Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW2956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
07/ **** R….
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP; afwijzing verzoek tot ontneming van de schone lei ex artikel 358 a, eerste lid, Faillissementswet. Het verzwijgen van het niet nakomen van een betalingsregeling ten aanzien van een nieuwe schuld die tijdens de schuldsaneringsregeling ontstaan is, valt niet onder de werking van artikel 350, derde lid, onder e, Faillissementswet. Weliswaar is schuldenares toerekenbaar tekortgeschoten en zou indien dit bekend was bij de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling de schone lei mogelijk niet verleend zijn, maar deze tekortkoming valt onder artikel 350, derde lid, onder c Faillissementswet en niet onder het gestelde criterium onder e.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

insolventienummer: [07/ **** R….]

nummer verklaring: [….]

uitspraakdatum: 5 april 2012

Bij vonnis van deze kamer van 17 december 2007 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

bewindvoerder: E.A. de Snoo.

1. De procedure

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 september 2011 vastgesteld dat schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, doch dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard dan wel geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Aan schuldenares is daarom de zogenoemde “schone lei” verleend.

De bewindvoerder heeft de rechtbank bij brieven van 22 december 2011 en 3 februari 2012 in overweging gegeven om schuldenares de schone lei te ontnemen.

Het verzoek tot ontneming van de schone lei is behandeld ter terechtzitting van 29 maart 2012. Schuldenares, in het bijzijn van haar advocaat mr. J.A. van Gemeren, en C.J. van der Linden namens de bewindvoerder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De standpunten

De bewindvoerder stelt dat schuldenares gedurende de wettelijke schuldsaneringsregeling bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan aan Zorg en Zekerheid voor een totaalbedrag ad € 9.614,84. Schuldenares heeft verklaard dat zij betalingsregelingen overeen was gekomen. Schuldenares is echter de betalingsregelingen niet nagekomen, hetgeen schuldenares heeft verzwegen tijdens de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Ter terechtzitting heeft de bewindvoerder verklaard dat de kern van zijn verzoek niet ziet op de vraag of de schuld reeds bekend was of niet. De bewindvoerder heeft geaarzeld tijdens de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling omdat er enerzijds nieuwe schulden zijn ontstaan maar anderzijds betalingsregelingen waren getroffen. Nu blijkt echter dat deze betalingsregelingen niet zijn nagekomen.

De bewindvoerder heeft verklaard dat er geen oude schuld is meegenomen in het totaalbedrag van € 9.614,84. De eerste nieuwe schuld is op 29 december 2007 ontstaan. Vervolgens is schuldenares op 12 december 2008 een betalingsregeling van € 200, - per maand overeengekomen.

De bewindvoerder is van oordeel dat er sprake is van schuldeisersbenadeling. Door verlening van de schone lei, hebben de schuldeisers geen vorderingsrecht meer. Nu gebleken is dat schuldenares haar verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen, zou – indien dit ten tijde van de toenmalige beëindigingzitting bekend was – de bewindvoerder niet positief geadviseerd hebben. Had de schone lei zijn geweigerd, dan hadden schuldeisers hun vorderingsrecht wel kunnen uitoefenen.

Verder heeft de bewindvoerder aangevoerd dat in het vrij te laten bedrag telkens rekening is gehouden met de betalingsregeling die schuldenares overeengekomen was. Schuldenares had dus meer aan de boedel kunnen afdragen.

Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat de bewindvoerder enerzijds stelt dat de informatie na beëindiging van de schuldsaneringsregeling pas bekend is en anderzijds blijkt uit de verslagen dat de schuld aan Zorg en Zekerheid al wel bekend was. Verder heeft schuldenares verklaard dat ze niet te kwader trouw was. Tijdens de beëindigingzitting zijn een Belastingschuld en een schuld aan Eneco aan de orde gekomen, waarvoor eveneens betalingsregelingen zijn getroffen. Deze schulden zijn inmiddels afgelost. De schulden aan Zorg en Zekerheid zijn tijdens de beëindigingzitting niet ter sprake gekomen.

Schuldenares heeft erkend de betalingsregeling niet te zijn nagekomen. Schuldenares heeft tijdens de regeling tweemaal een bedrag van ongeveer € 150, - aan Zorg en Zekerheid afgelost. Schuldenares heeft verklaard dat de nieuwe schulden aan Zorg en Zekerheid momenteel afbetaald worden. Gedurende de schuldsaneringsregeling was schuldenares hiertoe niet in staat, omdat zij eerst de schuld aan Eneco moest aflossen.

3. De beoordeling

Artikel 358a, eerste lid, Faillissementswet bepaalt dat indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350, derde lid, onder e, Faillissementswet, de rechter op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat artikel 358, eerste lid, Faillissementswet geen toepassing vindt.

De bedoelde toelichting van de regering op art. 358a Fw hield, voor zover van belang, het volgende in:

'Indien een natuurlijke persoon ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, tot de boedel behorende inkomsten of andere goederen tegenover de bewindvoerder verzwijgt of deze anderszins door een verkeerde voorstelling van zaken feitelijk buiten de boedel weet te houden of daaraan weet te onttrekken, betekent dat een benadeling van de schuldeisers ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling werkt. Deze verzwegen activa kunnen alsdan immers niet bij een eventuele uitdeling aan de schuldeisers betrokken worden. Eindigt vervolgens de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in artikel 356, tweede lid, dan kan het een en ander tevens tot gevolg hebben dat een groter gedeelte van de vorderingen van de schuldeisers als natuurlijke verbintenis zal resteren. Zou van een handelwijze van de schuldenaar als hierboven bedoeld blijken tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan levert dat een grond op voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 350, derde lid, onder e).”

Vast staat dat de nieuwe schulden aan Zorg en Zekerheid ten tijde van de schuldsaneringsregeling ontstaan zijn en reeds bekend waren bij de bewindvoerder en dus niet als nieuwe feiten en omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Ook de getroffen betalingsregelingen waren bekend bij de bewindvoerder. De bewindvoerder was echter in de veronderstelling dat deze betalingsregelingen nagekomen werden. Het niet nakomen van de betalingsregelingen kan worden aangemerkt als nieuwe omstandigheid.

Het gaat in het onderhavige geval met name om de vraag of het verzwijgen van het niet nakomen van een betalingsregeling ten aanzien van een nieuwe schuld die tijdens de schuldsaneringsregeling ontstaan is, onder de werking van artikel 350, derde lid, onder e, Faillissementswet valt.

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Weliswaar is schuldenares toerekenbaar tekortgeschoten en zou indien dit bekend was bij de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling de schone lei mogelijk niet verleend zijn, maar deze tekortkoming valt onder artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet en niet onder het gestelde criterium onder e. Dit criterium vindt zijn toepassing bij verzwegen activa zoals tot de boedel behorende inkomsten of andere goederen, die op deze wijze onttrokken zijn uit de boedel. In het onderhavige geval is geen sprake van benadeling van schuldeisers.

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek tot ontneming van de schone lei worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechter, en in aanwezigheid van S. van Gurp, griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.