Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1963

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
389959 / HA ZA 11-2050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Relatieve bevoegdheid. Art. 108 Rv. Verwijzing gevorderd op grond van een forumkeuze. Vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op vier geldleningsovereenkomsten. Het forumkeuzebeding maakt slechts van één van deze vier overeenkomsten deel uit. Geen rechtens te respecteren belang bij de verwijzingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 389959 / HA ZA 11-2050

Vonnis in incident van 11 april 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Almere,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het verzet,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Straus,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Maassluis,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het verzet,

eiseres in het incident,

advocaat mr. H. Loonstein.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 november 2010 en de door [eiser] in het geding gebrachte producties;

- het door deze rechtbank op 1 juni 2011 tussen [eiser] en [gedaagde] bij verstek gewezen vonnis onder zaak-/rolnummer 367880 / HA ZA 10-3520;

- de verzetdagvaardingen van 12 en 18 augustus 2011, tevens incidentele eis tot onbevoegdheid;

- het herstelexploot van 27 september 2011;

- de conclusie van antwoord in incident;

- de akte zijdens [gedaagde].

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

De vaststaande feiten

Op basis van de door [partij X] (hierna: [X]), [partij Y] (hierna: [Y]) en [partij Z] (hierna: [Z]) ondertekende overeenkomst van 4 augustus 2008 heeft [eiser] aan [gedaagde] € 500.000,-- als lening verstrekt (hierna: de geldleningovereenkomst I).

VE Holding B.V., [eiser], [gedaagde], [Z], [X] en [Y] zijn bij overeenkomst van 28 december 2009 (hierna: geldleningovereenkomst II) overeengekomen dat [eiser] aan VE Holding een lening van € 200.000,-- verstrekt onder verstrekking van zekerheden. Deze overeenkomst vermeldt onder meer:

"9.7 Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst, dan wel nadere overeenkomsten die

daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Amsterdam."

[X], [Y] en [Z] zijn bij overeenkomst van 7 maart 2010 overeengekomen dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag leent van € 200.000,-- (hierna: geldleningovereenkomst III).

VE Holding B.V., [eiser], [gedaagde], [Z], [X] en [Y] zijn bij overeenkomst van 7 juni 2010 (hierna: geldleningovereenkomst IV) overeengekomen dat [eiser] aan VE Holding een lening van € 200.000,-- verstrekt onder verstrekking van zekerheden.

Het geschil in incident

de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring

[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat partijen in artikel 9.7 van geldleningovereenkomst II een uitdrukkelijke forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam zijn overeengekomen met uitsluiting van iedere andere rechter. Deze forumkeuze treft niet alleen de vorderingen op basis van geldleningovereenkomst II maar ook de andere geldleningovereenkomsten tussen partijen, zoals blijkt uit voornoemd artikel. Deze rechtbank is dus onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.

[eiser] heeft de incidentele vordering van [gedaagde] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zij stelt daartoe dat alhoewel in geldleningovereenkomst II een forumkeuze is opgenomen, de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak in stand blijft. De bepalingen in geldleningovereenkomst II gelden slechts als aanvulling op geldleningovereenkomst I, waardoor de rechtbank Amsterdam slechts een alternatief forum is. Daarnaast kent artikel 9.7 van geldleningovereenkomst naar de tekst geen exclusieve bevoegdheid aan de rechtbank Amsterdam toe. Verder was er reeds een geschil over geldleningovereenkomst I op het moment dat geldleningovereenkomst II werd aangegaan. In geldleningovereenkomst I, III en IV zijn geen forumkeuzebedingen opgenomen, zodat de rechtbank Rotterdam ten aanzien van deze overeenkomsten op grond van artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd is. [eiser] verzoekt de rechtbank rekening te houden met een proceseconomische overwegingen, indien zij de procedure doorverwijst naar rechtbank Amsterdam. De vier geldleningovereenkomsten spelen tussen dezelfde partijen en zijn met elkaar verknocht.

de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring

[gedaagde] vordert dat haar wordt toegestaan om in vrijwaring op te roepen Omnium Investments Concept SA (hierna: OIS), Omnium Management Concept Sarl (hierna: OMCS) en de heer [A], allen gevestigd danwel wonende te Geneve, Zwitserland, en hierna gezamenlijk te noemen Omnium c.s., met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. [gedaagde] legt aan deze vordering ten grondslag dat de door haar van [eiser] geleende gelden bestemd waren voor en (ten dele) zijn doorbetaald aan OIS en OMCS, zoals afgesproken. Deze vennootschappen behoren toe aan [A].

[eiser] heeft de incidentele vordering van [gedaagde] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. Zij stelt daartoe dat Omnium c.s. geen partij zijn bij de geldleningovereenkomsten. [eiser] betwist dat tussen hen en [gedaagde] een rechtsverhouding bestaat of dat zij [gedaagde] in hun verplichtingen uit deze procedure moeten vrijwaren. [eiser] voert verder aan dat toewijzing van deze incident tot onnodige vertraging zou leiden, aangezien Omnium c.s. gevestigd dan wel woonachtig zijn in Zwitserland en de kans bestaat dat Zwitsers recht van toepassing is. Dit klemt te meer nu slechts het gedeelte van de vordering dat ziet op geldleningovereenkomst I op Omnium c.s. kan worden verhaald.

De beoordeling in incident

de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring/verwijzing

De rechtbank constateert dat in de onderhavige zaak vier geldlening-overeenkomsten in geschil zijn. In één van deze overeenkomsten (geldleningovereenkomst II) staat in artikel 9.7 het volgende forumkeuzebeding opgenomen: "Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst, dan wel nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Amsterdam."

Met dit forumkeuzebeding hebben partijen de rechtbank Amsterdam aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan naar aanleiding van geldleningovereenkomst II. Dit is een forumkeuzebeding als bedoeld in artikel 108 Rv. Op grond van dit artikel is de in het forumkeuzebeding genoemde rechtbank in beginsel exclusief bevoegd, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit. Volgens [eiser] is de rechtbank Amsterdam niet exclusief, maar slechts alternatief bevoegd. Dit blijkt evenwel niet uit de overeenkomst noch kan dit worden afgeleid uit de door [eiser] geschetste omstandigheden.

Niettemin bestaat geen grond voor (al dan niet) gedeeltelijke onbevoegdheid-verklaring. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende.

De overige drie overeenkomsten die aan de vordering in de hoofdzaak ten grondslag liggen (geldleningovereenkomst I, III en IV) bevatten geen forumkeuzebeding. Deze rechtbank is op grond van artikel 99 Rv in beginsel bevoegd om van geschillen naar aanleiding van deze overeenkomsten kennis te nemen. De stelling van [gedaagde] dat de onder 4.1 genoemde forumkeuze ook van toepassing is op geschillen op basis van de overige drie overeenkomsten, volgt de rechtbank niet. De forumkeuze beperkt zich immers tot "deze overeenkomst dan wel nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn". De geldleningovereenkomsten I, III en IV creëren afzonderlijke verplichtingen en zijn niet elkaars gevolg, althans [gedaagde] heeft geen feiten gesteld die tot die conclusie nopen. De rechtbank is dus bevoegd om van de geschillen ten aanzien van de geldleningovereenkomsten I, III en IV kennis te nemen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank bevoegd om van een gedeelte van de vordering kennis te nemen (namelijk het gedeelte dat ziet op de geldleningovereenkomst I, III en IV). Ten aanzien van geschillen op basis van geldleningovereenkomst II is zij in beginsel onbevoegd.

Bij die stand van zaken rijst de vraag wat het belang van [gedaagde] is bij gedeeltelijke onbevoegdverklaring en verwijzing naar de rechtbank Amsterdam. In beginsel kan het belang van een partij bij berechting van het geschil door de afgesproken rechter worden verondersteld. Dit kan anders zijn als het gevolg van naleving van die partijafspraak zou leiden tot het opknippen van de procedure, in die zin dat een deel van het geschil voor de ene en een deel voor de andere rechter moet worden behandeld. Dat ligt te minder voor de hand als die verschillende delen samenhang vertonen. Dat doet zich hier voor. Die samenhang blijkt al uit de inleidende dagvaarding en ook heeft [eiser] daarop nog uitdrukkelijk bij incidentele conclusie van antwoord gewezen. Gelet daarop mocht van [gedaagde] verwacht worden uiterlijk bij akte in te gaan op het belang bij gedeeltelijke verwijzing naar de rechtbank Amsterdam. Dat heeft zij niet gedaan. De in die akte opgenomen stelling dat [gedaagde] geen partij is bij overeenkomst I is niet een zodanig feit. Bepalend is de door [eiser] gestelde grondslag van de vordering, te weten een met [gedaagde] gesloten overeenkomst. Of [gedaagde] daadwerkelijk partij is bij die overeenkomst moet in de hoofdzaak worden beoordeeld. Dat brengt mee dat niet is gebleken van een rechtens te respecteren belang bij die verwijzing. In de onderhavige omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] een beroep op de forumkeuze uit overeenkomst II zou kunnen doen.

De incidentele vordering tot onbevoegdheid wordt dus afgewezen.

de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring

[gedaagde] vordert Omnium c.s. in vrijwaring te mogen oproepen. Zij voert daartoe aan dat de door haar van [eiser] geleende gelden bestemd waren voor en (gedeeltelijk) doorbetaald zijn aan Omnium c.s. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld ter zake het bestaan van een rechtsverhouding met Omnium c.s., op basis waarvan eventuele nadelige gevolgen van de beslissing in de onderhavige zaak mogelijk door Omnium c.s. moeten worden gedragen. Of deze rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, zal moeten worden beoordeeld in de vrijwaringsprocedure.

Het verweer van [eiser] dat toewijzing van deze incidentele vordering tot onnodige vertraging zou leiden staat niet aan toewijzing in de weg. De rechtbank is van oordeel dat gezamenlijke behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaring gewenst is uit het oogpunt van proceseconomie en om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. Mocht de vrees voor vertraging bewaarheid worden, dan staat het [eiser] vrij afsplitsing te vorderen van de hoofdzaak en de vrijwaring (artikel 215 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Aan toewijzing van de incidentele vordering staat die vrees dus niet in de weg, mede gelet op het gerechtvaardigd belang van [gedaagde] om zijn verhaalsrecht op Omnium c.s. tegelijk met een veroordeling in de hoofdzaak te laten vaststellen. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank de incidentele vordering tot oproeping van Omnium c.s. in vrijwaring toewijzen.

Slotsom

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

De hoofdzaak zal worden aangehouden voor beraad in de zin van artikel 131 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De beslissing

in het incident tot onbevoegdverklaring/verwijzing

wijst de vordering af;

verklaart zich bevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen;

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident tot oproeping in vrijwaring

staat toe dat Omnium Investments Concept SA, Omnium Management Concept Sarl en de heer [A], allen gevestigd danwel wonende te Geneve, Zwitserland, worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 11 juli 2012;

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

houdt iedere beslissing aan voor beraad in de zin van artikel 131 Rv.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.

2057/1980