Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1984

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
AWB 10/4388 T1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van schade, die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag om een bouwvergunning. De door eiser voor het verzoek aangevoerde gronden slagen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4388

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Bergschenhoek, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.M. Ferwerda.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 21 september 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels doorgezonden naar de raad der gemeente Lansingerland, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn broer [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 19 september 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning eerste fase ten behoeve van de bouw van een nieuw woonhuis op de plaats van de oude woning op het perceel [adres] te Bergschenhoek. Tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag heeft eiser op 17 maart 2008 een bezwaarschrift ingediend, dat verweerder bij besluit van 25 september 2008 gegrond heeft verklaard.

Op 1 oktober 2008 heeft eiser een gewijzigd bouwplan ingediend. Bij besluit van 15 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 2 maart 2009, reg.nr: AWB 09/482 VWW44-T1, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat verweerder eisers aanvraag op een onjuiste grondslag buiten behandeling heeft gesteld en verweerder gelast binnen vier weken te beslissen op het door eiser ingediende bezwaarschrift.

Bij de beslissing op bezwaar van 23 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar tegen het buiten behandeling stellen van de aanvraag gegrond verklaard en het besluit van 15 januari 2009 ingetrokken.

Bij besluit van 27 april 2009 heeft verweerder geweigerd eiser vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de aanvraag van eiser om een bouwvergunning eerste fase afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit door eiser ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 30 juni 2011, reg.nr. AWB 10/407, ongegrond verklaard.

Op 24 juli 2007 heeft eiser een aanvraag om een sloopvergunning ingediend voor het geheel slopen van een woonhuis met schuur op het perceel [adres]. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft verweerder de aanvraag om een sloopvergunning buiten behandeling gesteld. Bij brief van 11 juli 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een sloopvergunning. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft verweerder het besluit van 11 juli 2008 ingetrokken en heeft verweerder geweigerd de sloopvergunning te verlenen. Bij besluit van 9 september 2008, is alsnog sloopvergunning verleend en is het besluit van 7 augustus 2008 ingetrokken. Eiser heeft tijdens de hoorzitting van 17 september 2008 het door hem ingediende bezwaarschrift wegens het niet tijdig nemen van een besluit/de weigering van de sloopvergunning ingetrokken.

2. Bij brief van 20 april 2009 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag om een bouwvergunning en verweerder verzocht een voorschot op de geclaimde schade te verstrekken ten bedrage van € 16.000,--.

Bij brief van 20 juli 2009 heeft eiser het verzoek om schadevergoeding op verzoek van verweerder nader gespecificeerd. De schade bestaat uit kostenverhogingen, gederfde inkomsten, rentederving op het geïnvesteerd vermogen en immateriële schade. In totaal vordert eiser een bedrag van € 79.489,34. In deze brief stelt eiser verweerder aansprakelijk vanwege:

1. het niet binnen redelijke tijd behandelen van eisers aanvraag om bouwvergunning eerste fase;

2. het ten onrechte buiten behandeling stellen van eisers aanvraag om bouwvergunning eerste fase;

3. het niet binnen de wettelijke termijn beslissen op eisers aanvraag om een sloopvergunning;

4. het niet binnen de wettelijke termijn nemen van een besluit op bezwaar ten aanzien van de bouwvergunning;

5. het niet binnen de wettelijke termijn nemen van een besluit op bezwaar ten aanzien van de sloopvergunning;

6. het niet binnen de wettelijke tijd herzien van het bestemmingsplan;

7. het niet adequaat uitvoeren van VROM-taken;

8. het niet uitvoeren van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab);

9. het achterhouden van aan de gemeenteraad geadresseerde brieven;

10. het niet te woord staan van eiser door het afdelingshoofd en de wethouders;

11. het niet voldoen aan de door verweerder zelf opgelegde termijnen;

12. het wederom niet voldoen aan de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit na bezwaar ten aanzien van de bouwvergunning;

13. het niet voldoen aan de inspanningsverplichting jegens de stadsregio om zelfbouw binnen de gemeente te stimuleren.

3. Bij brief van 4 september 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding. Deze brief is op 24 september 2009 doorgezonden naar verweerder om als bezwaarschrift te worden behandeld. Bij brief van

21 oktober 2009 heeft eiser nogmaals beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 28 januari 2010 heeft verweerder meegedeeld dat de brief van 4 september 2009 alsnog als bezwaarschrift wordt aangemerkt en als zodanig in behandeling wordt genomen.

Bij uitspraak van 24 maart 2010, reg.nr.: AWB 09/3650 WET-T1, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een primair besluit bekendmaakt, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 15.000,-- .

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij het primaire besluit eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar wat betreft punt 6 niet in behandeling genomen, maar doorgestuurd naar de raad van de gemeente Lansingerland, het bezwaar wat betreft de punten 7, 8, 9, 10, 11 en 13 niet-ontvankelijk en wat betreft de punten 1, 2, 3, 4, 5 en 12 ongegrond verklaard.

4. Ter zitting heeft eiser desgevraagd medegedeeld dat de gronden van beroep overeenkomen met de 13 punten genoemd in de brief van 20 juli 2009.

5. Beoordeling

5.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een reactie op een verzoek om schadevergoeding een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar en beroep openstaat indien aan de vereisten van materiële en processuele connexiteit is voldaan.

Aan het vereiste van materiële connexiteit is voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat het schadebesluit neemt van een door dat bestuursorgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval levert een schriftelijke beslissing over schade die niet is gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op. Aan het vereiste van processuele connexiteit is voldaan, indien ook tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf beroep open staat bij de bestuursrechter.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 (LJN: BN2670) overweegt de rechtbank dat degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, gehouden is die aan de benadeelde te vergoeden. Dit beginsel komt tot uitdrukking in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 8:73 van de Awb. Voor vestiging van aansprakelijkheid is onder meer vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten en de gestelde schade.

5.2 Wat betreft beroepsgrond 6 van eiser dat het bestemmingsplan niet tijdig is herzien, stelt de rechtbank vast dat niet is voldaan aan het vereiste van processuele connexiteit. Aangezien de bevoegdheid tot het herzien van het bestemmingsplan bij de gemeenteraad en niet bij verweerder ligt, heeft verweerder zich terecht niet bevoegd geacht om op dit punt te beslissen en het verzoek om schadevergoeding terecht doorgezonden om door de raad van de gemeente Lansingerland te laten behandelen. Overigens is gebleken dat de raad bij besluit van 30 september 2010 het onder punt 6 verwoorde bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat eiser tegen dit besluit geen beroep heeft ingesteld.

5.3 Wat betreft de beroepsgronden die zien op het door verweerder niet adequaat uitvoeren van VROM-taken (beroepsgrond 7), het door verweerder niet uitvoeren van het Biab (beroepsgrond 8), het door verweerder achterhouden van aan de gemeenteraad geadresseerde brieven (beroepsgrond 9), het door het afdelingshoofd en de wethouders niet te woord staan van eiser (beroepsgrond 10), het door verweerder niet voldoen aan de door hem zelf opgelegde termijnen (beroepsgrond 11) en het door verweerder niet voldoen aan de inspanningsverplichting jegens de stadsregio om zelfbouw binnen de gemeente te stimuleren (beroepsgrond 13), stelt de rechtbank vast dat het hier gaat om feitelijke handelingen en niet om besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Nu tegen deze handelingen geen bezwaar en beroep op grond van de Awb openstaat, staat die weg evenmin open tegen verweerders beslissing op eisers verzoek om schadevergoeding op deze punten.

Verweerder heeft wat betreft deze punten het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.4 Ten aanzien van de beroepsgrond over het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gericht tegen het in eerste instantie niet in behandeling nemen van de aanvraag om sloopvergunning en later tegen de weigering van de sloopvergunning (beroepsgrond 5), stelt de rechtbank vast dat eiser zijn bezwaarschrift op 17 september 2008 heeft ingetrokken en dat verweerder om die reden geen beslissing op bezwaar heeft genomen. Er is gelet hierop geen sprake van een schadeveroorzakend besluit.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser op dit punt terecht ongegrond verklaard.

5.5 Ten aanzien van de beroepsgrond gericht tegen het niet binnen de wettelijke termijn beslissen op eisers aanvraag om een sloopvergunning (beroepsgrond 3), stelt de rechtbank vast dat de aanvraag om een sloopvergunning op 26 juli 2007 bij verweerder is binnengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder, doordat de aanvraag in eerste instantie niet volledig was, uiterlijk op 26 oktober 2007 op de aanvraag had moeten beslissen. Nu de beslissing op de aanvraag dateert van 11 juli 2008, heeft verweerder

30 weken later beslist, hetgeen in strijd is met artikel 8.1.4 van de Bouwverordening. Op

9 september 2008 is vervolgens alsnog sloopvergunning verleend. Ter zitting is gebleken dat de woning inmiddels is gesloopt.

Ook met betrekking tot de beroepsgrond 2 heeft verweerder erkend dat het besluit van

15 januari 2009, waarbij eisers aanvraag van 1 oktober 2008 voor een bouwvergunning eerste fase buiten behandeling is gesteld, is genomen in strijd met artikel 47 van de Woningwet (oud). Voorts heeft verweerder erkend dat hij niet binnen de daartoe in de Woningwet en de WRO gestelde termijnen heeft beslist op deze aanvraag van eiser (beroepsgrond 1).

Onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010, overweegt de rechtbank dat in de regel eerst aan de hand van het op de aanvraag te nemen reële besluit kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke omvang schade is geleden ten gevolge van het niet tijdig nemen van een besluit. In dit geval ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een causaal verband tussen de door eiser gestelde schade en het niet tijdig beslissen op de aanvragen om een sloopvergunning en een bouwvergunning eerste fase en het ten onrechte buiten behandeling stellen van die bouwaanvraag. Uit de brief van eiser van 20 juli 2009 en het verhandelde ter zitting is gebleken dat die schade verband houdt met het niet, althans niet tijdig, kunnen realiseren van een nieuwe woning op het perceel [adres]. De door eiser gestelde schade wordt niet veroorzaakt door de hierboven genoemde besluiten, maar door de inmiddels onherroepelijk geworden weigering van een bouwvergunning eerste fase en vrijstelling en het ontbreken van een bouwvergunning tweede fase. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre dan ook terecht ongegrond verklaard.

5.6 Wat betreft de beroepsgronden 4 en 12, inhoudende dat verweerder (wederom) niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaarschrift tegen de weigering van de bouwvergunning heeft beslist, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft op 5 juni 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 april 2009, waarbij verweerder heeft geweigerd eiser vrijstelling te verlenen en de aanvraag om een bouwvergunning eerste fase heeft afgewezen. Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de in artikel 7:10 van de Awb neergelegde termijnen op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding echter niet zodanig lang dat op grond hiervan schadevergoeding toegekend dient te worden.

5.7 Evenmin ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding voor vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Bij die beoordeling geldt blijkens vaste jurisprudentie bij dit verdragsartikel (zie de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2008, LJN: BG8294 en 20 mei 2009, LJN: BI4558) dat de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De rechtbank stelt vast dat sinds 4 september 2009, het moment waarop eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder op zijn verzoek om schadevergoeding, en het moment waarop deze uitspraak zal worden gedaan, nog geen periode van drie jaar is verstreken, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

5.8 Het beroep is ongegrond.

5.9 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en

mr. F.A. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Joseph, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.