Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW3091

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
10/740169-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om mini-instructie door rechter-commissaris.

De rechter-commissaris acht zich bij de beoordeling van het onderhavige verzoek gebonden aan het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (verder: het kaderbesluit). Dat volgt uit het zogenaamde Pupino-arrest. Dat in deze zaak een belangenafweging dient te worden gemaakt klemt temeer omdat de nationale wetgever met artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht heeft beoogd om de (seksuele) ontwikkeling van kinderen die jonger zijn dan 16 jaar te beschermen. Het is zeer aannemelijk dat het getuigen in een strafzaak als het onderhavige schadelijk kan zijn voor de verdere ontwikkeling van een kind. Getuigenverzoeken worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Strafrecht

BESCHIKKING ARTIKEL 36 a VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

( “MINI-INSTRUCTIE” OP VERZOEK)

Parketnummer : [parketnummer]

RC-nummer : [RC-nummer]

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam heeft een verzoek tot het verrichten van handelingen van onderzoek ontvangen van de verdachte d.d. 1 februari 2012, aangevuld bij faxbrief van 24 februari jl.

De verdachte en zijn raadsman hebben te kennen gegeven af te zien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

De rechter-commissaris heeft het volgende beslist.

Allereerst heeft de raadsman verzocht om het slachtoffer [slachtoffer] als getuige te horen.

In dit geval is van belang dat artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling in het nationale recht een toets bevat op grond waarvan de rechter-commissaris dient te beoordelen of hij het verzoek om een mini-instructie toewijst. De rechter-commissaris is vrij in zijn beoordeling maar laat zich in zijn beoordeling leiden door onder meer de algemene rechtsbeginselen en rechtstatelijke uitgangspunten.

In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of een minderjarig slachtoffer dient te worden gehoord en op welke wijze dat dient te worden beoordeeld.

In het algemeen staat voorop dat als een slachtoffer minderjarig is, het een kwetsbaar slachtoffer betreft dat een zekere bescherming verdient tegen mogelijk te lichtvaardige verzoeken om als getuige te worden gehoord in een strafzaak. De rechter-commissaris acht zich bij de beoordeling van het onderhavige verzoek gebonden aan het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (verder: het kaderbesluit). Dat volgt uit het zogenaamde Pupino-arrest.

Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in een arrest van 16 september 2005 overwogen dat, gelet op het kaderbesluit, de wijze waarop het recht op ondervraging in de zin van artikel 6 EVRM kan worden uitgeoefend onder omstandigheden kan worden beperkt door de belasting die kwetsbare getuigen van een dergelijke ondervraging kunnen ondervinden. De rechter-commissaris is van oordeel dat het slachtoffer op grond van hetzelfde kaderbesluit ook bescherming toekomt met betrekking tot de afweging of het slachtoffer als getuige dient te worden gehoord en dat hij daarom een belangafweging dient te maken die in overeenstemming is met het kaderbesluit. Artikel 3, tweede volzin, van het kaderbesluit luidt immers: “Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.”

Dat in deze zaak een belangenafweging dient te worden gemaakt klemt temeer omdat de nationale wetgever met artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht heeft beoogd om de (seksuele) ontwikkeling van kinderen die jonger zijn dan 16 jaar te beschermen. Het is zeer aannemelijk dat het getuigen in een strafzaak als het onderhavige schadelijk kan zijn voor de verdere ontwikkeling van een kind.

Omdat de rechter-commissaris op dit moment onvoldoende bekend is met de concrete feiten en omstandigheden over het slachtoffer en de mogelijke risico’s voor haar ontwikkeling, gaat hij er vanuit dat hij de nodige voorzichtigheid in acht dient te nemen.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de belangen van de verdachte dermate zwaarwegend dienen te zijn dat deze rechtvaardigen dat het nog steeds minderjarige slachtoffer verplicht wordt om in het strafproces te getuigen.

Ten aanzien van de belangen van de verdachte wordt overwogen dat hij de feitelijke handelingen die aan hem ten laste worden gelegd, nagenoeg allemaal heeft bekend. De destijds 22-jarige verdachte heeft erkend dat hij (vaginale) seks heeft gehad met een destijds 14-jarig kind. Voor zover het slachtoffer aangifte heeft gedaan van verkrachting is dat niet in de tenlastelegging opgenomen. Het al dan niet vrijwillige karakter van de seksuele omgang is daarom niet relevant. Een tweetal feitelijke handelingen die wel in de tenlastelegging zijn opgenomen, zijn door de verdachte in zijn verhoor bij de politie nadrukkelijk betwist. Dat betreft de stelling van de verdachte dat hij ontkent dat hij de minderjarige met meer dan één vinger heeft gevingerd en dat hij ontkent dat sprake is geweest van orale seks. Het verzoek van de raadsman strekt echter niet – althans dat heeft de rechter-commissaris er niet uit op kunnen maken – tot het ophelderen van deze twee punten.

Voor zover de raadsman heeft gesteld, dat de verdediging er belang bij heeft om de verklaringen van de aangeefster te toetsen op betrouwbaarheid, kan dat in het licht van de bekentenis van de verdachte en hetgeen aan hem tenlastegelegd is, niet worden gevolgd.

De raadsman van de verdachte heeft verder – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij meer duidelijkheid wenst te krijgen over het gedrag en karakter van het slachtoffer en de omstandigheden omtrent de omgang tussen het slachtoffer en de verdachte, zodat de rechtbank beter kan oordelen of de sociaal ethische norm door de verdachte ook in dit geval is overschreden. Daartoe heeft hij verzocht om zowel de verdachte als haar moeder, haar broer, enkele vriendinnen als enkele kennissen, als getuigen te horen.

De rechter-commissaris is van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft gesteld van onvoldoende zwaarwegend belang is voor de beoordeling van de zaak. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het door de raadsman beoogde onderzoek de belangen van het slachtoffer onevenredig zou kunnen schaden. Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten voor de rechtbank om ook in dit concrete geval invulling te kunnen geven aan de in het maatschappelijke verkeer geldende sociaal ethische norm in het kader van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om het slachtoffer [slachtoffer] alsmede de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7] te horen, afgewezen.

Aldus gedaan te Rotterdam op 7 maart 2012.

mr. R.J. de Bruijn,

Rechter-commissaris