeenschappelijke opsporingsonderzoek.

Gelet op ernst van de schendingen van de rechten van de verdachte, het belang dat de geschonden voorschriften (overtreding van het verbod tot het inzetten van een criminele burgerinfiltrant en niet-naleving van de verplichting tot transparante en adequate verslaglegging over het ingezette infiltratietraject, met name in het licht van artikel 126w, derde lid Sv) dient, het nadeel dat daardoor voor de verdachte is ontstaan en de verdere omstandigheden van dit geval, had niet tot vervolging van de verdachte behoren te worden overgegaan en had het onderhavige strafproces niet behoren plaats te vinden.

Alleen niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging wordt daarom als een passende sanctie gezien op de geconstateerde vormverzuimen, omdat anders onvoldoende recht kan worden gedaan aan de in artikel 6 EVRM vervatte waarborgen voor een eerlijk proces.

VOORLOPIGE HECHTENIS

De vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van de verdachte, zal worden afgewezen, gelet op de te nemen beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte voor de feiten waarvoor de gevangenneming is gevorderd.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. De Knoop en Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2012.

Bijlage bij vonnis van 16 april 2012:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 23 februari 2005 tot en met 28 februari 2005 te Amsterdam en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland en/of te Hannover, in elk geval in Duitsland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) ongeveer 90 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk

- (al dan niet versluierde) telefoongesprekken en/of directe contacten gehouden met een of

meer anderen en/of

- (al dan niet versluierde) afspraken gemaakt met een of meer anderen, gericht op het elkaar

ontmoeten en/of elkaar spreken omtrent de uitvoering en/of

- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven met betrekking tot

de uitvoering en/of

- (andere) hand- en spandiensten verricht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[artikel 2 lid 1 A Opiumwet juncto artikelen 45 en 47 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 23 februari 2005 tot en met 28 februari 2005 te Amsterdam en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland en/of te Hannover, in elk geval in Duitsland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten, het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 90 kilogram heroïne, in elk geval van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede

te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van

dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of ernstige

redenen had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- (al dan niet versluierde) telefoongesprekken en/of directe contacten gehouden met een of

meer anderen en/of

- (al dan niet versluierde) afspraken gemaakt met een of meer anderen, gericht op het elkaar

ontmoeten en/of elkaar spreken omtrent de uitvoering van het te plegen feit en/of

- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven met betrekking tot de uitvoering

van het te plegen feit en/of

- (andere) hand- en spandiensten verricht;

[artikel 10a Opiumwet juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht]