Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3094

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
10/820001-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke afwijzing verzoek om mini-instructie door rechter-commissaris.

In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of de grootmoeder van het vijfjarige slachtoffer dient te worden gehoord en op welke wijze dat dient te worden beoordeeld. Het ongeval heeft voor haar ogen plaatsgevonden. De positie van deze getuige als slachtoffer is relevant omdat de rechter-commissaris zich gebonden acht aan het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (verder: het kaderbesluit). Dat volgt uit het zogenaamde Pupino-arrest. Artikel 3, tweede volzin, van het kaderbesluit luidt: “Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.” Het voorgaande brengt met zich mee dat de belangen van de verdachte dermate zwaarwegend dienen te zijn dat deze het oordeel rechtvaardigen dat het noodzakelijk is om het slachtoffer te horen. Op dit moment zijn er nog voldoende alternatieven te onderzoeken waarmee het door de raadsman beoogde resultaat – het toetsen van zijn stelling – kan worden bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Strafrecht

BESCHIKKING ARTIKEL 36 a VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

( “MINI-INSTRUCTIE” OP VERZOEK)

Parketnummer : [parketnummer]

RC-nummer : [RC-nummer]

[verdachte]

Geboren te Rotterdam op [geboortedatum]

wonende te [adres]

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam heeft een verzoek tot het verrichten van handelingen van onderzoek ontvangen van mr. G.S.J. van Gestel, de raadsman van de verdachte, d.d. 18 februari 2012.

De raadsman van de verdachte en de officier van justitie zijn door de rechter-commissaris gehoord op 8 maart 2012. De raadsman van de verdachte heeft afstand gedaan van het recht dat de verdachte wordt gehoord, nadat de verdachte abusievelijk niet was opgeroepen.

De raadsman heeft het verzoek om camerabeelden van ‘de juwelier’ op te vragen ingetrokken omdat hij inmiddels kennis heeft kunnen nemen van deze beelden.

In overleg met de raadsman en de officier van justitie is besloten dat het verzoek tot het benoemen van een verkeersdeskundige (nog) niet aan de orde is omdat de officier van justitie heeft toegezegd dat de vragen die de raadsman heeft over de tijdsinterval tussen het op groen en rood springen van het betreffende verkeerslicht zullen worden beantwoord in een proces-verbaal van bevindingen waarbij ook gerelateerd zal worden welke normering van toepassing is.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevraagde getuigen niet verzet.

De rechter-commissaris heeft het volgende beslist.

De getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] worden toegewezen.

Het verzoek om getuige [getuige 6] te horen wordt in dit stadium van het onderzoek afgewezen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

In dit geval is van belang dat artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling in het nationale recht een toets bevat op grond waarvan de rechter-commissaris dient te beoordelen of hij het verzoek om een mini-instructie toewijst. De rechter-commissaris is vrij in zijn beoordeling maar laat zich in zijn beoordeling leiden door onder meer de algemene rechtsbeginselen en rechtstatelijke uitgangspunten.

In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of de grootmoeder van het vijfjarige slachtoffer dient te worden gehoord en op welke wijze dat dient te worden beoordeeld. De rechter-commissaris gaat er vooralsnog vanuit dat deze getuige tevens als slachtoffer dient te worden aangemerkt nu zij haar vijfjarige kleinkind heeft verloren (tengevolge van het tenlastegelegde delict voor zover dat in deze procedure bewezen zal worden) en het ongeval voor haar ogen heeft plaatsgevonden. Op dit moment kan in het midden blijven in hoeverre de verzochte getuige ook een kwetsbaar slachtoffer betreft, nog daargelaten dat daaromtrent op dit moment geen informatie beschikbaar is.

De positie van deze getuige als slachtoffer is relevant omdat de rechter-commissaris zich gebonden acht aan het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (verder: het kaderbesluit). Dat volgt uit het zogenaamde Pupino-arrest.

Artikel 3, tweede volzin, van het kaderbesluit luidt: “Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.”

Het voorgaande brengt met zich mee dat de belangen van de verdachte dermate zwaarwegend dienen te zijn dat deze het oordeel rechtvaardigen dat het noodzakelijk is om het slachtoffer te horen.

Het verzoek van de raadsman van de verdachte om [getuige 6] te horen komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat hij opgehelderd wil zien of zijn stelling, dat het desbetreffende voetgangersverkeerslicht op rood stond ten tijde van het ongeval, juist is. In zijn motivering heeft de raadsman onder meer twee niet onbelangrijke premissen aan zijn stelling ten grondslag gelegd die in dit stadium van onderzoek geen feitelijke grondslag vinden in het dossier. Ten eerste is nog onbekend of er ‘iemand’ op het knopje van het verkeerslicht van de voetgangers heeft gedrukt. Ten tweede zijn de door de raadsman gestelde relevante feiten en omstandigheden over de werking van het betreffende verkeerslicht, niet terug te vinden in het dossier. Op vragen van de rechter-commissaris heeft de officier van justitie meegedeeld dat er nog onderzoek gedaan wordt naar de mogelijke aanwezigheid van andere voetgangers (die dus op het knopje gedrukt kunnen hebben) en daarnaast heeft de officier van justitie op het verzoek van de raadsman meegedeeld dat er nog proces-verbaal wordt opgemaakt over de werking van het desbetreffende verkeerslicht. Gelet op dit stadium van het onderzoek acht de rechter-commissaris het prematuur om het noodzakelijk te achten dat [getuige 6] moet worden gehoord als getuige. Op dit moment zijn er nog voldoende alternatieven te onderzoeken waarmee het door de raadsman beoogde resultaat – het toetsen van zijn stelling – kan worden bereikt.

Het staat de raadsman van de verdachte vrij om in het vervolg van deze procedure zijn verzoek om [getuige 6] te horen, te herhalen met inachtneming van het bovenstaande. Voor zover die situatie zich voor doet, wenst de rechter-commissaris door de officier van justitie schriftelijk geïnformeerd te worden over de toestand van [getuige 6].

Aldus gedaan te Rotterdam op 7 maart 2012.

mr. R.J. de Bruijn,

Rechter-commissaris